Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:837 
 
Datum uitspraak:10-02-2026
Datum gepubliceerd:17-02-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:23/9812
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Bpm
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
glb
naheffingsaanslag
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9812


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen




[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),

en



de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en



de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 september 2023.


1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 2.548 aan verschuldigde Bpm.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam] , verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.


2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Feiten

3. Belanghebbende heeft op 14 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes Benz GLB-klasse 220D met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.086.


3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.



3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 5.634 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.





Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden
toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.


4.1.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de CO2-uitstoot moet worden vastgesteld op 150 gram per kilometer en de bruto Bpm op € 11.671.


Herleidingsmethode




4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.


Afschrijvingsmethode




4.3.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.


Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?




4.4.
De taxateur van belanghebbende heeft aan de auto schade geconstateerd en daarvan 71% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De taxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto’s geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.



4.5.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto twee jaar oud is en 86.502 kilometer heeft gereden. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.



4.6.
Het voorgaande brengt met zich dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Belanghebbende heeft voor dat geval een beroep gedaan op de koerslijstmethode.


Handelsinkoopwaarde en interne compensatie




4.7.
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 26.293 zoals blijkt uit de koerslijst van Xray die als bijlage bij het rapport van DRZ is gevoegd.



4.8.
De inspecteur heeft aangevoerd dat de handelsinkoopwaarde op een hoger bedrag moet worden vastgesteld dan uit de koerslijst volgt en heeft daarbij gewezen op de aankoopprijs van de auto. Hij stelt dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op minimaal € 41.595. In verband met dit verschil in handelsinkoopwaarde heeft de inspecteur ter zitting een beroep op interne compensatie gedaan.



4.9.
Belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel omdat in het verweerschrift reeds staat vermeld dat het beroep gegrond wordt verklaard wegens de verlaging van de CO2-uitstoot.



4.10
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. In het verweerschrift staat vermeld:
…”Uit de door mij beschikbare gegevens blijkt inderdaad dat de CO2-uitstoot is aangepast naar 150 g/km WLTP en 129 g/km NEDC. Het beroep van belanghebbende is op dit punt gegrond. Op basis van de reeds genoemde CO2-uitstoot stel ik de verschuldigde Bpm vast op € 4.662. Belanghebbende heeft op aangifte € 3.086 betaald, dit resumeert in een verschuldigde Bpm van € 1.576. De naheffingsaanslag Bpm wordt verminderd met € 972 tot € 1.576….”



4.11.
De rechtbank begrijpt dat de inspecteur nu hierop terug wenst te komen door eerst op zitting een beroep op interne compensatie te doen met betrekking tot het door hem bepleite verschil in handelsinkoopwaarde. Gelet op deze handelwijze en tekst in het stuk van de inspecteur zonder voorbehoud mocht belanghebbende er naar het oordeel van de rechtbank er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de inspecteur niet meer zou terugkomen op zijn standpunt dat belanghebbende deels gelijk heeft en de naheffingsaanslag moet worden verlaagd. Dat betekent dat de inspecteur op dit specifieke onderdeel niet alsnog ten nadele van belanghebbende kan afwijken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan door belanghebbende treft dus doel en staat het beroep op interne compensatie zoals gedaan door de inspecteur in de weg.



4.12.
De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde daarom vast op € 26.293 zoals blijkt uit de koerslijst van Xray die bij het rapport van hertaxatie is gevoegd. De rechtbank ziet ook voor het overige geen aanleiding om deze koerslijst niet te volgen.



Hoogte naheffingsaanslag




4.13.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 65.808, een handelsinkoopwaarde van € 26.293 en een bruto Bpm van € 11.671 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 4.662.



4.14.
Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 3.086 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 1.576.


Immateriële schadevergoeding




4.15.
Belanghebbende heeft in zijn nader stuk van 30 december 2025 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.



4.16.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 3 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.



4.17.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt € 469 (5/16e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.031) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.





Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.


5.1.
De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat geen proceskostenvergoeding moet worden toegekend omdat belanghebbende pas in de beroepsfase het geschilpunt met betrekking tot de CO2-uitstoot heeft aangedragen en dat alleen is toe te schrijven aan de handelswijze van belanghebbende dan wel diens gemachtigde.



5.2.
Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is niet voldoende.
Het staat een belanghebbende in beginsel vrij om in iedere fase van de procedure nieuwe standpunten aan te dragen. Verder stelt de rechtbank vast dat belanghebbende in zijn aangifte van de juiste CO2-uitstoot uitgegaan is. De inspecteur heeft deze CO2-uitstoot bij het opleggen van de naheffingsaanslag, naar later blijkt ten onrechte, verhoogd en de aanslag daarop berekend. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de in beroep gemaakte kosten.



5.3.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.576;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 469;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.031;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.



Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.













griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.


Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.





Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.


HR 12 mei 2006, nr. 42.449, ECLI:NL:HR:2006:AX0985, HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1040 en HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:440


Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.
Link naar deze uitspraak