Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9434 
 
Datum uitspraak:30-09-2026
Datum gepubliceerd:08-10-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 25/3006
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Parkeerbelasting, gehandicaptenparkeerkaart, ongegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
naheffingsaanslag
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/3006

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Goes, de heffingsambtenaar.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag). Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.


2.1.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 mei 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



2.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.



2.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Belanghebbende heeft bij brief van 18 mei 2026 op dit bericht gereageerd en zijn brief op 3 juni 2026 telefonisch toegelicht. Belanghebbende heeft daarbij telefonisch aangegeven akkoord te zijn met het achterwege laten van een zitting. De rechtbank heeft de inhoud van dit telefoongesprek schriftelijk aan belanghebbende bevestigd. Ook de heffingsambtenaar heeft desgevraagd niet om een zitting verzocht. De rechtbank heeft het onderzoek bij brief van 11 augustus 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.





Feiten

3. De auto met [kenteken] stond op 15 maart 2025 omstreeks 16.03 uur stil aan de Koepoort te Goes. Tijdens een controle op die datum en dat tijdstip is door een parkeercontroleur geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.


3.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 81,60 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,80 en € 78,80 aan kosten van de naheffingsaanslag.



3.1.
Belanghebbende beschikt over een Europese gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de gehandicaptenparkeerkaart) op zijn naam.




Beoordeling door de rechtbank


Vooraf: overleggen foto’s


4. Belanghebbende klaagt erover dat nu de heffingsambtenaar de foto’s pas voor het eerst bij het verweerschrift heeft overgelegd, belanghebbende zich hier niet in zijn beroepschrift over heeft kunnen uitlaten. De rechtbank overweegt dat belanghebbende in de beroepsfase heeft kunnen reageren op de foto’s en dit ook heeft gedaan. Daarnaast heeft belanghebbende niet zelf in de bezwaarfase om de foto’s verzocht. De heffingsambtenaar is niet verplicht om deze uit eigen beweging in de bezwaarfase te overleggen. Van achterhouden van bewijs zoals belanghebbende stelt, is geen sprake.


Met betrekking tot de naheffingsaanslag


5. Op grond van artikel 4, onderdeel a, van de Verordening parkeerbelastingen Goes 2025 (hierna: de Verordening) worden de parkeerbelastingen niet geheven ter zake van het parkeren van motorvoertuigen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar achter de voorruit is aangebracht, waarbij haar voorzijde duidelijk zichtbaar is voor controle.


5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende stond geparkeerd aan de Koepoort te Goes en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Tevens is niet in geschil dat belanghebbende op een reguliere parkeerplaats, niet zijnde een gehandicaptenparkeerplaats, gratis mag parkeren met de gehandicaptenparkeerkaart, mits deze duidelijk zichtbaar is. Ook is niet in geschil dat de gehandicaptenparkeerkaart op het tijdstip van parkeren voor de voorruit was aangebracht. Slechts in geschil is de vraag of belanghebbende de gehandicaptenparkeerkaart ten tijde van de controle door de parkeercontroleur (duidelijk) zichtbaar heeft aangebracht.



5.2.
Belanghebbende voert onder meer aan dat de gehandicaptenparkeerkaart wel zichtbaar was aangebracht, dat de controleur bij de auto had moeten wachten om aan belanghebbende te vragen om de gehandicaptenparkeerkaart te tonen (zoals eerder wel eens is gebeurd) en dat de controleur door de zijruit de achterzijde van de kaart had kunnen zien en fotograferen.



5.3.
De heffingsambtenaar stelt dat als een houder van een gehandicaptenparkeerkaart zijn auto op een gehandicaptenparkeerplaats parkeert, de kaart duidelijk leesbaar achter de voorruit van de auto moet worden aangebracht. Dit staat volgens de heffingsambtenaar ook vermeld op de achterzijde van de kaart. De heffingsambtenaar heeft foto’s overgelegd van de gehandicaptenparkeerkaart op het tijdstip van parkeren. Uit deze foto’s blijkt volgens de heffingsambtenaar dat de onderkant van de gehandicaptenparkeerkaart niet zichtbaar is. Hierdoor kan niet worden gecontroleerd of de gehandicaptenparkeerkaart geldig is, omdat het nummer, de vervaldatum en het watermerk op de onderkant van de kaart staan vermeld. Nu de gehandicaptenparkeerkaart niet op de voorgeschreven wijze achter de voorruit is aangebracht, is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd, aldus de heffingsambtenaar.



5.4.
De rechtbank overweegt als volgt. De gehandicaptenparkeerkaart is een uitzondering op de regel dat parkeerbelasting moet worden voldaan. Belanghebbende komt voor die uitzondering alleen in aanmerking als belanghebbende ook voldoet aan de voorwaarden voor deze uitzondering.



5.5.
De rechtbank is, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende aanvoert, van oordeel dat uit de door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s volgt dat het onderste gedeelte van de gehandicaptenkaart niet zichtbaar was. De parkeercontroleur is niet verplicht om te wachten bij de auto tot belanghebbende weer terug is. De parkeercontroleur is ook niet verplicht om de gehandicaptenparkeerkaart via de zijruit aan de achterkant te fotograferen, aangezien belanghebbende verplicht is om de voorkant duidelijk zichtbaar te laten zien op de voorruit. Dat de voorkant van de gehandicaptenparkeerkaart niet duidelijk zichtbaar voor de voorruit is geplaatst, komt voor rekening en risico van belanghebbende. Aangezien belanghebbende niet volgens de gestelde voorwaarde de gehandicaptenparkeerkaart heeft aangebracht, is belanghebbende parkeerbelasting verschuldigd. Nu belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van A.S. Kanavan, griffier.













griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Link naar deze uitspraak