|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:989 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/527 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de vraag of de Svb terecht een korting van 22% heeft toegepst op het AOW-pensioen van eiser vanwege niet-verzekerde jaren. | | Trefwoorden | : | aow | | | ingezetene | | | loonbelasting | | | omzetbelasting | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/527
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht, de Svb
(gemachtigde: mr. A. Marijnissen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de Svb terecht een korting van 22% heeft toegepast op het AOW-pensioen van eiser vanwege niet-verzekerde jaren. Eiser is het daar niet mee eens. Volgens hem woonde hij in de relevante periode in Nederland en is ten onrechte aangenomen dat hij in Macedonië woonde. Daarnaast is hij het niet eens met de wijze waarop de Svb zijn werkzaamheden heeft omgerekend naar verzekerde perioden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat het onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd. Dat geldt zowel voor de motivering over de woonplaats van eiser als voor de wijze waarop de verzekerde en niet-verzekerde perioden zijn berekend. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Na een eigen beoordeling en herberekening komt de rechtbank echter tot dezelfde materiële uitkomst als de Svb. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de korting op het AOW-pensioen van eiser 22% blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Met een besluit van 17 mei 2024 heeft de Svb eiser met ingang van 22 juni 2023 een AOW pensioen toegekend ter hoogte van 78% van het maximale pensioen. Daarbij is een korting van 22% toegepast wegens niet-verzekerde jaren.
2.1.
Met een besluit van 14 januari 2025 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de Svb bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de Svb.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de Svb terecht een korting van 22% heeft toegepast op het AOW-pensioen van eiser vanwege niet-verzekerde jaren. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
In geschil is of eiser in de periode van 1 mei 2007 tot en met 23 augustus 2020 verzekerd was voor de AOW.
3.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast ter onderbouwing van die aanvraag in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Dat geldt temeer in een geval als dit, waarin de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedsfeer van de aanvrager.
Inleiding
4. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
4.1.
Op 4 mei 2004 heeft eiser in Nederland EU BREM B.V. opgericht. Op 11 mei 2007 heeft hij in Macedonië [bedrijf] opgericht. In de periode in geding heeft eiser uitsluitend werkzaamheden verricht als zelfstandige.
4.2.
Eiser is van 2 februari 2008 tot en met 23 augustus 2020 uitgeschreven uit de Nederlandse brp. Met ingang van 24 augustus 2020 is hij weer ingeschreven in de brp in Nederland.
4.3.
Eiser heeft op 1 juli 2023 bij de Svb een pensioen op grond van de AOW aangevraagd. Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de Svb hem met ingang van 22 juni 2023 een AOW pensioen toegekend ter hoogte van 78% van het maximale pensioen. Daarbij heeft de Svb een korting van 22% toegepast wegens afgerond elf niet-verzekerde jaren.
4.4.
Bij besluit van 14 januari 2025 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de Svb bij dat besluit gebleven, maar zijn de perioden waarin eiser niet verzekerd was verder geconcretiseerd. Aan de korting van 22% heeft de Svb ten grondslag gelegd dat eiser in de betreffende periode niet verzekerd was voor de AOW, omdat hij toen buiten Nederland woonde en werkte.
Heeft de Svb de woonplaats van eiser juist vastgesteld?
5. Iemand heeft recht op AOW-pensioen als hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en minimaal één jaar verzekerd is geweest voor de AOW. Dit is bepaald in artikel 7, eerste lid, van de AOW. In artikel 6 van de AOW is geregeld dat eiser verzekerd is als hij ingezetene is. Dat wil zeggen: naar de omstandigheden beoordeeld woont in Nederland, of op grond van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid onderworpen is aan de loonbelasting. In artikel 2 van de AOW is geregeld dat iemand ingezetene is als degene in Nederland woont. Om te bepalen waar iemand woont, moet op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van zodanige aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.
5.1.
Voor de beoordeling van de vraag waar iemand woont, sluit de Svb aan bij vaste rechtspraak en de eigen beleidsregels over ingezetenschap en wonen. Volgens het beleid is sprake van wonen in Nederland wanneer tussen betrokkene en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Of er sprake is van een dergelijke band wordt vastgesteld aan de hand van alle in aanmerking komende objectieve en subjectieve omstandigheden, waarbij niet één factor beslissend is. Relevante omstandigheden zijn onder andere de woon- en werkomgeving, de plaats waar het gezinsleven van de betrokkene zich afspeelt, het naar school gaan in Nederland door de kinderen, politieke, culturele en/of andere activiteiten, financiën, inschrijving in het bevolkingsregister en aanwijzingen die erop duiden dat de betrokkene binnen afzienbare tijd of in de toekomst Nederland zal verlaten en zich elders zal vestigen. De Svb acht in het bijzonder de duurzaamheid van het verblijf in en buiten Nederland van belang. Daarnaast benoemt de Svb dat ingeval een betrokkene in loondienst of als zelfstandige in Nederland werkt, er veelal sprake zal zijn van een sterke band. Ook aan het kunnen beschikken over een duurzame woning komt veel belang toe. De Svb hanteert als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder wordt. Als drie jaar zijn verlopen na de datum van vertrek uit Nederland, beschouwt de Svb het ingezetenschap zonder meer als geëindigd.
6. Eiser voert aan dat de Svb ten onrechte heeft aangenomen dat hij in de geding zijnde periode niet in Nederland woonde. Volgens eiser heeft de Svb dit vooral gebaseerd op het feit dat hij in Macedonië stond ingeschreven. Hij stelt dat hij door zijn internationale, projectmatige werk regelmatig op verschillende locaties verbleef, maar hij een duurzame band van persoonlijke aard bleef houden met Nederland, waar hij een woning had en waar zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen verbleven.
6.1.
De Svb stelt dat eiser in de relevante periode niet in Nederland woonde. Volgens de Svb heeft eiser zich van 2 februari 2008 tot en met 23 augustus 2020 uitgeschreven uit de Nederlands brp en heeft eiser zelf meerdere keren richting de Svb bevestigd dat hij in Macedonië woonde. Bovendien beschikte eiser daar volgens de Svb over een eigen woning met huisraad en is het verblijf in Macedonië langer geweest dan drie jaar. Daarom acht de Svb eiser, conform hun beleid, niet langer woonachtig in Nederland vanaf het moment van uitschrijving uit de brp.
7. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag waar iemand woont in de zin van de AOW niet één omstandigheid doorslaggevend is. Beslissend is of, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Daarbij moeten alle relevante objectieve en subjectieve omstandigheden kenbaar in de afweging worden betrokken en moet inzichtelijk zijn welk gewicht daaraan is toegekend.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de Svb bij haar beoordeling betekenis heeft toegekend aan de uitschrijving van eiser uit de brp, het langdurige verblijf in Macedonië en het feit dat hij daar over woonruimte beschikte. Daarnaast heeft de Svb gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser zelf in contacten met de Svb heeft verklaard dat hij in Macedonië woonde. De enkele omstandigheid dat eiser heeft verklaard dat hij in Macedonië woonde, is echter niet zonder meer beslissend voor de juridische beoordeling van zijn woonplaats in de zin van de AOW. Eiser heeft toegelicht dat hij daarmee doelde op zijn inschrijving en niet op een juridische kwalificatie van zijn woonplaats. Het begrip ‘wonen’ in de zin van de AOW is een juridisch begrip dat moet worden ingevuld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende inzichtelijk welk gewicht is toegekend aan de door eiser aangevoerde omstandigheden, waaronder zijn persoonlijke band met Nederland en zijn gezin, en hoe deze zich verhouden tot de door de Svb zwaarwegend geachte omstandigheden. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende kenbaar gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid.
7.2.
Nu de Svb ook ter zitting geen nadere, inzichtelijke weging van de door eiser aangevoerde omstandigheden heeft gegeven, kan het geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek niet worden gepasseerd. De rechtbank ziet, gelet op de aanwezige stukken in het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.
7.3.
De rechtbank onderkent dat eiser onmiskenbaar een sterke emotionele band met Nederland en zijn gezin had in de periode in geding. Zijn echtgenote, kinderen en kleinkinderen verbleven in Nederland, eiser betaalde de hypotheek van de woning en hij keerde regelmatig terug naar Nederland. Ter zitting heeft eiser bovendien overtuigend en invoelbaar verklaard dat Nederland voor hem ook voelde als zijn thuis. Deze band is reëel en begrijpelijk, maar is op zichzelf niet doorslaggevend voor de vaststelling van de woonplaats in juridische zin. Daarbij komt betekenis toe aan de feitelijke omstandigheden waaronder eiser zijn leven daadwerkelijk inrichtte.
7.4.
Uit het dossier en hetgeen door eiser ter zitting is verklaard volgt dat eiser vanaf mei 2007 in overwegende mate buiten Nederland verbleef in verband met zijn werkzaamheden. In de periode tot en met oktober 2008 verbleef hij hoofdzakelijk in Macedonië. Ook daarna, toen zijn werkzaamheden een meer reizend karakter kregen, beschikte hij over woonruimte in Macedonië en vormde dat land de feitelijke uitvalsbasis van zijn werkzaamheden. Eiser keerde weliswaar periodiek terug naar Nederland, maar dit gebeurde met tussenpozen van enkele weken tot maanden en niet op zodanige wijze dat Nederland het centrum van zijn dagelijks leven bleef vormen.
7.5.
Van betekenis acht de rechtbank voorts dat eiser heeft verklaard dat hij een permanente verblijfsvergunning in Macedonië heeft aangevraagd. Dat eiser dit, naar eigen zeggen, om praktische redenen heeft gedaan, neemt niet weg dat het verkrijgen van een dergelijke vergunning naar zijn aard past bij een bestendig verblijf in dat land. Daarbij komt dat eiser gedurende zijn werkzaamheden in Macedonië over een eigen woning beschikte, aanvankelijk een woning nabij het project en later een vaste pied-à-terre, hetgeen wijst op een structurele inrichting van zijn verblijf aldaar.
7.6.
Daarnaast acht de rechtbank van belang dat in 2007 de gezamenlijke woning in Nederland is verkocht in verband met het voornemen van eisers echtgenote om zich in Spanje te vestigen. Hoewel dat voornemen uiteindelijk niet is gerealiseerd en in 2009 opnieuw een woning in Nederland is aangeschaft, onderstreept deze gang van zaken dat Nederland niet langer het onbetwiste middelpunt van het gezinsleven vormde.
7.7.
Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het zwaartepunt van het persoonlijk en maatschappelijk leven van eiser in de relevante periode niet in Nederland lag, maar in Macedonië. Dat eiser zich emotioneel steeds verbonden heeft gevoeld met Nederland en zijn gezin, doet aan deze conclusie niet af. Die band is evident en invoelbaar, maar weegt in dit geval niet op tegen de feitelijke richting van zijn leven en verblijf.
7.8.
De rechtbank concludeert daarom dat eiser in de relevante periode in juridische zin woonde in Macedonië. De Svb is daarmee materieel uitgegaan van de juiste woonplaats, maar heeft dit oordeel in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk en zorgvuldig gemotiveerd.
Heeft de Svb de niet-verzekerde perioden juist vastgesteld?
8. Eiser voert aan dat de Svb de niet-verzekerde perioden onjuist heeft vastgesteld. Volgens hem is de Svb uitgegaan van een methode waarbij zijn werkdagen zijn gecomprimeerd tot aaneengesloten blokken en waarbij wordt gerekend met een totaal van 261 dagen per jaar, terwijl een gemiddeld voltijds werkjaar volgens eiser ongeveer 210 tot 220 werkdagen omvat. Eiser stelt dat deze methode geen recht doet aan de aard van zijn werkzaamheden, omdat hij projectmatig werkt met sterk wisselende duur van projecten en tijdelijke verblijven op verschillende locaties. Het comprimeren van werkdagen acht hij daarom niet realistisch en volgens hem werkt dit in zijn nadeel. Verder vindt eiser het reëler om uit te gaan van maximaal 5 (werk)dagen per kalenderweek. Volgens eiser leidt het afvinken van niet-verzekerde perioden per kalenderdag niet tot een juist beeld en is dat in strijd met goed bestuur.
8.1.
De Svb stelt dat zij de niet-verzekerde perioden juist heeft vastgesteld. Zij merkt op dat zij eiser maximaal verzekerd heeft geacht op basis van de door eiser aangedragen feiten, waarbij zij voor de perioden waarvan geen timesheet aanwezig is, dagen fictief toegewezen heeft aan de periode van het betreffende project. De Svb wijst erop dat zij de niet-verzekerde perioden heeft vastgesteld op grond van de geldende nationale en internationale wetgeving, alsmede de beleidsregels van de Svb.
9. De rechtbank gaat er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van uit dat eiser in de relevante periode woonde in Macedonië. De rechtbank beoordeelt vervolgens of eiser, uitgaande van die woonplaats, verzekerd was voor de AOW in de periode van 1 mei 2007 tot en met 23 augustus 2020.
9.1.
Op grond van artikel 6, eerste lid, sub a van de AOW is verzekerd degene die ingezetene is in Nederland. Nu eiser in de relevante periode niet als ingezetene kan worden aangemerkt, was hij op grond van de nationale wetgeving in beginsel niet verzekerd voor de AOW.
9.2.
Dit kan anders zijn indien op grond van artikel 6a van de AOW in samenhang met het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Macedonië (Verdrag) de Nederlandse wetgeving van toepassing is verklaard. Op grond van artikel 7, eerste lid, van het Verdrag is degene op wie het Verdrag van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij onderworpen. Voor zelfstandigen bepaalt artikel 9 van het Verdrag dat zij onderworpen zijn aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waar zij hun werkzaamheden verrichten. Dit betekent dat eiser slechts verzekerd was voor de AOW in de perioden waarin hij als zelfstandige werkzaamheden verrichtte in Nederland.
9.3.
Voor de vaststelling van de verzekerde perioden moet worden bepaald op welke wijze de vastgestelde werkdagen worden meegeteld. De Svb heeft ervoor gekozen uitsluitend afzonderlijke werkdagen vast te stellen en deze te plaatsen binnen concrete kalenderdata, waaruit vervolgens niet-verzekerde perioden zijn afgeleid.
9.4.
Deze werkwijze verdraagt zich niet met de systematiek van de AOW. Op grond van de Regeling herleiding van gedeelten van kalenderjaren wordt bij de vaststelling van verzekerde tijdvakken uitgegaan van een kalenderjaar van 360 dagen. Door eerst concrete kalenderdata vast te stellen en daaruit niet-verzekerde perioden te reconstrueren, wordt feitelijk gerekend met een kalenderjaar van 365 dagen (of 366 dagen in een schrikkeljaar). Daarmee wordt niet aangesloten bij het wettelijk uitgangspunt van 360 dagen per kalenderjaar. Deze systematiek kan ertoe leiden dat verzekerde dagen niet volledig tot uitdrukking komen. De rechtbank acht deze systematiek daarom niet verenigbaar met het opbouwstelsel van de AOW en het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
9.5.
Daarbij acht de rechtbank van belang dat bij werkzaamheden in loondienst de verzekering in beginsel aansluit bij kalenderweken, inclusief weekenden. Bij zelfstandigen wordt daarentegen uitsluitend met afzonderlijke werkdagen gerekend. Dit onderscheid kan ertoe leiden dat een gelijk aantal gewerkte dagen bij zelfstandigen resulteert in een kortere verzekerde periode dan bij werknemers in loondienst. De Svb heeft dit verschil in berekeningswijze ter zitting bevestigd, maar niet nader onderbouwd. Zonder nadere toelichting kan de Svb niet gevolgd worden in dit verschil in berekening.
9.6.
De rechtbank zal daarom bij de vaststelling van de verzekerde tijdvakken uitgaan van het aantal vastgestelde werkdagen en deze herleiden naar kalenderweken, op een wijze die aansluit bij het 360-dagenstelsel. Iedere reeks van vijf werkdagen wordt aangemerkt als één kalenderweek van zeven dagen. Resterende werkdagen worden afzonderlijk meegeteld als kalenderdagen. Met deze benadering wordt voorkomen dat de zelfstandige aard van de werkzaamheden van eiser leidt tot een structureel ongunstigere uitkomst dan bij werkzaamheden in loondienst. Deze wijze van vaststelling acht de rechtbank in overeenstemming met de systematiek van de AOW.
9.7.
Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld in welke omvang eiser als zelfstandige werkzaamheden in Nederland heeft verricht. De Svb heeft daartoe onder meer aangiften omzetbelasting opgevraagd. Uit deze aangiften blijkt dat in bepaalde kwartalen omzet is gerealiseerd ter zake van ‘leveringen en/of diensten binnenland’, terwijl deze perioden door de Svb als niet-verzekerd zijn aangemerkt. De Svb heeft deze gegevens niet nader onderzocht en heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de daarin vermelde omzet geen aanwijzing vormt voor in Nederland verrichte werkzaamheden. Daarmee is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
9.8.
Eiser heeft ter zitting verklaard dat de betreffende omzet betrekking heeft op verrichte werkzaamheden die waarschijnlijk ook in Nederland zijn uitgevoerd. Gelet op deze verklaring, het tijdsverloop, de reeds uitvoerig gevoerde correspondentie tussen de Svb en eiser en de omstandigheid dat de Svb deze gegevens zelf heeft opgevraagd zonder daarop door te vragen, acht de rechtbank het niet opportuun om de Svb in de gelegenheid te stellen dit nader te onderzoeken. De rechtbank zal deze aangiften daarom in het voordeel van eiser uitleggen en de daarin vermelde omzet herleiden tot verzekerde werkdagen. Daarbij wordt aangesloten bij het gemiddelde dagtarief dat uit het dossier blijkt.
9.9.
Daarnaast heeft de Svb ter zitting erkend dat 10 april 2012 op basis van de overgelegde timesheet over april 2012 ook als verzekerde dag had moeten worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom ook deze dag als verzekerd in aanmerking nemen.
Vaststellen aantal niet-verzekerde jaren
10. De AOW kent een opbouwstelsel. Een verzekerde bouwt tussen het 16e en 67e levensjaar 2% pensioen per kalenderjaar op. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de AOW wordt voor ieder kalenderjaar waarin de pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest een korting van 2% toegepast.
10.1.
De omvang van de korting hangt rechtstreeks samen met het aantal kalenderjaren waarin eiser niet verzekerd is geweest. De rechtbank zal daarom eerst vaststellen op hoeveel werkdagen eiser in de relevante periode als zelfstandige in Nederland werkzaamheden heeft verricht en daarmee verzekerd was voor de AOW. Deze werkdagen worden vervolgens herleid tot kalenderdagen en op basis daarvan wordt het aantal niet-verzekerde kalenderjaren bepaald.
10.2.
De Svb heeft per periode een aantal verzekerde werkdagen vastgesteld. De rechtbank sluit daarbij aan, behoudens de hierna te bespreken correcties.
10.3.
Daarnaast blijkt uit de aangiften omzetbelasting dat in de onderstaande kwartalen omzet is gerealiseerd ter zake van ‘leveringen en/of diensten binnenland’. De rechtbank herleidt deze omzet, overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen, tot verzekerde werkdagen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier volgt dat eiser in 2007 een dagtarief van € 500,- hanteerde en in 2016 een dagtarief van € 606,-. De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van een gemiddeld dagtarief van € 550,-. Dit leidt tot het volgende aantal werkdagen:- Vierde kwartaal 2007: € 984,- omzet / € 550,- = afgerond 2 dagen- Vierde kwartaal 2010: € 19.305,- omzet / € 550,- = afgerond 36 dagen- Vierde kwartaal 2011: € 905,- omzet / € 550,- = afgerond 2 dagen- Tweede kwartaal 2013: € 36.598,- omzet / € 550,- = afgerond 67 dagen- Derde kwartaal 2013: € 3.580,- omzet / € 550,- = afgerond 7 dagen
10.4.
Met inachtneming van hetgeen onder 9.9 is overwogen, wordt 10 april 2012 eveneens als verzekerde werkdag aangemerkt.
Periode 1 mei 2007 tot en met 31 december 2007
11. In deze periode heeft de Svb eiser niet als verzekerd aangemerkt, omdat hij volledig in Macedonië werkzaam zou zijn geweest. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat uit de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2007 volgt, zoals hiervoor overwogen, dat eiser in deze periode twee werkdagen heeft gehad. De rechtbank stelt daarom vast dat eiser in deze periode twee werkdagen als verzekerd moet worden aangemerkt.
Periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009
12. De Svb heeft eiser in deze periode op basis van timesheets 13 werkdagen verzekerd geacht (21 mei 2009, 5 juli 2009, 7 juli 2009 t/m 9 juli 2009, 12 juli 2009, 23 oktober 2009, 26 oktober 2009 t/m 29 oktober 2009, 24 november 2009 en 2 december 2009). Daarnaast zijn voor [project 1] 2 werkdagen en voor [project 2] 10 werkdagen als verzekerd aangemerkt. De rechtbank volgt deze vaststelling. Dit betekent dat eiser in deze periode in totaal 25 werkdagen verzekerd is geweest.
Periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010
13. De Svb heeft eiser in deze periode verzekerd geacht gedurende 15 dagen ( [project 3] ). Zoals hiervoor is overwogen volgt uit de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2010 dat eiser in deze periode 36 werkdagen heeft gehad. De rechtbank stelt daarom vast dat eiser in 2010 in totaal 51 werkdagen verzekerd is geweest voor de AOW.
Periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011
14. De Svb heeft eiser in deze periode 6 werkdagen verzekerd geacht voor [project 4] (20 april 2011 t/m 22 april 2011, 25 april 2011 t/m 26 april 2011 en 28 april 2011). Zoals hiervoor is overwogen volgt uit de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2011 dat eiser in deze periode 2 werkdagen als verzekerd kan worden aangemerkt. De rechtbank stelt daarmee vast dat eiser in 2011 in totaal 8 werkdagen verzekerd is geweest voor de AOW.
Periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012
15. De Svb heeft eiser in deze periode op basis van de overgelegde timesheets van [project 5] 30 werkdagen verzekerd geacht (27 februari 2012 t/m 29 februari 2012, 1 maart 2012, 3 maart 2012, 5 maart 2012 t/m 16 maart 2012, 23 maart 2012, 26 maart 2012 t/m 31 maart 2012, 2 april 2012 t/m 6 april 2012 en 9 april 2012).Daarnaast heeft de Svb eiser 2 werkdagen verzekerd geacht vanwege [project 6] en 11 werkdagen vanwege [project 7] .
15.1.
Zoals hiervoor is overwogen volgt uit de overgelegde timesheets dat ook 10 april 2012 als verzekerde werkdag moet worden aangemerkt. De Svb heeft dit ter zitting erkend. De rechtbank stelt daarom het totaal aantal verzekerde werkdagen in 2012 vast op 44 werkdagen.
Periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013
16. De Svb heeft eiser in deze periode 40 werkdagen verzekerd geacht vanwege [project 8] . Zoals hiervoor is overwogen volgt uit de aangiften omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2013 dat eiser in deze periode 74 werkdagen (67 dagen in het tweede kwartaal en 7 dagen in het derde kwartaal) als verzekerd moet worden aangemerkt. De rechtbank stelt het totaal aantal verzekerde werkdagen in 2013 daarmee vast op 114 werkdagen.
Periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014
17. De Svb heeft eiser in deze periode op basis van de timesheets van [project 9] 13 werkdagen verzekerd geacht (7 juli 2014 t/m 11 juli 2014, 2 augustus 2014 t/m 7 augustus 2014, 22 augustus 2014 en 26 september 2014). De rechtbank volgt deze vaststelling. Het totaal aantal verzekerde werkdagen in 2014 bedraagt daarmee 13 werkdagen.
Periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015
18. De Svb heeft eiser in deze periode 3 werkdagen verzekerd geacht vanwege [project 10] . De rechtbank volgt deze vaststelling. Het totaal aantal verzekerde werkdagen in 2015 bedraagt daarmee 3 werkdagen.
Periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018
19. De Svb heeft eiser in deze periode op basis van facturen voor [project 11] 194 werkdagen verzekerd geacht (fictieve perioden 1 juli 2017 t/m 5 juli 2017, 1 augustus 2017 t/m 7 augustus 2017, 1 september 2017 t/m 20 september 2017, 1 oktober 2017 t/m 15 oktober 2017, 1 november 2017 t/m 13 november 2017, 1 december 2017 t/m 5 december 2017, 1 januari 2018 t/m 12 januari 2018, 1 februari 2018 t/m 3 februari 2018, 1 maart 2018, 1 april 2018 t/m 13 april 2018, 1 mei 2018 t/m 10 mei 2018, 1 juni 2018 t/m 13 juni 2018, 1 juli 2018 t/m 9 juli 2018, 1 augustus 2018 t/m 15 augustus 2018, 1 september 2018 t/m 9 september 2018, 1 oktober 2018 t/m 14 oktober 2018, 1 november 2018 t/m 18 november 2018 en 1 december 2018 t/m 12 december 2018). De rechtbank volgt deze vaststelling. Het totaal aantal verzekerde werkdagen in 2016, 2017 en 2018 bedraagt daarmee 194 werkdagen.
Periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019
20. De Svb heeft eiser in deze periode op basis van facturen voor [project 11] 26 werkdagen verzekerd geacht (fictieve perioden 1 januari 2019 t/m 10 januari 2019, 1 februari 2019 t/m 3 februari 2019, 1 april 2019 t/m 7 april 2019 en 1 mei 2019 t/m 6 mei 2019). Daarnaast is hij 14 werkdagen verzekerd geacht voor [project 12] . De rechtbank volgt deze vaststelling. Het totaal aantal verzekerde werkdagen in 2019 bedraagt daarmee 40 werkdagen.
Periode 1 januari 2020 tot en met 23 augustus 2020
21. De Svb heeft eiser in deze periode op basis van overgelegde timesheets [project 13] 16 werkdagen verzekerd geacht (2 juni 2020 t/m 5 juni 2020, 8 juni 2020 t/m 12 juni 2020, 15 juni 2020 t/m 19 juni 2020, 22 juni 2020 t/m 26 juni 2020 en 29 juni 2020). Daarnaast heeft de Svb eiser nog 47 werkdagen verzekerd geacht. De rechtbank volgt deze vaststelling. Het totaal aantal verzekerde werkdagen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 23 augustus 2020 bedraagt daarmee 63 werkdagen.
Berekening niet-verzekerde jaren
22. Uitgaande van het hiervoor vastgestelde aantal verzekerde werkdagen zal de rechtbank nu het aantal verzekerde en niet-verzekerde kalenderdagen berekenen.
22.1.
De vastgestelde verzekerde werkdagen worden eerst herleid naar kalenderdagen. Daarbij hanteert de rechtbank de hiervoor uiteengezette kalenderweek-benadering, waarbij volledige werkweken worden omgerekend naar kalenderweken en resterende werkdagen als afzonderlijke kalenderdagen worden meegeteld. Dit leidt tot het volgende aantal verzekerde kalenderdagen per periode:
- 2007 (mei-december): (2 werkdagen) 2 kalenderdagen
- 2008-2009: (25 werkdagen) 35 kalenderdagen
- 2010: (51 werkdagen) 71 kalenderdagen
- 2011: (8 werkdagen) 10 kalenderdagen
- 2012: (44 werkdagen) 60 kalenderdagen
- 2013: (114 werkdagen) 158 kalenderdagen
- 2014: (13 werkdagen) 17 kalenderdagen
- 2015: (3 werkdagen) 3 kalenderdagen
- 2016-2018: (194 werkdagen) 270 kalenderdagen
- 2019: (40 werkdagen) 56 kalenderdagen
- 2020 (t/m 23 augustus): (63 werkdagen) 87 kalenderdagen
In totaal is eiser in de periode van 1 mei 2007 tot en met 23 augustus 2020 769 kalenderdagen verzekerd geweest voor de AOW.
22.2.
Bij de herleiding van gedeelten van kalenderjaren wordt uitgegaan van een kalenderjaar van 360 dagen. Het totaal aantal dagen in de periode van 1 mei 2007 tot en met 23 augustus 2020 bedraagt daarmee:
- 1 mei 2007 t/m 31 december 2007: (8/12 maanden x 360 dagen =) 240 dagen
- 1 januari 2008 t/m 31 december 2019: (12 x 360 dagen =) 4.320 dagen
- 1 januari 2020 t/m 23 augustus 2020: (7,75/12 maanden x 360 dagen) 232 dagen
Dit leidt tot een totaal van 4.792 kalenderdagen.
22.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser in totaal (4.792 – 769 =) 4.023 kalenderdagen niet verzekerd was. Omgerekend naar kalenderjaren is dit 11,175 jaren (4.023 / 360 dagen). Omdat uitsluitend volledige kalenderjaren tot korting leiden, wordt uitgegaan van 11 niet-verzekerde kalenderjaren. Dit leidt ertoe dat een korting van 22% op het AOW-pensioen moet worden toegepast.
Conclusie en gevolgen
23. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit meerdere motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de inhoudelijke uitkomst van het bestreden besluit niet wijzigt. De korting op het AOW-pensioen van eiser blijft dus 22%.
23.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de Svb het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 januari 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de Svb het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 17 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Algemene Ouderdomswet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:877.
Basisregistratie Personen.
Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285.
Zie Beleidsregel Ingezetene/wonen (SB1022).
Zie Beleidsregel Ingezetene/wonen (SB1022) en Band met Nederland (SB1273).
Zie Beleidsregel Ingezetene/wonen (SB1022).
Zie Beleidsregel Band met Nederland (SB1273).
Zie Beleidsregel Duurzame woning (SB1274).
Zie Beleidsregel Einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland (SB1027). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|