Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9642 
 
Datum uitspraak:06-10-2026
Datum gepubliceerd:23-10-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/2949
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Verzoek herziening ingangsdatum toegekende bijstandsuitkering. 4:6 Awb. Beroep ongegrond. Niet gebleken dat sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden. De afwijzing van het verzoek om herziening is niet evident onredelijk.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
levensonderhoud
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2949

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college), verweerder.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek om herziening van de ingangsdatum van de toegekende bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder andere deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het herzieningsverzoek.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 14 februari 2025 een bijstandsuitkering aan eiser toegekend voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud per 24 december 2024, maar daarbij de bijstandsaanvraag voor de periode van 7 juli 2024 tot 24 december 2024 afgewezen. Het college heeft het daartegen ingediende bezwaar van eiser op 13 mei 2025 gedeeltelijk gegrond verklaard en de bijstandsuitkering alsnog toegekend per 5 oktober 2024. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld.


2.1.
Eiser heeft vervolgens op 2 september 2025 een verzoek bij het college ingediend om het besluit te herzien voor wat betreft de afwijzing voor de periode van 7 juli 2024 tot 5 oktober 2024. Het college heeft het herzieningsverzoek met het besluit van 23 december 2025 afgewezen (primair besluit).



2.2.
Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 1 april 2026 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven.



2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, en namens het college mr. [vertegenwoordiger college] .




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Eiser ontving een WW-uitkering en aansluitend een Ziektewetuitkering van het UWV tot en met 7 juni 2024. Eiser heeft vervolgens een aanvraag ingediend bij het college voor een bijstandsuitkering per 7 juli 2024. Het college heeft een bijstandsuitkering aan eiser toegekend, maar partijen zijn verdeeld over de indieningsdatum van de aanvraag en daarmee de ingangsdatum van de bijstandsuitkering.

4. De rechtbank stelt vast dat het college al eerder afwijzend heeft beslist over de vraag of eiser voor de periode van 7 juli 2024 tot 5 oktober 2024 in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering, en dat dit besluit definitief vaststaat, aangezien daartegen geen beroep is ingesteld. Hieruit volgt dat het verzoek van eiser van 2 september 2025 een herhaalde aanvraag is, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het bestreden besluit blijkt dat het college ook toepassing heeft gegeven aan dit artikel.


4.1.
De rechtbank merkt op dat het niet gaat om herziening van het (primaire) besluit van 14 februari 2025, zoals het college schrijft in het primair besluit, maar om herziening van de beslissing op bezwaar van 13 mei 2025. Voor het toetsingskader en de beoordeling maakt dit echter geen verschil.


Toetsingskader herzieningsverzoek


5. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat wanneer na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.



5.1.
Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.



5.2.
In dit geval heeft het college toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.


Heeft het college voldoende gemotiveerd dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn?


6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij met bewijsstukken heeft aangetoond dat hij op 5 juli 2024 via het UWV (werk.nl) een aanvraag heeft ingediend voor een bijstandsuitkering. Daarna heeft hij meerdere keren contact gezocht met de gemeente. Het geschil gaat niet alleen om een herhaling van oude argumenten, maar om de vraag waarom een aantoonbare aanvraag niet correct is verwerkt. Eiser heeft met het herzieningsverzoek bewijsstukken aangeleverd over de feitelijke gang van zaken. Het college had dit moeten onderzoeken. Het besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.



6.1.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden wordt verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Het gaat daarbij om feiten of veranderde omstandigheden die, als ze eerder bekend waren geweest, voor het college aanleiding hadden behoren te zijn een ander besluit te nemen.



6.2.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Eisers standpunt over de datum van indienen van de aanvraag en de ingangsdatum van de bijstandsuitkering is in het kader van de eerdere besluitvorming al inhoudelijk beoordeeld. Bij het herzieningsverzoek heeft eiser bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van al eerder gestelde feiten of omstandigheden. Deze stukken, waaronder met name een schermafbeelding van een automatisch mailbericht dat eiser op 5 juli 2024 heeft ontvangen, waren reeds bekend bij het college in het kader van de bezwaarprocedure die voorafging aan de beslissing op bezwaar van 13 mei 2025 (zo blijkt uit de rapportage van 10 april 2025 waarnaar in de beslissing op bezwaar wordt verwezen). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen concluderen dat de in deze procedure aangevoerde bewijsstukken niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt.


Is de afwijzing van het verzoek om herziening evident onredelijk?


7. De bestuursrechter kan, als het bestuursorgaan zich terecht deugdelijk gemotiveerd en zorgvuldig op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, toch tot het oordeel komen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.



7.1.
De bestuursrechter moet om te beoordelen of de weigering om een oorspronkelijk besluit te herzien evident onredelijk is, kijken naar de feiten en omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, kan de bestuursrechter betrekken bij die beoordeling. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal de weigering evident onredelijk zijn.



7.2.
Zoals hiervoor onder 4.1. is opgemerkt, is in dit verband de beslissing op bezwaar van 13 mei 2025 het oorspronkelijk besluit. In dat besluit (en de daarvan onderdeel uitmakende rapportage) wordt onderscheid gemaakt tussen de gang van zaken omtrent de melding van 5 oktober 2024 enerzijds en de melding van 5 juli 2024 anderzijds. Daarbij is vastgesteld dat laatstgenoemde melding/aanvraag niet door het college zou zijn ontvangen. Hoewel die gang van zaken vragen oproept en het college niet op alle vragen antwoord heeft kunnen geven, is dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een onmiskenbaar onjuist besluit. Verder ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor de conclusie het oorspronkelijke besluit evident onredelijk is.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het herzieningsverzoek in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.










griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3492 of van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:580.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1518.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:925.
Link naar deze uitspraak