Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9706 
 
Datum uitspraak:05-10-2026
Datum gepubliceerd:15-10-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:12033516 AZ VERZ 25-118
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Ontbinding op verzoek van werknemer. Toewijzing vanwege onveilige sociale en fysieke werkomgeving en niet voldoen aan re-integratieverplichtingen door werkgever. Langdurig dienstverband. Billijke vergoeding van € 70.000,00 naast de transitievergoeding.
Trefwoorden:aow
arbeidsovereenkomst
levensonderhoud
minimumloon
paarden
stallen
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer / rekestnummer: 12033516 \ AZ VERZ 25-118


Beschikking van 5 oktober 2026


in de zaak van



[verzoeker]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.J. Schroevers,

tegen

1. [verweerder 1],
te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [verweerder 1] ,
niet verschenen,2. [verweerder 2],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [verweerder 2] ,
gemachtigde: mr. H.A. van Es,3. [verweerder 3],
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [verweerder 3] ,
procederend in persoon,
verwerende partijen.




1De zaak in het kort


1.1.

[verzoeker] verzoekt ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met [verweerder 1] onder toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Zij voert aan dat voortduren van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd vanwege een onveilige werkomgeving en het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen door de werkgever. Deze omstandigheden leveren volgens [verzoeker] ook verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op. [verweerder 2] en [verweerder 3] menen dat de arbeidsovereenkomst kan blijven bestaan. [verweerder 2] voert ook verweer tegen de verzochte vergoedingen.



1.2.
De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe. Omdat er naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, worden de verzoeken tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding (zij het tot een lager bedrag dan verzocht door [verzoeker] ) toegewezen.



1.3.
Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en het verzoek en verweer daartegen geschetst. Tot slot volgt de beslissing.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het verzoekschrift met producties 1 tot en met 22,
 het verweerschrift van [verweerder 2] met producties 1 tot en met 7,
 de brief van mr. Schroevers van 26 juni 2026 met producties 23 tot en met 28,
 de brief van mr. Van Es van 1 juli 2026 met productie 8,
 de namens [verzoeker] nagezonden productie 29,
 de mondelinge behandeling van 2 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 de spreekaantekeningen van mr. Schroevers, zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen.



2.2.

[verweerder 1] is niet verschenen. Mr. Van Es heeft in de begeleidende brief bij het verweerschrift van 23 juni 2026 toegelicht dat hij enkel optreedt namens [verweerder 2] . Mr. Van Es heeft aangegeven dat hij heeft geprobeerd om ook mandaat te krijgen namens [verweerder 1] en [verweerder 3] , maar dat dat niet is gelukt. Het verweerschrift is dan ook enkel namens [verweerder 2] ingediend. Mr. Van Es heeft naderhand als productie 8 een verklaring van [verweerder 3] in het geding gebracht. Daarin geeft [verweerder 3] onder meer aan niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling vanwege een uitvaart. Ook geeft hij een korte inhoudelijke reactie op de zaak. [verweerder 3] heeft niet verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling.



2.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.





3De feiten


3.1.

[verweerder 1] is gevestigd in een complex, waarin [verweerder 3] aan de linkerkant met name paarden behandelt en [verweerder 2] aan de rechterkant huisdieren behandelt. [verweerder 1] heeft vier dierenartsassistentes in dienst.



3.2.

[verzoeker] is sinds 1 juli 1990 in dienst van [verweerder 1] als dierenartsassistente. Het salaris bedraagt € 2.209,96 bruto per maand exclusief vakantietoeslag, gebaseerd op een werkweek van 32 uur per week.



3.3.

[verzoeker] heeft op 11 juni 2023 een ingediende klacht over [verweerder 2] per e-mail doorgestuurd naar [verweerder 2] , [verweerder 3] en collega [persoon 1] met de begeleidende tekst:


“Deze Mevr. omschrijft precies wat iedereen hier in de praktijk ook vind en lees IEDEREEN en GEEN ENKELE uitzondering misschien dat jij daar zelf eens over na moet gaan denken.


Het is dat [verweerder 3] zijn uiterste best doet om het hier draaiende te houden en willen wij hem daarin steunen anders waren de 3 oudere assistentes allang gaan lopen.


Doe er je ding mee. (…)”




3.4.
Via WhatsApp zijn via de groepsapp ‘DAP Mededelingen’, waar de beide dierenartsen en alle dierenartsassistentes aan toegevoegd waren, berichten uitgewisseld. Een greep uit deze berichten:


4 juli 2019



“ [verweerder 2] :


Airco wachtkamer gelukkig weer gemaakt door [bedrijf 1] …..




[verzoeker] :


Heeft niks met maken te maken gewoon afvoer doorspoelen kan elke boeren….




[verweerder 2] :


Kinkel?”



5 februari 2020:



“ [verweerder 2] :


Excuses van de betrokkenen naar [persoon 2] zouden, denk ik, niet misstaan… (mijn rug is breed genoeg)




[verzoeker] :


Was jij er bij Nee dus nar mijn idee denk ik niet dat jij weet wat er gezegd is.


(…)


Nee en al helemaal niet als iemand uit het wilde weg vind dat wij onze excuses aan moeten bieden. ROT OP


Ik ben heel die puinhoop van jullie kotsbeu”



11 november 2022:



“ [verzoeker] :


Wat een belachelijk zootje is dat hier een praktijk met 2 dierenartsen waarvan er 1 24 uur per dag op kan draven en 1 die alleen maar dierenarts wil zijn als hij daar zin in heeft en dan nog op een manier waar ik veel vraagtekens bij heb”



23 mei 2024:



“ [verweerder 2] :


Het verzorgen van “eigen” paarden op de praktijk behoort niet tot het takenpakket van personeel; dat is ook beter voor ieders rug….




[verzoeker] :


Er staan ook patiënten en daarbij zijn het paarden van diegene die al onze salarissen betaald




[verweerder 2] :


(…) Zet die paarden thuis neer man


Je denkt toch niet dat ik me zo laat behandelen


Je sodemietert op met die paarden of ik zal jou eens een handje helpen



[persoon 2] gaat in ieder geval geen stallen meer schoonmaken


Geen vragen?


Dan ben ik duidelijk geweest!




[verweerder 3] :


Enkele punten: (…)


Nogmaals deze punten waar ik nog steeds geen antwoord op heb. En jij een handje helpen, heb het lef…geloof me je bent gewaarschuwd!!!




[verweerder 2] :


Alcoholist


Sukkel


Haal je paarden naar huis man


Laat het je vriendin doen


Val het personeel er niet mee lastig




[verweerder 3] :


Nee ik heb een plaskater voor je


Hoe laat??


Waardeloze vent!!




[verweerder 2] :


Jij piept wel anders als ik voor je sta..




[verweerder 3] :


Flikker op man met je gedreig, nogmaals je bent gewaarschuwd!!!




[verweerder 2] :


Klein dwergje




[verweerder 3] :


Pas maar op!!




[verweerder 2] :


Je hebt echt gezopen man




[verweerder 3] :


Lul, nog steeds aan het werk in tegenstelling tot jou”



24 mei 2024



“ [verweerder 2] :


930 uur weer een incident; intimiderend zonder iets te zeggen binnen komen lopen; met deuren van kastjes gooien; als ik daar iets van zeg en grote mond, schelden en schreeuwen


Ik kan zo niet meer werken


(…)




[verweerder 3] :


Sta weer jouw werk te doen. Maakt me niet eens iets uit maar, jouw gedrag naar mij en assistentes maakt het heel moeilijk. Nogmaals bespreek met mij de eerdere punten. Als je fysiek of mentaal het niet meer aan kan dan zeg het maar. Dan kunnen we in oplossingen gaan denken. En als het alleen een tekort aan belangstelling betreft dan stop maar want je maakt geen indruk en bent goed op weg de praktijk naar de klote te helpen.




[verweerder 2] :


Klootzak


Jij met die [verzoeker] maakt de praktijk kapot


Ik denk dat ik jou eens kapot ga maken hufter


En sodemieter op met die kutpaarden van je


Verslaafde gek


Ga je vriendin slaan


Kan ze weer weglopen


Jij gaat een moeilijke tijd tegemoet (…)


Lul


Ik zal daarboven eens een keer die koffie door je strot komen duwen


Voor oorlog ben je aan het goede adres




[verweerder 3] :


Weer voer voor een psychiater”




3.5.

[verzoeker] heeft zich op 26 juni 2024 ziek gemeld.



3.6.

[verzoeker] heeft op 5 juli 2024 tijdens een preventief spreekuur contact gehad met de bedrijfsarts. Deze gaf aan dat er op dat moment nog geen ziekmelding bekend was.



3.7.

[verzoeker] heeft [verweerder 3] en [verweerder 2] op 5 juli 2024 gemaild:


“De arts die ik gesproken heb afgelopen maandag 1 juli beoordeelde mij ziek en niet in staat te werken, maar jullie moeten mij ziek melden.


Het oordeel of ik wel of niet ziek ben is niet aan jullie!


Vanaf het moment dat ik me ziek gemeld heb is mij meerdere keren verzocht werkzaamheden te verrichten omdat mijn ziekmelding problemen voor de praktijk zou zorgen.


Ik zie het probleem maar mag niet bij mij neergelegd worden, het is jullie probleem dat jullie samen op zullen moeten lossen en niet over de rug van een zieke werknemer die deels ziek gemaakt wordt door 1 van jullie. (…)”




3.8.
Op 9 juli 2024 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat de ziekmelding ondertussen verwerkt was.



3.9.
Ook na de ziekmelding van [verzoeker] zijn er in de groepsapp berichten uitgewisseld:


“ [verweerder 2] :



[verweerder 3] en [verzoeker] ; op zaterdag en zondag en de rest van de week operaties doen en tegelijk geen weekenddienst kunnen doen is een slag in het gezicht van [persoon 3] en [persoon 4] en [persoon 2] …. Jullie hebben beiden een gebrek aan empathie….



[verzoeker] :


Spreek voor jezelf en laat [persoon 4] en [persoon 3] erbuiten die kunnen heel goed voor zichzelf spreken, en daarbij heb ik vorige week zondag ook gewerkt en vandaag [persoon 2] der zondag. (…).




[verweerder 2] :



[persoon 4] en [persoon 3] willen we NIET kwijt…




[verzoeker] :


Nogmaals spreek voor jezelf




[verweerder 2] :


Sorry ik ben hier de baas….


Jij belazert de zaak




[verzoeker] :


Nee hoor is in overleg met bedrijfsarts




[verweerder 3] :


Had liever niet gereageerd maar, het is [persoon 2] haar weekend dienst na 3 weken vakantie en het zou niet meer dan normaal zijn geweest dat ze gisteren na jullie drukke spreekuur van 2 niet had staan roddelen en naar het geblaas van [verweerder 2] luisteren maar in de OK was komen helpen. (…) Gisteravond laat nog een operatie patiënt opgenomen en vanmorgen weer geopereerd. Gelukkig met de hulp van [verzoeker] … want anders was er weer een klant weg. En “baas” het wordt tijd dat je je empathisch gaat op stellen en anders ga je maar eens in op mijn lijstje wat je al 2 keer gestuurd heb. En kan het je nogmaals sturen!




[verweerder 2] :


Klootzak




[verweerder 3] :


In de spiegel aan het kijken?




[verweerder 2] :


Jij hebt in jouw leven genoeg aan jezelf…




[verzoeker] :


Zegt het.. Ik heb idd een leven en verder geen tijd vandaag nog aan jou te verspillen dus fijne zaterdag verder.




[verweerder 2] :


Jij bent toch ziek, dan heb je tijd genoeg..


Je verspreekt jezelf



P.s. Cadeau tip een fles jenever…



Je hebt wel tijd om het lezen….”




3.10.
In de probleemanalyse van 26 juli 2024 is door de bedrijfsarts opgenomen:


“Betrokkene is uitgevallen voor haar werkzaamheden ten gevolge van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en een verminderde energetische belastbaarheid. (…)



Voorstel om vanaf 29-7-2024 de dinsdagmiddag en donderdagmiddag te gaan samenwerken met dierenarts [verweerder 3] . (…)



Op het werk kan soms spanning of druk ontstaan. Tijdens het gesprek met de medewerker merk ik signalen hiervan op. Het is belangrijk op te merken dat deze signalen een ongunstige invloed kunnen hebben op de werkhervatting. Daarom is het van belang dat zowel de medewerker als de werkgever deze signalen onderzoeken en samen oplossingen vinden. (…)”




3.11.
In de evaluatie van 14 oktober 2024 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om mediation te starten.



3.12.
In de evaluatie van 12 november 2024 heeft de bedrijfsarts ten aanzien van de actuele situatie genoteerd: “Ik begrijp van medewerker dat mediation niet van start gegaan is. Dit wordt bevestigd door het bericht van de geadviseerde mediator. Er is sprake van een impasse in de situatie.” De bedrijfsarts adviseert (opnieuw) om onafhankelijke en deskundige hulp in te schakelen om bij het gesprek tussen werkgever en werknemer te ondersteunen.



3.13.
De bedrijfsarts heeft het advies om mediation in te schakelen op 17 januari en 21 februari 2025 herhaald.



3.14.
Bij brief van 5 maart 2025 heeft een inmiddels ingeschakelde mediator geschreven aan [verweerder 3] en [verzoeker] :


“Naar aanleiding van de voorgenomen Mediation tussen u beiden zijn er op 4 en 5 maart jl individuele voorgesprekken gestart.



Tijdens deze voorgesprekken is gebleken het starten van de mediation niet zinvol is omdat het niet is gelukt om de juiste conflictpartijen aan tafel te krijgen. (…)”




3.15.
Op 7 mei 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] [verweerder 2] als volgt per e-mail bericht:


“(…) De bedrijfsarts adviseert al lange tijd mediation/onafhankelijke deskundige gespreksondersteuning. Twee keer is een mediationtraject opgestart, maar ook weer beëindigd, omdat het niet lukte om de juiste conflictpartijen aan tafel te krijgen. Alleen mediation tussen cliënte en de heer [verweerder 3] heeft geen zin, omdat er tussen hen geen problemen bestaan, zo heeft de mediator geconstateerd.



Voorwaarde voor volledige re-integratie van cliënte is oplossing van de verstoring in de arbeidsrelatie. Een eventuele oplossing, en daarmee de mogelijkheid van volledige re-integratie, wordt tegengehouden nu u weigert om mee te werken aan mediation.



Hierbij verzoek ik u namens cliënte om alsnog uw medewerking te verlenen aan een mediationtract. Graag verneem ik binnen 10 dagen na heden van u of u daartoe bereid bent en welke stappen u daartoe gaat zetten. (...)”



3.16.

[verweerder 2] heeft per e-mails van 9, 14 en 15 mei 2025 gereageerd. In de eerste e-mail schrijft [verweerder 2] :


“Ik kom deze email toevallig tegen bij de ongewenste email. Dhr [verweerder 3] regelt dit dossier inclusief de correspondentie. Ikzelf heb nog nooit een uitnodiging voor een gesprek/mediation gezien/gehad. Het geschetste probleem bestaat niet. Ik geef graag mijn mening maar heb nog nooit de kans gehad. Als ik uitgenodigd word, ben ik er… Ik hoop wel dat [verzoeker] dan niet weer gaat schreeuwen en schelden en weglopen… want dan hebben we weer niks…”




3.17.
In de daaropvolgende e-mails geeft [verweerder 2] aan dat hij nog steeds geen reactie dan wel een uitnodiging heeft ontvangen, en geeft hij aan graag het bewijs te willen zien dat hij niet mee zou willen werken aan mediation.



3.18.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft op 16 mei 2025 gereageerd op de e-mails van [verweerder 2] . Daarin geeft zij aan dat de eerste mediator die door de praktijk was ingeschakeld, [verweerder 2] persoonlijk heeft gesproken. De tweede mediator heeft in haar afsluitende rapport letterlijk gezet dat het niet was gelukt de juiste partijen om de tafel te krijgen waarmee het traject werd afgesloten. Dat rapport heeft de praktijk van [verweerder 2] ook ontvangen. Ook wijst de gemachtigde van [verzoeker] erop dat het niet aan de werknemer is om de werkgever voor mediation uit te nodigen. Het is aan de werkgever om het advies van de bedrijfsarts om een mediationtraject in gang te zetten op te volgen.



3.19.
De e-mailcorrespondentie vervolgt met een reactie van [verweerder 2] op 16 mei 2025, waarin hij onder andere schrijft: “U suggereert ook nog dat ik lieg omdat ik geen uitnodiging heb gehad of gezien; ik heb geschreven dat dat komt omdat dhr [verweerder 3] alles regelt inclusief de correspondentie. Die heeft alles geregeld.” In een tweede e-mail van dezelfde datum voegt [verweerder 2] daaraan toe: “Ik zit zelf ook bij de DAS (…), Dus ik zou als ik u was een iets andere toon aanslaan. In het vervolg de correspondentie naar de dierenartsenpraktijk, want die is werkgever en niet ik… u zit me nu privé lastig te vallen…”



3.20.
Er is vervolgens een mediationtraject ingezet. De mediator heeft [verweerder 2] en [verzoeker] bij brief van 27 mei 2025 bevestigd dat de mediation na individuele voorgesprekken en een gezamenlijk gesprek op 27 mei 2025 zonder overeenstemming is geëindigd.



3.21.

[verzoeker] heeft op 4 juli 2025 het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft in zijn rapport teruggekoppeld dat de situatie ongewijzigd is. [verzoeker] werkt op oproep in haar eigen werkzaamheden, enkel voor [verweerder 3] . [verzoeker] voert niet de volle breedte van haar werkzaamheden uit als gevolg van werkgerelateerde factoren. De bedrijfsarts heeft [verweerder 2] telefonisch gesproken, die volgens de bedrijfsarts heeft aangegeven de situatie niet als een conflict te ervaren.



3.22.

[verzoeker] heeft een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV en daarin de vraag gesteld of haar werkgever voldoende doet om haar weer aan het werk te helpen. Het UWV heeft op 20 augustus 2025 geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van werkgever onvoldoende zijn, omdat er geen arbeidsdeskundig onderzoek en tweede spoortraject zijn ingezet.



3.23.

[verzoeker] heeft als productie 26 een dosisrapport van 29 oktober 2025 en e-mails van 4 september 2025, 20 oktober 2025 en 18 december 2025 van [bedrijf 2] aan [verweerder 1] in het geding gebracht. In de betreffende e-mails wordt gewaarschuwd dat het ingestelde waarschuwingsniveau voor stralingsbelasting van [verzoeker] wordt overschreden.



3.24.
Op 8 juni 2026 heeft de heer [persoon 5] (“ [persoon 5] ”) , geregistreerd stralingsbeschermingsdeskundige bij [bedrijf 3] , per e-mail zijn zorgen geuit over de verhoogde stralingsbelasting binnen [verweerder 1] :


“Beste [verweerder 3] ,



Helaas heb ik je tot op heden nog niet kunnen spreken over mijn zorgen met betrekking tot de verhoogde stralingsbelasting als gevolg van het gebruik van röntgen binnen de praktijk.



Uit de dosimetrie gegevens blijkt dat meerdere medewerkers al jaren een dosis ontvangen van >6 mSv/jaar, oplopend tot bijna 15 mSv. Dit betekent dat zij als categorie A-blootgestelde werknemers moeten worden aangemerkt, inclusief verplichte medische controles, die voor zover bekend niet zijn uitgevoerd.



Gezien jouw rol als werkgever en TMS acht ik deze situatie zorgelijk en niet in lijn met de geldende regelgeving.



Gezien de huidige omstandigheden, en mede in het licht van de verhoogde aandacht van de Nederlandse Arbeidsinspectie voor paardenpraktijken, wil ik je verzoeken om op korte termijn contact met mij op te nemen. Het is van belang dat we gezamenlijk beoordelen welke maatregelen noodzakelijk zijn om de situatie te verbeteren en de daarvoor benodigde acties uit te zetten.



(…) Gezien de urgentie stel ik het op prijs als we dit op zo kort mogelijke termijn kunnen


inplannen. (…)”




3.25.

[verzoeker] heeft [persoon 5] op 8 juni 2026 gesproken. Per e-mail van dezelfde datum heeft [persoon 5] [verzoeker] de namen van stralingsartsen bij haar in de buurt doorgegeven. Ook schrijft hij: “Let op dat het ook goed is om even langs de optometrist te gaan. Zij kunnen de ooglens bekijken en bepalen of daar bijzonderheden op te zien zijn.”



3.26.
De bedrijfsarts heeft de verzuimbegeleiding vanwege het einde van de 104- weken termijn beëindigd. In het laatste advies van de bedrijfsarts van 17 juni 2026 is opgenomen dat de medische situatie en de belastbaarheid van [verzoeker] ongewijzigd zijn. Ook adviseert de bedrijfsarts de werkgever ten zeerste om maatregelen te nemen tegen de te hoge stralingsdoses waar [verzoeker] aan blootgesteld wordt.



3.27.
In de medische informatie die de bedrijfsarts in het kader van de WIA-aanvraag heeft opgesteld staat te lezen:


“(…) Zij is uitgevallen ten gevolge van overbelastingsklachten ten gevolge van een verstoorde arbeidsverhouding met een van de dierenartsen in de praktijk. Zij heeft daardoor beperkingen in aandacht, concentratie, emotie-regulatie, conflict hantering, slaap, spanning/paniek, deze klachten zijn in wisselende intensiteit aanwezig geweest het gehele ziekteverzuim. (…)”




3.28.
Het UWV heeft [verzoeker] bij brief van 24 juni 2026 geïnformeerd dat de behandeling van de WIA-aanvraag wordt uitgesteld, nu werkgever niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Het UWV heeft een loonsanctie opgelegd tot 17 augustus 2027.





4Het verzoek en het verweer


4.1.

[verzoeker] verzoekt ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met [verweerder 1] onder toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 169.857,78 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt [verzoeker] veroordeling van [verweerder 1] tot betaling van openstaande vakantiedagen en vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente wanneer het loon niet tijdig is betaald. [verzoeker] verzoekt veroordeling van [verweerder 1] om betalingsspecificaties te verstrekken van alle verzochte bedragen, op straffe van een dwangsom. Tot slot verzoekt [verzoeker] om [verweerder 1] te veroordelen in de proceskosten.



4.2.

[verweerder 2] voert verweer en vindt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.



4.3.

[verweerder 3] heeft via mr. Van Es een verklaring ingebracht, waarin hij aangeeft dat hij [verzoeker] niet kwijt wil.



4.4.
De stellingen die partijen in het kader van hun verzoeken en het verweer daartegen hebben aangevoerd, worden hierna voor zover van belang besproken.





5De beoordeling


De ontbinding van de arbeidsovereenkomst



5.1.

[verzoeker] verzoekt ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met [verweerder 1] . De kantonrechter kan dit verzoek op grond van artikel 7:671c BW toewijzen indien de omstandigheden zodanig zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve direct of na korte tijd moet eindigen.



5.2.
Het gaat hier om een verzoek van een werknemer, waarbij de opzegverboden die voor een werkgeversverzoek gelden niet van toepassing zijn. Een werknemer heeft het (grond)recht van een vrije arbeidskeuze, zodat een ontbindingsverzoek van een werknemer als uitgangspunt toegewezen zal worden.



5.3.
De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe. Dit wordt als volgt toegelicht.


Onveilige sociale en fysieke werkomgeving




5.4.

[verzoeker] voert aan dat er binnen [verweerder 1] al jarenlang sprake is van een onveilige werkomgeving. Zij wijst onder meer op de WhatsApp-berichten die tussen [verweerder 2] en [verweerder 3] zijn gewisseld in de groepsapp (zie 3.4). [verweerder 2] en [verweerder 3] vechten hun onderlinge conflicten voor het oog van het personeel uit, door elkaar in de groepsapp maar ook op de werkvloer het leven zuur te maken. [verweerder 2] maakt [verzoeker] zwart bij haar collega’s. Naast dat er sprake is van een sociaal onveilige werkomgeving door de grensoverschrijdende communicatie, is er volgens [verzoeker] ook fysiek sprake van een onveilige werkomgeving. [verzoeker] wordt blootgesteld aan te hoge stralingsdoses. [verweerder 1] heeft de berichten daarover van de stralingsbeschermingsdeskundige genegeerd. Er zijn geen maatregelen genomen om de situatie te verbeteren, aldus [verzoeker] .



5.5.

[verweerder 2] voert aan verantwoordelijkheid te nemen voor dat wat hij gemeld heeft in de groepsapp, maar hij wist niet dat [verzoeker] de communicatie niet prettig vond. Zij had het kunnen aangeven als zij vond dat de communicatie een onveilige werkomgeving veroorzaakte. Dergelijke communicatie doet zich inmiddels niet meer voor. Bovendien verdient de communicatie door [verzoeker] zelf ook niet de schoonheidsprijs. [verweerder 2] verwijst onder meer naar appjes van [verzoeker] uit 2019 en 2020 (zie 3.4) en de e-mail van 11 juni 2023 waarbij [verzoeker] zich uitlaat over een klacht van een klant (zie 3.3). Wat betreft de rapportages over de te hoge dosering van straling heeft [verweerder 2] opgemerkt dat het voor [verzoeker] niet nodig is om het röntgenapparaat te gebruiken. Collega’s kunnen dat ook doen. Bovendien had [verzoeker] er eerder melding van kunnen maken als zij zich zorgen maakte en wilde dat het werd opgelost, aldus (de gemachtigde van) [verweerder 2] tijdens de mondelinge behandeling.



5.6.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de in het geding gebrachte WhatsAppberichten blijkt dat er binnen [verweerder 1] sprake is van een verziekte werksfeer. Met name de berichten die in mei 2024, kort voor de ziekmelding van [verzoeker] , tussen [verweerder 2] en [verweerder 3] gewisseld zijn horen absoluut niet thuis binnen een gezonde en professionele werkomgeving. De twee maten van [verweerder 1] verwensen en bedreigen elkaar in niet mis te verstane bewoordingen in een groepsapp met het voltallige personeel, zodat iedereen binnen de praktijk de berichten ontvangt. De in het geding gebrachte berichten gaan terug tot 2019, waaruit blijkt dat de werksfeer al jarenlang op zijn zachtst gezegd onprettig is. Dat [verweerder 2] zich niet realiseerde dat [verzoeker] de wijze van communiceren onprettig vond, is ongeloofwaardig. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden verondersteld dat geen enkele werknemer het prettig vindt om mee te lezen met scheldkanonnades van haar werkgever. Het is juist dat ook de communicatie vanuit [verzoeker] scherp is en dat zij bewoordingen kiest die niet in een normale werkverhouding thuishoren. De kantonrechter rekent haar dit echter niet te zwaar aan, gezien het feit dat duidelijk is dat de twee maten van de praktijk zorgen voor een werksfeer waarin dergelijke communicatie aan de orde van de dag is. Het is in de eerste plaats aan een werkgever om te zorgen voor een veilige werkomgeving en een halt toe te roepen aan grensoverschrijdende communicatie, maar de maten van [verweerder 1] laten het gaan en voeden het probleem juist door hun eigen wijze van communiceren. [verweerder 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er sinds de ziekmelding van [verzoeker] geen appjes meer verstuurd zijn en dat het allemaal problematiek is van twee jaar geleden. Dit is niet alleen niet onderbouwd, maar doet ook niet af aan het feit dat de problematiek zich voor de ziekmelding in ieder geval jarenlang heeft voorgedaan.



5.7.
Naast een onveilige sociale werkomgeving is er naar het oordeel van de kantonrechter ook sprake van een fysiek onveilige werkomgeving. Uit de stralingsrapporten blijkt dat [verzoeker] langere tijd is blootgesteld aan te hoge stralingsdoses. De stralingsbeschermingsdeskundige [persoon 5] heeft [verzoeker] aangeraden om een stralingsarts en optometrist te raadplegen. De blootstelling aan straling kan gevolgen hebben voor de gezondheid van [verzoeker] . [persoon 5] heeft ook bij [verweerder 3] aangedrongen op spoedig contact om over maatregelen te praten. De urgentie die uit de stralingsrapporten en berichten van [persoon 5] spreekt wordt door [verweerder 1] niet gevoeld, zo is gebleken tijdens de mondelinge behandeling. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het probleem nog steeds niet is opgelost, maar dat de praktijk er inmiddels wel mee bezig is. Het verweer dat mr. Van Es namens [verweerder 2] heeft aangevoerd, namelijk dat collega’s het röntgenapparaat kunnen bedienen in plaats van [verzoeker] en dat zij er zelf eerder over had kunnen beginnen ‘als zij zich zorgen maakte en een oplossing wenste’, miskent dat het de taak van de werkgever is om te zorgen voor een veilige werkomgeving en bagatelliseert het probleem ten onrechte.


Schending re-integratieverplichtingen




5.8.
Uit de rapporten van de bedrijfsarts blijkt dat de verstoorde arbeidsverhouding met [verweerder 2] de oorzaak is van de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] . De kantonrechter verwijst naar het medisch rapport dat ten behoeve van de WIA-aanvraag is opgesteld, waarin dit met zoveel woorden wordt gesteld (zie 3.27). [verzoeker] is inmiddels ruim 2 jaar arbeidsongeschikt. Het feit dat het UWV een loonsanctie heeft opgelegd (zie 3.28) onderschrijft het standpunt van [verzoeker] dat [verweerder 1] niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Dit blijkt ook uit de ingebrachte producties. [verweerder 1] heeft de ziekmelding van [verzoeker] in eerste instantie niet geaccepteerd, althans daar niet de actie op ondernomen die verwacht mocht worden. De bedrijfsarts is pas later ingeschakeld. De adviezen van de bedrijfsarts zijn niet goed opgevolgd. Mediation heeft uiteindelijk plaatsgevonden, maar pas in derde instantie. Twee eerdere pogingen zijn gestrand op gebrek aan medewerking van [verweerder 2] . Mediation heeft niet tot een oplossing van het probleem geleid. [verweerder 2] verschuilt zich telkens achter [verweerder 3] , door te blijven aanvoeren dat de re-integratie van [verzoeker] op zijn bord lag. Daarmee miskent [verweerder 2] dat hij samen met [verweerder 3] de maatschap [verweerder 1] vormt, en dus ook zelf als werkgever (mede) verantwoordelijk is voor het re-integreren van een zieke werknemer. Dat is onvoldoende gebeurd. Eventuele miscommunicatie komt voor rekening van [verweerder 1] .


Geen duurzaam en werkbaar alternatief voor ontbinding




5.9.
Volgens [verweerder 2] is er geen probleem en kan [verzoeker] net zoals nu het geval is gewoon blijven werken bij [verweerder 1] , door haar werkzaamheden voor [verweerder 3] voort te blijven zetten. Uit de als productie 8 ingebrachte verklaring van [verweerder 3] blijkt dat hij ook wil dat [verzoeker] blijft. Hij omschrijft [verzoeker] als een uitstekende assistente waarmee hij al jarenlang uitstekend kan werken. Volgens [verweerder 2] zijn de werkzaamheden van [verzoeker] bijna volledig voor [verweerder 3] uit te voeren zonder dat zij met hem te maken krijgt. Het pand is ook zo ingericht dat de werkzaamheden van [verzoeker] in de paardenprakijk vrijwel volledig gescheiden kunnen worden uitgevoerd van de huisdierenpraktijk van [verweerder 2] , er zijn bijvoorbeeld meerdere ingangen. [verzoeker] heeft dit betwist, en er op gewezen dat er een gezamenlijke balie om af te rekenen is en één apotheek voor de medicijnen, en dat zij in het gehele gebouw moet zijn. [verweerder 2] heeft aangevoerd dat hij bijna nooit bij de balie is en dat andere assistentes de medicijnen kunnen pakken.



5.10.
De kantonrechter trekt de conclusie dat de door [verweerder 2] voorgestelde werkwijze geen duurzame en werkbare oplossing op kan leveren. Om haar eigen werkzaamheden in volle omvang te kunnen uitvoeren, moet [verzoeker] gebruik maken van gezamenlijke ruimtes. Het is niet mogelijk om haar eigen werkzaamheden in volle omvang uit te voeren zonder in contact te komen met [verweerder 2] , en bovendien zou [verzoeker] dan in dienst blijven van [verweerder 1] , waar [verweerder 2] als maat deel van uitmaakt. Ook in die zin is het niet goed denkbaar dat [verzoeker] haar werk kan doen zonder te maken te krijgen met [verweerder 2] .



5.11.
De onveilige sociale en fysieke werkomgeving en het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen kunnen het ontbindingsverzoek van [verzoeker] dragen. Doordat er tijdens mediation geen oplossing is bereikt en er geen duurzaam en werkbaar alternatief is, kan de ontbinding worden uitgesproken.


Einddatum van de arbeidsovereenkomst




5.12.
De kantonrechter bepaalt het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 november 2026.


Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder 1]




5.13.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of aan [verzoeker] in het kader van de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst een transitievergoeding en billijke vergoeding moet worden toegekend. Nu de ontbinding wordt verzocht door de werknemer kunnen de genoemde vergoedingen alleen worden toegekend als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat is zo in de wet bepaald. [verzoeker] stelt dat daarvan sprake is en verwijst ter onderbouwing naar de omstandigheden die haar ook tot indiening van haar ontbindingsverzoek hebben gebracht. Deze omstandigheden zijn hiervoor benoemd en besproken.



5.14.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder 1] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.



5.15.
De omstandigheden die [verzoeker] hebben gebracht tot indiening van haar ontbindingsverzoek leiden niet alleen tot de conclusie dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de orde moet zijn, maar ook dat [verweerder 1] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. De kantonrechter verwijst naar de overwegingen 5.6, 5.7 en 5.8. [verweerder 1] treft een ernstig verwijt van (het laten voortduren van) de sociale en fysieke onveilige werkomgeving waarin [verzoeker] heeft moeten functioneren en het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen tijdens ziekte.



5.16.
Nu de kantonrechter van oordeel is dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder 1] en de arbeidsovereenkomst om die reden wordt ontbonden, komt de kantonrechter toe aan het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding en transitievergoeding.

De hoogte van de billijke vergoeding




5.17.

[verzoeker] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van € 169.857,78 bruto. Zij wijst op de mate van verwijtbaarheid van [verweerder 1] , de lange duur van het dienstverband en het afschrikwekkend effect dat van de billijke vergoeding uit moet gaan. Ook bevat de verzochte billijke vergoeding een component voor immateriële schade. [verzoeker] is 53 jaar en beschikt niet over een rijbewijs, heeft eenzijdige werkervaring en weinig opleiding gehad en heeft (een vorm van) autisme. [verzoeker] is geregistreerd paraveterinair, maar er zijn weinig paardenklinieken in haar woonomgeving. Voor een andere functie geldt dat zij eerst omgeschoold zal moeten worden. Zij schat in tot haar AOW- gerechtigde leeftijd schade te lijden. Het verschil in inkomen gedurende een uitkering van 2 jaar bedraagt al € 16.946,00 bruto, aldus [verzoeker] .



5.18.

[verweerder 2] bestrijdt dat het realistisch is dat [verzoeker] tot aan de AOW- gerechtigde leeftijd afhankelijk zal zijn van een uitkering. Het vinden van een andere baan op relatief korte termijn is realistisch, er staan vacatures voor een paraveterinair open in de omgeving van de woonplaats van [verzoeker] (waarbij [verzoeker] zo nodig met openbaar vervoer kan reizen). Ook een functie in een andere branche zou mogelijk moeten zijn, waarbij [verweerder 2] opmerkt dat het salaris van [verzoeker] niet ver afligt van het wettelijk minimumloon. Zij zou dus in een andere functie heel goed op een vergelijkbaar inkomensniveau uit kunnen komen. Bovendien kan zij even vooruit met de transitievergoeding. [verweerder 2] betwist dat er sprake is van immateriële schade en meent dat het eigen verwijtbare gedrag van [verzoeker] een drukkend effect op de billijke vergoeding moet hebben.



5.19.
De kantonrechter overweegt als volgt. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.



5.20.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 70.000,00. De kantonrechter neemt daarbij het zeer lange dienstverband van [verzoeker] bij [verweerder 1] in aanmerking. [verzoeker] is bij de praktijk begonnen toen zij 17 jaar oud was en heeft nooit een andere baan gehad. Door het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder 1] wordt [verzoeker] nu op 53- jarige leeftijd gedwongen om op zoek te gaan naar een andere baan, waarbij goed denkbaar is dat zij beperkingen ondervindt vanwege haar eenzijdige ervaring en opleiding, beperkte vervoersmogelijkheden en autisme. Ook acht de kantonrechter relevant dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is geworden door de verstoorde arbeidsrelatie en [verweerder 1] onvoldoende heeft gedaan om [verzoeker] (al dan niet in tweede spoor) te re-integreren. Het UWV heeft een loonsanctie opgelegd tot 17 augustus 2027. Over deze periode zou [verweerder 1] het loon verschuldigd zijn. De loonbetalingsverplichting eindigt nu alsnog per 1 november 2026 als gevolg van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het moet niet zo zijn dat [verweerder 1] feitelijk beloond wordt voor haar ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, doordat zij deze sanctie ontloopt. Anderzijds ziet de kantonrechter geen aanleiding om de billijke vergoeding te begroten aan de hand van de inkomensschade tot de AOW- gerechtigde leeftijd. De kantonrechter meent dat [verzoeker] in staat moet worden geacht om op termijn weer een betaalde baan te vinden met een vergelijkbaar inkomen, waarbij relevant is dat het huidige inkomen van [verzoeker] niet ver afligt van het wettelijke minimumloon.



5.21.
Het bedrag van de billijke vergoeding dat wordt toegewezen is gebaseerd op het loon dat verschuldigd zou zijn tot 17 augustus 2027, het door [verzoeker] gestelde bedrag aan inkomensschade tijdens een uitkeringsperiode van twee jaar en een aanvullend jaarsalaris (bedragen afgerond naar boven).



5.22.

[verweerder 1] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 70.000,00 bruto. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, zoals bepaald in de beslissing.


De hoogte van de transitievergoeding




5.23.
Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder 1] heeft [verzoeker] recht op de transitievergoeding.



5.24.
De transitievergoeding komt per de einddatum van het dienstverband uit op een bedrag van € 28.908,50 bruto. [verweerder 1] wordt veroordeeld tot betaling van die vergoeding. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 december 2026.


Eindafrekening




5.25.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter [verweerder 1] te veroordelen tot betaling van de per de einddatum van het dienstverband resterende vakantiedagen en het nog verschuldigde vakantiegeld. [verweerder 2] heeft aangevoerd dat hij het ertoe zal leiden dat [verweerder 1] over zal gaan tot een correcte eindafrekening. De kantonrechter wijst het verzoek toe.



5.26.
Het verzoek van [verzoeker] om het bedrag van de eindafrekening te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente ‘wanneer het loon niet tijdig is betaald’ wordt afgewezen. Voor toekenning van wettelijke verhoging en wettelijke rente is slechts ruimte als er sprake is van te late betaling. Deze situatie is nu niet aan de orde en komt mogelijk ook niet aan de orde. Wettelijke verhoging en wettelijke rente kunnen niet op voorhand worden toegewezen.


Specificaties




5.27.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om [verweerder 1] te veroordelen tot het verstrekken van deugdelijke specificaties van de betaling van de transitievergoeding, billijke vergoeding en het bedrag van de eindafrekening. [verzoeker] verzoekt daaraan een dwangsom te verbinden.



5.28.

[verweerder 2] voert aan dat er geen enkele aanleiding is om te twijfelen aan de vraag of er deugdelijke specificaties zullen worden verstrekt. Als er al een dwangsom aan de veroordeling wordt verbonden, verzoekt [verweerder 2] daaraan een laag maximum te koppelen.



5.29.
De kantonrechter wijst het verzoek tot het verstrekken van deugdelijke specificaties toe, zonder daar een dwangsom aan te verbinden. [verzoeker] heeft de noodzaak van een dwangsom niet gesteld en onderbouwd.


Proceskosten




5.30.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder 1] , omdat zij overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder 1] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.099,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.


Geen hoofdelijke veroordeling




5.31.
Volledigheidshalve merkt de kantonrechter op dat [verweerder 2] en [verweerder 3] niet voor het geheel van de schulden van de maatschap [verweerder 1] verbonden zijn, maar ieder voor de helft.


Uitvoerbaar bij voorraadverklaring




5.32.

[verweerder 2] heeft verzocht om een toewijzende beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, of in ieder geval niet voor wat betreft de billijke vergoeding, vanwege het restitutierisico. Volgens [verzoeker] bestaat er geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat een beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. [verzoeker] heeft de toegewezen bedragen nodig om te voorzien in haar levensonderhoud.



5.33.
De kantonrechter moet beoordelen of het belang van [verzoeker] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring zwaarder weegt dat het belang van [verweerder 1] bij behoud van de bestaande toestand tot op een eventueel rechtsmiddel is beslist. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is. Het belang van [verzoeker] is evident, nu zij na 1 november 2026 haar vaste inkomen verliest en in haar levensonderhoud moet voorzien. Een eventueel restitutierisico weegt daar niet tegenop, waarbij bovendien geldt dat dit afhangt van de vraag of er een hoger beroep wordt ingesteld, zo ja of het hof anders oordeelt dan de kantonrechter, en zo ja of er daadwerkelijk een onmogelijkheid om terug te betalen ontstaat. Tegenover al deze onzekere factoren staat het zekere belang van [verzoeker] bij het beschikken over inkomen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.


Intrekkingsbevoegdheid




5.34.
Nu aan [verzoeker] een lagere billijke vergoeding wordt toegekend dan zij heeft verzocht, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om haar verzoek in te trekken en wel tot en met 21 oktober 2026 17.00 uur.



5.35.
Als [verzoeker] haar verzoek intrekt, zal [verweerder 1] toch worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten omdat [verweerder 1] overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder 1] .





6De beslissing

De kantonrechter


6.1.
stelt partijen in kennis van het voornemen de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 november 2026, met veroordeling van [verweerder 1] tot betaling van een transitievergoeding van € 28.908,50 bruto en een billijke vergoeding van € 70.000,00 bruto, met veroordeling van [verweerder 1] in de proceskosten,



6.2.
stelt [verzoeker] in de gelegenheid om haar verzoek uiterlijk op 21 oktober 2026 17.00 uur in te trekken door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan [verweerder 1] en de gemachtigde van [verweerder 2] ,


Voor het geval [verzoeker] het verzoek tot ontbinding
niet
binnen die termijn intrekt:




6.3.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder 1] met ingang van 1 november 2026,



6.4.
veroordeelt [verweerder 1] om aan [verzoeker] uiterlijk binnen 7 dagen na de einddatum van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding te betalen van € 28.908,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2026, tot aan de dag van gehele betaling,



6.5.
veroordeelt [verweerder 1] om aan [verzoeker] uiterlijk binnen 7 dagen na de einddatum van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding te betalen van € 70.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,



6.6.
veroordeelt [verweerder 1] om binnen 30 dagen na de einddatum van de arbeidsovereenkomst een correcte eindafrekening per de einddatum van de arbeidsovereenkomst op te stellen en tot voldoening aan [verzoeker] van het vakantiegeld en een uitkering in geld van de opgebouwde, maar niet opgenomen vakantiedagen,



6.7.
veroordeelt [verweerder 1] om aan [verzoeker] deugdelijke betalingsspecificaties te verstrekken van de betaling van de verschuldigde bedragen (de transitievergoeding, de billijke vergoeding en de eindafrekening),



6.8.
veroordeelt [verweerder 1] in de proceskosten van € 1.099,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



6.9.
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



6.10.
wijst af het meer of anders verzochte,


Voor zover [verzoeker] het verzoek tot ontbinding binnen die termijn
wel
intrekt:




6.11.
veroordeelt [verweerder 1] in de proceskosten van € 1.099,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



6.12.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



6.13.
wijst af het meer of anders verzochte.









Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op5 oktober 2026.
















































Voor de transitievergoeding in artikel 7:673 lid 1 onder b sub 2 BW en voor de billijke vergoeding in artikel 7:671c lid 2 onder b BW.


Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).


artikel 7:686a lid 1 BW


Artikel 7:686a lid 6 en 7 BW.
Link naar deze uitspraak