|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:9758 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 26/4206 WOO VV | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Buiten zitting afgedaan. Verzoek toegewezen. Geen zwaarwegend belang om gevraagde informatie hangende bezwaarprocedure openbaar te maken. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4206
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., uit [plaats 1] , verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[stichting]
, uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. P.H. den Boer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een besluit over openbaarmaking van informatie over haar bedrijf op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
1.2.
De staatssecretaris heeft met het besluit van 14 juli 2026 besloten om de door de derde-partij gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft beslist dat beperking van de kennisneming, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, van het verzoekschrift en het bezwaarschrift gerechtvaardigd is. Het verzoek van de staatssecretaris om beperking van de kennisneming ten aanzien van de naam van de derde-partij is afgewezen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De derde-partij heeft bij de staatssecretaris een verzoek op grond van de Woo ingediend. In dit verzoek wordt gevraagd om openbaarmaking van informatie over de CITES-certificaten en CITES-vergunningen met betrekking tot de import van Macaca fascicularis door (onder andere) verzoekster van buiten de Europese Unie (EU) naar binnen de EU over de periode van 14 april 2025 tot en met 4 februari 2026.
2.1.
In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris besloten een deel van de gevraagde informatie openbaar te maken. Daarbij is aangegeven dat een belanghebbende twee weken de tijd krijgt om de openbaarmaking tegen te houden door bezwaar te maken en door een voorlopige voorziening te vragen. Verzoekster is hiertoe overgegaan.
2.2.
In artikel 4.4, vijfde lid van de Woo is bepaald dat, indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, de openbaarmaking wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken. In lijn met die wettelijke bepaling heeft de staatssecretaris bevestigd de feitelijke openbaarmaking van de documenten die bij het bestreden besluit horen uit te stellen totdat in deze procedure uitspraak is gedaan.
3. De vraag die nu voorligt, is of de openbaarmaking langer moet worden opgeschort.
3.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou betekenen dat de openbaarmaking reeds zal plaatsvinden voordat de staatssecretaris op grondslag van het bezwaar het bestreden besluit volledig heroverweegt. De bezwaarprocedure zou daarmee zinledig worden.
3.2.
Uit het dossier is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er sprake is van een zwaarwegend belang waardoor niet gewacht zou kunnen worden met openbaarmaking van de stukken totdat op het bezwaar van verzoekster is beslist. Wat de derde-partij in dit verband heeft aangevoerd, acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor een ander oordeel. De derde-partij heeft gesteld dat verzoekster verzoeken om voorlopige voorziening indient met het oog op vertragen van de openbaarmaking. Het gebrek aan actualiteit doet afbreuk aan transparantie en controleerbaarheid van de overheid en zorgt ervoor dat de nieuwswaarde afneemt, zodat het publiek onvoldoende geïnformeerd kan worden. De voorzieningenrechter acht hiermee door de derde-partij onvoldoende concreet gemaakt dat zij in dit specifieke geval een dermate groot belang heeft bij spoedige openbaarmaking van de door haar gevraagde informatie dat dit opweegt tegen het zinledig worden van de bezwaarprocedure.
3.3.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden toegewezen, door de openbaarmaking op te schorten tot twee weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter is bekend dat de staatssecretaris de beslistermijn heeft verlengd tot 17 november 2026. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de staatssecretaris uiterlijk op die datum op het bezwaar zal hebben beslist.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter treft de voorziening dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar.
4.1.
Gezien de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat de staatssecretaris het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van verzoekster heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 934,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
bepaalt dat openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist;
bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 8 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|