|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:6690 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 23/11191 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | BPM, beroep ongegrond, wel vergoeding IMSV en PKV. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bpm | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11191
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 8.278 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 43 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan [bedrijf] B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1]. [inspecteur 2].
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een BMW 8-serie M 850i XDrive met VIN [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag van € 7.504 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 47.665. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 9.269 en daarvan € 6.674 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast is een aanvullend bedrag van € 4.767 in mindering gebracht.
3.2.
Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.
3.3.
De keuring door de RDW heeft plaatsgevonden op 11 april 2022.
Motivering
4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.2.
Tussen partijen staat vast dat het moment waarop de auto door de RDW is gekeurd, het afschrijvingsmoment, 11 april 2022 is, en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport in opdracht van belanghebbende op 14 april 2022 heeft plaatsgevonden. Hiermee staat vast dat de fysieke schouw van de auto pas na de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden.
4.3.
Belanghebbende betoogt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd en stelt dat hij, hoewel de fysieke opname na de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden, toch aangifte mocht doen met gebruikmaking van de taxatiemethode. Het niet exact naleven van artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM betekent volgens belanghebbende niet dat geen gebruik kan worden gemaakt van de taxatiemethode.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:
“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.”
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM. Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM kan redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld na het afschrijvingsmoment. Die lezing druist naar het oordeel van de rechtbank in beginsel ook niet in tegen enig rechtsbeginsel, voor zover dat getoetst kan worden door de rechter gelet op het grondwettelijk toetsingsverbod. Daarbij merkt de rechtbank op dat belanghebbende niet heeft aangegeven waarom de auto door de taxateur pas ná de RDW goedkeuring is geschouwd. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.
4.6.
Voor dat geval wenst belanghebbende een beroep te doen op een koerslijst ATP ingebracht op 11 juni 2026. Deze beroepsgrond slaagt niet reeds omdat het de rechtbank niet duidelijk is geworden waarin de verschillen zitten met de eveneens ingebrachte koerslijst ATP maar dan met opmaakdatum 4 februari 2025 door taxateur [taxateur]. Daaruit blijken kortgezegd andere prijzen en waardes voor hoe het op de rechtbank overkomt hetzelfde voertuig. Gelet op deze tegenstrijdigheden slaagt naar het oordeel van de rechtbank deze beroepsgrond niet.
Belastingrente
4.7.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.8.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 22 mei 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 1 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond veertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Besluit van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821 (Stcrt. 2021, 48636, p. 36).
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|