|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:8719 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 25/6029 en 25/6030 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Parkeerbelasting, gegrond. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/6029 en 25/6030
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 27 oktober 2025.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting, met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] , opgelegd (de naheffingsaanslagen).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 22 juli 2026 afgemeld voor de zitting.
Feiten
2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 2 maart 2025 omstreeks 13:36 uur en op 18 mei 2025 omstreeks 13:12 uur stil aan [locatie] te [plaats] . Tijdens een controle op voornoemde data en tijdstippen is door middel van een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constateringen dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende voor beide constateringen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Beide naheffingsaanslagen bestaan uit een bedrag aan belasting van € 0,10 en € 51 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd?
3.2.
Belanghebbende voert aan dat op de naheffingsaanslag staat aangegeven dat zijn voertuig geparkeerd stond op de locatie ‘ [locatie] ’. [locatie] is volgens belanghebbende niet opgenomen in het Aanwijzingsbesluit Parkeerbelastingen Breda 2025 (hierna: het Aanwijzingsbesluit). Belanghebbende geeft daarbij aan dat er wel een zone is genaamd [zone] ( [nummer] ) met daarin [straat] als straat.
3.3.
De heffingsambtenaar stelt dat [locatie] een informele benaming is voor het parkeerterrein aan de [straat] . De [straat] is volgens de heffingsambtenaar opgenomen in de het Aanwijzingsbesluit en de Verordening. De heffingsambtenaar geeft aan dat de naheffingsaanslag wordt vastgesteld aan de hand van GPS-coördinaten. De coördinaten komen overeen met de [straat] . Het feit dat [locatie] op de naheffingsaanslag staat vermeld doet niet af aan het feit dat belanghebbende onbetaald geparkeerd stond op de aangewezen parkeerplaats, aldus de heffingsambtenaar. Belanghebbende was volgens de heffingsambtenaar gehouden om de parkeerbelasting te voldoen.
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat op de heffingsambtenaar de last rust om te bewijzen dat de belastbare feiten, waarvoor de naheffingsaanslagen zijn opgelegd, zich hebben voorgedaan.
3.5.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op voormelde data en tijden feitelijk in de straat met de naam [straat] stond geparkeerd. De vraag is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, nu als parkeerlocatie [locatie] is vermeld in plaats van [straat] .
3.6.
In artikel 2 onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Breda (hierna: Verordening) wordt onder de naam parkeerbelastingen een belasting geheven ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Hieruit volgt dat de locatie waar is geparkeerd een essentieel onderdeel is van het belastbare feit en daarom op de naheffingsaanslag moet worden vermeld. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX2808.
3.7.
De rechtbank stelt vast dat [locatie] niet staat vermeld op het Aanwijzingsbesluit of in de Verordening. De onjuiste locatievermelding is naar het oordeel van de rechtbank het gevolg van het door de heffingsambtenaar gebruikte systeem. Dat dit systeem de GPS-coördinaten koppelt aan de [straat] en deze locatie vervolgens [locatie] noemt op de naheffingsaanslag dient voor rekening en risico van de heffingsambtenaar te komen.
3.8.
Dat is anders wanneer de in de naheffingsaanslag vermelde locatie op een duidelijke, ook voor belanghebbende kenbare, vergissing berust. Naar het oordeel van de rechtbank is hier echter geen sprake van een vergissing, maar een onnauwkeurigheid. Gelet op de nauwkeurigheidsmarge had het vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid op de weg van de heffingsambtenaar gelegen daarmee rekening te houden door bij de nacontrole ook de juistheid van de straatnaamregistratie door de scanauto na te gaan en, zo nodig, te corrigeren. Uit de onjuiste vermelding van de parkeerlocatie in de naheffingsaanslag blijkt dat die nacontrole niet, dan wel onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. De onjuiste locatievermelding dient dan ook te leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
Conclusie en gevolgen
4. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen en de uitspraken op bezwaar worden vernietigd.
4.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. Belanghebbende heeft in dat kader een formulier proceskosten overgelegd, waarin wordt verzocht om een vergoeding van € 276 aan verletkosten en € 7,40 aan reiskosten. De heffingsambtenaar heeft deze kosten niet betwist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om hiervan af te wijken. De totale vergoeding bedraagt € 283,40.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslagen;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van tweemaal € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 283,40 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van A.S. Kanavan, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerd publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|