|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:9938 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 11881444/CV EXPL 25-3007 11881444/CV EXPL 25-3007 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Werknemer vordert betaling op basis van een afvloeiingsregeling. De kantonrechter wijst de vordering af. Uitleg regeling, niet voldaan aan de voorwaarden. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | gewassen | | | subsidies | | | suikerbieten | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11881444 \ CV EXPL 25-3007
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. F.C. van Uden,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. P.G. Vestering.
1De zaak in het kort
1.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [eisende partij] aanspraak heeft op de vergoeding uit de afvloeiingsregeling die met [gedaagde partij] is afgesproken.
1.2.
De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Dit wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ uitgelegd. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 36 (de productielijst bij de dagvaarding vermeldt productie 1 tot en met 39, maar producties 37 tot en met 39 ontbreken),
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 28,
de op 27 mei 2026 door [eisende partij] toegezonden producties 27 (de volledige verklaring, waar bij dagvaarding per abuis een deel van de verklaring was overgelegd) en 39 (onjuist genummerd, had 40 moeten zijn),
de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eisende partij] veronderstelde dat de producties 37 tot en met 39 ook waren toegezonden aan de rechtbank. Dat was niet het geval. Ook [gedaagde partij] had deze producties niet ontvangen. Mr. Van Uden heeft de betreffende producties bij brief van 9 juli 2026 aan de rechtbank en wederpartij toegezonden. Het betreft specificaties van juridische kosten.
2.4.
Deze producties worden niet geaccepteerd door de kantonrechter. De producties zijn 5 weken na de mondelinge behandeling toegezonden, terwijl al vonnis was bepaald in de zaak. De kantonrechter verwijst naar artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton. De producties 37 tot en met 39 maken dus geen onderdeel uit van het procesdossier.
3De feiten
3.1.
[gedaagde partij] is onderdeel van [Cooperatie] U.A. , een internationale agrarische coöperatie. [gedaagde partij] produceert plantaardige voeding, voedingsingrediënten, diervoeding en energie. [gedaagde partij] is holdingmaatschappij van verschillende werkmaatschappijen/bedrijfsonderdelen, waaronder [business group 1] (‘ [business group 1] ’) en [business group 2] . Deze werkmaatschappijen/bedrijfsonderdelen behoren tot het functioneel portfolio van [gedaagde partij] en worden ook wel aangeduid als Business Groups (‘BG’s’).
3.2.
De kernactiviteit van [business group 1] is het creëren van nieuwe waarde uit plantaardige bijproducten die overblijven bij de productie van levensmiddelen en biobrandstoffen uit gewassen zoals granen, suikerbieten en aardappelen.
3.3.
[business group 1] is in 1968 opgericht. In 1994 is [business group 1] onderdeel geworden van [business group 2] en in 2002 zijn zowel [business group 1] als [business group 2] onderdeel geworden van [gedaagde partij] . In 2008 werd [business group 1] een zelfstandige BG binnen [gedaagde partij] groep. In 2010 werd de structuur van de groep gewijzigd en werd [business group 1] een directe dochteronderneming van [gedaagde partij] . Sinds 2010 is [business group 1] niet langer dochter van [business group 2] , maar van [gedaagde partij] .
3.4.
[eisende partij] is op 1 mei 2000 in dienst getreden van [business group 1] als statutair directeur. In de arbeidsovereenkomst van [eisende partij] met [business group 1] is in artikel 9 een afvloeiingsregeling opgenomen:
“
Artikel. 9 Beëindiging
(…)
9.2
Indien beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de vennootschap niet haar uitsluitende reden vindt in een hoge mate van disfunctioneren aan de zijde van werknemer zal de vennootschap bij het einde van het dienstverband een schadeloosstelling aan werknemer betalen.
9.3
Evenzo zal werkgever aan werknemer een schadeloosstelling uitbetalen in geval van beëindiging van deze overeenkomst door werknemer op grond van het feit dat werknemer zijn functie niet langer wenst uit te oefenen uit hoofde van een zodanige wijziging in de omstandigheden dat van werknemer in redelijkheid niet kan worden gevergd zijn functie nog langer te vervullen.
9.4
Onder deze wijziging in omstandigheden wordt tevens verstaan fusie en overname, tenzij door de fusiepartners of de overnemende partij aan werknemer een arbeidsovereenkomst wordt aangeboden voor onbepaalde tijd in de functie van statutair directeur, adjunct-directeur of soortgelijke functie, waarbij aan werknemer een beloning wordt toegekend tenminste gelijk aan de laatstelijk ontvangen beloning, vermeerderd met emolumenten.
Voorts wordt onder wijziging in omstandigheden mede verstaan een reorganisatie of fundamentele wijziging van het gevoerde beleid, waardoor het functioneren van werknemer in hoge mate en direct wordt beïnvloed.
Tenslotte wordt onder wijziging in de omstandigheden tevens verstaan het aanstellen door werkgever van een rechtens en/of feitelijk hoger geplaatste directeur of andere functionaris boven werknemer gedurende de eerste 3 jaren van deze overeenkomst.
9.5
De schadeloosstelling als bedoeld onder 9.2 en 9.3 bedraagt 1 ½ periodesalaris (6 weken) voor elk vol kalenderjaar dat werknemer tot zijn 45-ste levensjaar in dienst is geweest van [business group 1] BV. Voor elk kalenderjaar vanaf de leeftijd van 45 jaar bedraagt deze vergoeding 2 periodes (8 weken) per vol kalender jaar. Zulks met een minimum van 3 periodes en een maximum van 26 periodes. Voornoemde vergoeding is inclusief vakantiegeld.”
De arbeidsovereenkomst is op 25 februari 2000 ondertekend door [eisende partij] en de heer [persoon 1] (‘ [persoon 1] ’) namens [business group 1] .
3.5.
[eisende partij] is in 2008 in dienst getreden van [gedaagde partij] , omdat het binnen [gedaagde partij] gebruikelijk was dat alle statutair bestuurders van de BG’s een arbeidsovereenkomst hadden met [gedaagde partij] . Partijen hebben een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. Daarin is opgenomen dat [eisende partij] met ingang van 1 mei 2008 bij [gedaagde partij] in dienst treedt en wordt aangesteld in de functie van directeur [business group 1] . In de begeleidende brief van 8 april 2008 bij de arbeidsovereenkomst is de in de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst overeengekomen afvloeiingsregeling opgenomen, met enkele tekstuele wijzigingen:
“Indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op initiatief van werkgever, en dit niet gebeurt om dringende redenen als bedoeld in artikel 7:678 lid 2 BW of vanwege het in hoge mate disfunctioneren van werknemer, zal werkgever aan werknemer een schadeloosstelling betalen.
Ook zal werkgever aan werknemer een schadeloosstelling uitbetalen in geval van beëindiging van deze overeenkomst door werknemer op grond van het feit dat werknemer zijn functie niet langer wenst uit te oefenen uit hoofde van een zodanige wijziging in de omstandigheden dat van werknemer in redelijkheid niet kan worden gevraagd zijn functie nog langer te vervullen.
Onder deze wijziging in omstandigheden wordt tevens verstaan fusie en overname, tenzij door de fusiepartners of overnemende partij aan werknemer een arbeidsovereenkomst wordt aangeboden voor onbepaalde tijd in de functie van statutair directeur, adjunct directeur of soortgelijke functie, waarbij een beloning wordt toegekend tenminste gelijk aan de laatstelijk ontvangen beloning. Voorts wordt onder verwijzing in de omstandigheden mede verstaan een reorganisatie of fundamentele wijziging van het gevoerde beleid, waardoor het functioneren van werknemer in hoge mate en direct negatief wordt beïnvloed.
De schadeloosstelling bedraagt 11,5% van het vaste bruto jaarsalaris voor elk vol kalenderjaar dat werknemer tot en met zijn 45e levensjaar in dienst is geweest van werkgever (Rekening houdend met hetgeen vermeld is in artikel 1 lid 1 van de arbeidsovereenkomst). Voor elk kalenderjaar vanaf de leeftijd van 45 jaar bedraagt deze vergoeding 15,4% van het vaste bruto jaarsalaris per vol kalenderjaar. De vergoeding bedraagt maximaal twee vaste bruto jaarsalarissen.”
3.6.
[eisende partij] werd vanaf 2008 lid van de [gedaagde partij] concerndirectie (‘de CD’), bestaande uit alle directeuren van de BG’s en directieleden met een functionele portefeuille.
3.7.
Op 1 januari 2015 is voor de laatste keer een nieuwe arbeidsovereenkomst overeengekomen tussen partijen. In de begeleidende brief van 15 januari 2015 bij deze arbeidsovereenkomst wordt bevestigd dat de afspraken rondom beëindiging van de arbeidsovereenkomst zoals opgenomen in de brief van 8 april 2008 van toepassing blijven. De betreffende brief is als bijlage 2 bij de arbeidsovereenkomst gevoegd en opnieuw ondertekend.
3.8.
De CD heeft op 16 september 2019 een gezamenlijke visie voor de toekomst van [gedaagde partij] groep vastgesteld. Dit leidt tot het visietraject ‘Conext’. Een van de onderdelen van deze nieuwe visie was ‘ [projectnaam] ’: “We gaan meer samen doen om onze gezamenlijke visie te realiseren. In plaats van dezelfde activiteiten op verschillende plaatsen, concentreren we activiteiten om ‘best in class’ te worden. (…)”
3.9.
Tijdens de vergadering van de CD van 28 november 2019 is in het kader van het onderwerp ‘follow-up [gedaagde partij] Visie traject’ gesproken over de logo’s:
“(…) Op dit moment is er nog sprake van een stuk samenhang in een aantal bestaande logo’s (…) en een stuk diversiteit ( [business group 1] , (…)). Hoe zien de CD leden dit? (…)
[persoon 2] , CEO, kantonrechter]: We hebben met elkaar een nieuwe visie afgesproken, we zoeken naar verbindingen en dat heeft impact op de betreffende logo’s van de bedrijven. (…)
Tijdens de presentatie van de logo’s vindt discussie plaats en wordt uiteindelijk gekozen voor voorstel C, identiek logo met de naam van de BG erachter. Op deze manier wordt een stap naar elkaar gemaakt en is de eenheid en verbinding zichtbaar. Onder dit logo in letters ‘A Royal [gedaagde partij] company’ toevoegen. (…)”
3.10.
Tijdens de CD-vergadering van 16 december 2019 is aan de hand van een presentatie over [projectnaam] gediscussieerd over het aansturingsmodel:
“We voeren de discussie aan de hand van een model met vier verschillende aansturingsconcepten: 1. Holding Company. 2. Strategic Guidance. 3. Strategic Control. 4. Integrated Operating Company. Met de visie schuift [gedaagde partij] op naar een concern dat meer impact wil hebben dan alleen een financiële doelstelling (Holding Company). Dit betekent niet dat alles vanuit het center wordt geregeld met een grote corporate staf, maar we gaan de staf wel versterken om meer te kunnen aanjagen en faciliteren. Bijvoorbeeld bij HR geldt dat het gezamenlijke beleid concreet wordt gemaakt door een team van betrokken HR managers. (…)
We concluderen dat [gedaagde partij] op een aantal punten richting strategic guidance zal bewegen. (…)
Strategic guidance vanuit de CD richting de businessgroepen betreft Innovatie, HR, Communication, Purchasing, Sustainability goals. Farmers Community, TPM, Finance, Legal, Corporate Development, Treasury, Public Affairs, ICT en Tax & Risk Management. Op een aantal van deze functionele gebieden is vandaag de dag reeds sprake van ‘strategic guidance’; op een aantal zal dit moeten worden versterkt.”
3.11.
In dezelfde vergadering wordt door mevrouw [directeur gedaagde] (‘ [directeur gedaagde] ’, directeur development [gedaagde partij] ) benoemd dat 2020 een transitiejaar wordt. [eisende partij] benadrukt het belang van behoud van lokale identiteit. De heer [CFO gedaagde] (CFO [gedaagde partij] ) geeft aan: “ [projectnaam] betekent wel dat we zaken echt gaan veranderen, alles blijft niet bij het oude, maar we moeten het wel met verstand uitvoeren.”
3.12.
[directeur gedaagde] heeft in een memo van 9 januari 2020 een concept besluit over de implementatie van de visie toegezonden aan de CD met als doel om het document in de vergadering van 13 januari 2020 definitief te maken. In het concept besluit is wat betreft [projectnaam] verwoord:
“Wij werken als één organisatie samen aan onze gezamenlijke visie en leggen daarbij verbindingen tussen verschillende onderdelen. In plaats van vergelijkbare activiteiten op verschillende plaatsen uitvoeren, gaan we activiteiten concentreren om zo “best in class” worden.
Vandaag hebben we al verschillende activiteiten succesvol gecentraliseerd, denk daarbij aan het
SSC-ICT
,
Risk Management
,
Treasury
,
Legal
,
Tax&Subsidies
. Onlangs hebben we daar
Public Affairs
aan toegevoegd.
Nieuw is dat we een aantal andere belangrijke gebieden hebben geïdentificeerd, waarop we gezamenlijke programma’s gaan inrichten met duidelijke doelstellingen en concrete resultaten. Deze programma’s zullen leidend en niet vrijblijvend zijn voor de onderdelen. De uitvoering zal worden geïnitieerd en gefaciliteerd door programmamanagers. Hiertoe zal de concernorganisatie worden versterkt of we vragen een talent, in dienst van een [gedaagde partij] onderdeel, om een [gedaagde partij] breed programma te trekken. De concerndirectie vormt de stuurgroep van alle [projectnaam] programma’s. (…)
Het programma voor
HR
zal zich richten op leiderschapsontwikkeling, recruitment & onboarding (arbeidsmarktcommunicatie) en op learning & development (inclusief IT systemen). Op deze wijze vinden en binden we talent en stimuleren we de ontwikkeling van onze mensen zodat zij in staat zijn het beste uit zichzelf te halen.
Communicatie
zal zich richten op de implementatie van de nieuwe merkarchitectuur, ontwikkelen van gezamenlijke communicatiekanalen, ontwikkelen van gezamenlijke content en de inrichting van een corporate brand portal (opslag – en managementsysteem). Zo bouwen we gezamenlijk aan een sterk [gedaagde partij] .
We gaan een
Lead Buying
programma introduceren, waarbij de besparingsdoelstelling 5 miljoen euro per jaar bedraagt. (…)”
3.13.
Tijdens de CD-vergadering van 4 mei 2020 is een presentatie gegeven over het onderwerp communicatie. Daarin is opgenomen dat het doel is om een online platform te introduceren, waarmee [gedaagde partij] en haar BG’s in staat zijn om binnen enkele uren en met één communicatiemiddel al hun medewerkers te bereiken.
3.14.
De medewerkers van [gedaagde partij] zijn via interne aankondigingen geïnformeerd over het visietraject:
“(…) Om de samenhang, verbondenheid en herkenbaarheid van onze activiteiten beter zichtbaar te maken hebben we voor [gedaagde partij] als geheel en onze afzonderlijke businessgroepen nieuwe, maar sterk op elkaar afgestemde beeldmerken ontwikkeld. Om de eenheid verder te ondersteunen krijgen deze
beeldmerken allemaal het onderschrift 'part of Royal [gedaagde partij] '. Uiteraard verandert er niets aan onze
consumentenmerken. Plannen voor aanpassing worden nu uitgewerkt.
We are [projectnaam] - Samen werken aan gemeenschappelijke doelen vanuit dezelfde visie
Om onze gemeenschappelijke visie te realiseren is het belangrijk dat wij binnen [gedaagde partij] meer en intensiever gaan samenwerken. In plaats van op verschillende plekken in ons bedrijf hetzelfde werk op verschillende manieren uit te voeren, gaan we meer met elkaar aan gemeenschappelijke doelen werken. Daar waar dat kan zullen we activiteiten meer concentreren en centraliseren om deze te sturen, effectiever te werken en ‘best practices’ te ontwikkelen. (…)
Alle programma’s zijn leidend en niet-vrijblijvend en worden geleid door nader te bepalen programmamanagers. De concerndirectie zal als stuurgroep gaan functioneren. (…)
[gedaagde partij] is volop in beweging en onze nieuwe visie geeft daarbij richting. De komende weken en maanden zullen wij de genomen besluiten verder gaan uitwerken, concretiseren en implementeren. (…)
Invoering functionele rapportagelijnen voor HR, Corporate Communication en Innovation
Sinds lange tijd bestaat er tussen de [gedaagde partij] CFO en de CFO's van de businessgroepen een functionele
rapportagelijn. Besloten is om dergelijke functionele rapportagelijnen ook in te voeren voor HR,
Communicatie en Innovatie. De hiërarchische rapportagelijnen blijven ongewijzigd. De direct
betrokkenen zijn hierover reeds door hun leidinggevenden geïnformeerd. (…)”
3.15.
[eisende partij] heeft zijn arbeidsovereenkomst bij brief van 31 juli 2020 opgezegd per 1 oktober 2020. [eisende partij] verwoordt de reden voor zijn opzegging als volgt:
“Zoals reeds op verschillende manieren besproken en door mij aan u persoonlijk kenbaar gemaakt, en aangegeven tijdens onze CD- vergaderingen, kan ik me niet vinden in de beleidsveranderingen die in gang gezet zijn na het vaststellen van de nieuwe visie van [gedaagde partij] .
Met name de ontwikkeling naar meer centralisatie vind ik niet werkbaar. Het instellen van functionele lijnen op het gebied van HR, innovatie en communicatie zijn voor mij niet acceptabel. Deze onderdelen van het bedrijf stuur ik nu zelf rechtstreeks aan omdat ik ervan overtuigd ben dat juist deze onderdelen de cultuur van het bedrijf en daarmee het succes van het bedrijf beïnvloeden. Dat is voor mij de reden om volledig grip te willen hebben op deze onderdelen. Zo was het altijd en dat is nu veranderd
waardoor de verantwoordelijken voor deze afdelingen ook worden aangestuurd door mensen buiten de organisatie
( [groep] ) waarvoor ik verantwoordelijk ben. (…)
Al deze wijzigingen (meer centraliseren) van het gevoerde beleid, naar aanleiding van de nieuwe visie, beïnvloeden mijn functioneren in hoge mate negatief. (…) Ik vind de omstandigheden zodanig gewijzigd dat de redelijkheid niet van mij kan worden gevraagd om mijn functie nog langer te vervullen. (…)”
3.16.
[eisende partij] geeft in zijn brief aan gebruik te willen maken van de overeengekomen afvloeiingsregeling.
3.17.
[gedaagde partij] wijst toepassing van de afvloeiingsregeling op 4 augustus 2020 af.
3.18.
De heer [persoon 3] (‘ [persoon 3] ’) heeft de eerste arbeidsovereenkomst uit 2000 (zie 3.4) in overleg met [persoon 1] en [eisende partij] opgesteld. In een schriftelijke verklaring van 29 augustus 2020 licht [persoon 3] de achtergrond van de afvloeiingsregeling als volgt toe:
“Waarom deze bepaling voor het geval jij zelf je ontslag zou indienen? Welnu, destijds bestond de mogelijkheid dat [business group 1] zou gaan fuseren of worden overgenomen door een derde partij. Jij ( [eisende partij] ) had toen als vorige werkgever [bedrijf] alwaar je een commerciële managementfunctie had. Maar je had een beperkt managementbereik en dat zou zo blijven. Doorgroei zat er niet in (denk bv. aan beide zoons [bedrijf] die van jouw leeftijd zijn en de commercieel eindverantwoordelijke die ook nog lang zou blijven).
In 2000 wilde je graag de overstap maken naar [business group 1] als je ook de volle, integrale managementverantwoordelijkheid zou krijgen en behouden. Maar dat kon [business group 2] , gelet op fusie/overname-onzekerheid niet spijkerhard garanderen.
Vandaar die bepaling; mocht je in die volle managementverantwoordelijkheid als gevolg van fusie of overname of wegens een andere reorganisatie of fundamentele beleidswijziging "gekort" worden, dan zou je op die grond toch voor compensatie in aanmerking komen. Ook als je zelf ontslag zou nemen. (…)”
3.19.
[persoon 1] heeft per e-mail van 18 september 2020 aangegeven de verklaring van [persoon 3] gelezen te hebben en dat deze precies de afspraken weergeeft die partijen hebben gemaakt bij de aanstelling van [eisende partij] bij [business group 1] .
3.20.
Correspondentie tussen de advocaten van partijen in september en oktober 2020 leidt niet tot een oplossing.
3.21.
Op 20 september 2022 vindt op verzoek van [eisende partij] een voorlopig getuigenverhoor plaats. Tijdens het verhoor zijn mevrouw [getuige 1] (‘ [getuige 1] ’), mevrouw [getuige 2] , de heer [getuige 3] (‘ [getuige 3] ’), [directeur gedaagde] en de heer [getuige 4] als getuigen gehoord.
3.22.
[getuige 1] verklaart:
“ Ik ben 25 mei 2020 hij [gedaagde partij] in dienst getreden in de functie van senior manager
corporate-communications. Ik ben per 1 maart 2021 daar weer uit dienst gegaan. Kort gezegd was mijn taak om de communicatie in de meest brede zin van het woord binnen [gedaagde partij] in samenwerking met alle dochtervennootschappen op de kaart te zetten. Vanzelfsprekend had zowel de Holding als elke businessgroep elk zijn eigen strategie. Het was geen marketingfunctie. De marketing werd uitgevoerd in de dochterondernemingen. De doelstelling van [gedaagde partij] was om samen met de businessgroepen het merk [gedaagde partij] te positioneren en lading te geven. Er bestaan 5 businessgroepen. Aan deze doelstelling ligt ten grondslag een visiedocument dat voor mijn indiensttreding al was gemaakt door de concern- directie. De concern-directie bestaat uit CEO en CFO en de 5 directeuren van de businessgroepen en ik dacht aangevuld met mevrouw [directeur gedaagde] . (…)
Op het niveau van de businessgroepen kon elke groep zijn strategie bepalen en uitvoering geven zolang het maar bleef binnen de contouren van de visie die was neergelegd in het document. (…)”
3.23.
[getuige 3] verklaart:
“In juni 2021 ben ik als statutair bestuurder aangesteld als CEO bij [gedaagde partij] . De heer
[eisende partij] ken ik niet. (…)
U vraagt mij of ik bekend ben met het project [projectnaam] . Dat ken ik vanzelfsprekend. Dat was al voor mijn komst in gang gezet. Op basis van dat [projectnaam] project is er sprake van functionele lijnen tussen de Holding en de businessunits. U vraagt mij of sprake is van centralisatie, daarvan is volgens mij geen sprake. Zoals ik al zei bestaan er functionele lijnen, maar dat is iets anders dan centralisatie. De functionele lijnen kenmerken zich door samenwerken. Zo werken wij nu samen met de businessunits. Hoe dat in het verleden ging, dat is van voor mijn tijd. (…)
De opdracht die ik bij mijn indiensttreding meekreeg was het gezonder maken van het bedrijf, prestatiesverbetering en toekomstbestendige groei realiseren. Door de Raad van Beheer is mij ook het project [projectnaam] voorgehouden. Mij is alle ruimte gegeven voor interpretatie en hoe we dit het beste zouden kunnen realiseren. De status nu is samenwerking in functionele lijnen en waarde toevoeging creëren, met behoud overigens van autonomie van de individuele divisies. De functionele leiders zitten in de Holding en werken samen met de functionele directeuren in de divisies. Zij werken samen en definiëren waar de samenwerking iets kan toevoegen aan de organisatie en de doelstellingen. De belangrijkste gebieden waar het project [projectnaam] op ziet zijn innovatie, HR, duurzaamheid en financieel. Communicatie vindt op businessniveau plaats, maar we hebben ook gekozen voor een communicatie waar gecommuniceerd wordt separaat op het niveau van de Holding en op het niveau van de businessunits. (…)”
3.24.
[directeur gedaagde] verklaart:
“Ik ben sinds 1990 in dienst bij [gedaagde partij] . De afgelopen 5 jaar maak ik deel uit van de concern directie. In mijn huidige functie van directeur corporate development. In 2019 zijn wij binnen de concern directie gaan werken aan een visie om toekomst bestendig te zijn. We hadden daarvoor een stip op de horizon gezet. 2030. Een van de middelen om daar te komen was onder andere om een betere samenwerking te realiseren tussen de diverse divisies en de holding in het bijzonder op de gebieden HR, innovatie, groeikracht, communicatie en procurement. Voordat we deze visie hadden ontwikkeld werkten wij op het niveau van de business units en de holding al veel in platforms samen. Die platforms bestonden dan uit medewerkers op de diverse werkgebieden zoals HR, communicatie etc. Om die samenwerking meer gestalte te geven en succesvol te maken was het van belang dat er meer
personele ondersteuning beschikbaar kwam. En dat hebben wij gerealiseerd middels programmamanagers die op de diverse programma's werden ingezet. De programma’s die daar uit voor vloeiden werden dan voorgelegd aan de concern directie. Met het inzetten van de nieuwe visie 2019/2020 was het verschil dat voor de realisatie voor de programma's programmamedewerkers werden ingezet. Maar in zowel voor en na de nieuwe visie moesten de concern directie over die programma’s beslissen. Voor wat betreft de zelfstandigheid van de directeuren van de zelfstandige units betekende dit geen grote wijziging omdat zij werkten op basis van mandaten die zij vanuit de directie van de holding hadden verkregen. Wat betreft de zeggenschap van directeur van de zelfstandige units veranderde er niets. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat de concern directie bestond uit de directeuren van de diverse business units, directeur innovatie, de CFO, de CEO en de directeur corporate development. (…)
Als er door de concern directie een bepaald besluit werd genomen, dan was men daar aan gecommitteerd. Dat was voor 2019/2020 en na 2019/2020 het geval. Men had immers gezamenlijk in de concern directie een besluit genomen en als daar een besluiten genomen was dan was men daar aan gecommitteerd. Wat betreft de besluitvorming binnen de concern directie was er voor en na 2019 geen sprake van enige wijziging. Wij werkten met een CEO model hetgeen betekent dat de CEO de beslissende stem heeft, maar in de vergadering werd natuurlijk gesproken en vergaderd en gezamenlijk een besluit genomen. Voor zover ik weet heeft de CEO nog nooit de macht stem te hoeven uitoefenen. Volgens mij werd altijd wel consensus bereikt. (…)”
3.25.
Anderen hebben een schriftelijke verklaring afgelegd. Het gaat om de heer [persoon 4] , mevrouw [persoon 5] en de heer [persoon 6] .
3.26.
Deen geeft in zijn schriftelijke verklaring van 22 april 2024 aan:
“Ik ben in januari 2020 in dienst getreden bij [gedaagde partij] als CEO van [business group 2] , een van de business units van [gedaagde partij] . Ik ben met ingang van juni 2022 weer uit dienst getreden.
2. Mijn standpunt komt erop neer dat ik vóór de implementatie van [projectnaam] grotendeels autonoom kon opereren, terwijl dat na implementatie vanaf eind 2019 niet meer het geval zou zijn. Door de instelling van functionele lijnen op het gebied van HR, Communicatie en Innovatie tussen het hoofdkantoor [gedaagde partij] en [business group 1] is de zeggenschap op voor [business group 1] belangrijke terreinen bij [gedaagde partij] komen te liggen, terwijl ik op die terreinen wel eindverantwoordelijk bleef voor [business group 1] . Hoe ziet u dat?
2.1
Ik kan niet uit eigen wetenschap over [business group 1] spreken, maar de situatie bij [business group 2] (en voor zover ik weet alle andere business units) was hetzelfde. Bij mijn aantreden was [gedaagde partij] in het kader van de implementatie van [projectnaam] bezig de structuur aan te passen: activiteiten die tot dan interne aangelegenheden waren van de business units (waaronder [business group 2] ) en waarover de business units volledige zeggenschap hadden, werden gecentraliseerd en vanuit [gedaagde partij] aangestuurd. (…)
2.2
De toenemende centralisatiedrang en mijn verlies aan autonomie waren voor mij mede een factor om als CEO van [business group 2] terug te treden. [gedaagde partij] wilde steeds meer direct invloed uitoefenen op [business group 2] . (…)
4. [gedaagde partij] stelt dat [projectnaam] de al bestaande samenwerking tussen de business units en de holding slechts verder gestalte heeft gegeven door de inzet van 'programmamanagers' of 'functionele leiders', vooral op het terrein van innovatie, HR, duurzaamheid, financiën en communicatie. Zij definiëren en implementeren vanuit de holding de diverse 'programma's' op deze terreinen, aldus [gedaagde partij] , maar de concerndirectie beslist. Hoe ziet u dat?
4.1
In de periode dat ik werkzaam ben geweest voor [business group 2] heb ik de bevoegdheden op de genoemde terreinen zien verschuiven van de business units naar centraal [gedaagde partij] .
4.2
Het essentiële punt is nogmaals dat de beslissingsbevoegdheid t.a.v. de gecentraliseerde terreinen is verplaatst van de business units naar de concerndirectie Waar vóór [projectnaam] de business units beslisten, besliste nadien de concerndirectie. In de concerndirectie maakt de CEO van [gedaagde partij] de dienst uit, dus de beslissingsbevoegdheid verschoof van de business units naar [gedaagde partij] .
4.3
[gedaagde partij] heeft sinds de implementatie van [projectnaam] niet alleen programmamanagers/functionele leiders aangesteld, maar ook andere mensen aangenomen die de centralisering ondersteunen. Hierdoor is het beleid t.a.v. de gecentraliseerde terreinen in bijna alle aspecten (definiëren, initiëren, beslissen, implementeren) van de business units naar [gedaagde partij] overgeheveld.
5. [gedaagde partij] stelt dat dat de 'programma's' in het kader van [projectnaam] vrijblijvend waren
en niet leidend. Hoe ziet u dat?
5.1
Als hiermee wordt bedoeld dat de business units op de gecentraliseerde terreinen desgewenst hun eigen koers konden blijven varen is dat onjuist. Als [gedaagde partij] zo’n programma had vastgesteld was dit dus leidend en niet vrijblijvend. (…)”
3.27.
[eisende partij] stuurt [gedaagde partij] op 26 maart 2025 de concept dagvaarding met de vraag of zij alsnog bereid is de zaak te regelen. [gedaagde partij] geeft daarop aan geen aanleiding te zien om een regeling te treffen.
4Het geschil
4.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde partij] veroordeelt om aan hem een bedrag van € 644.194,36 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2020. Ook vordert [eisende partij] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 11.726,72 inclusief btw, (advocaat)kosten die gemaakt zijn in het kader van het voorlopig getuigenverhoor en de advocaatkosten voor het opstellen van de concept dagvaarding. Tot slot vordert [eisende partij] veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. [eisende partij] vraagt uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, zodat het vonnis ook direct kan worden uitgevoerd als [gedaagde partij] in hoger beroep gaat.
4.2.
[eisende partij] baseert zijn vordering op de tussen partijen overeengekomen afvloeiingsregeling.
4.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
4.4.
De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling van het geschil in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van de vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.
5De beoordeling
5.1.
Deze zaak draait om de vraag of [eisende partij] aanspraak heeft op de vergoeding uit de overeengekomen afvloeiingsregeling. [eisende partij] meent van wel, [gedaagde partij] meent van niet. De inhoudelijke discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag hoe de afvloeiingsregeling moet worden uitgelegd en vervolgens of er wordt voldaan aan de voorwaarden van de afvloeiingsregeling.
Hoe moet de afvloeiingsregeling worden uitgelegd?
De standpunten van partijen
5.2.
[eisende partij] stelt onder verwijzing naar de verklaringen van [persoon 3] en [persoon 1] (zie 3.18 en 3.19) dat de afvloeiingsregeling in essentie dient als zekerheid voor [eisende partij] voor het geval in de toekomst aan zijn grotendeels autonome positie mocht worden getornd. De in 2000 overeengekomen afvloeiingsregeling is in 2008 enkel gemoderniseerd en redactioneel aangepast, er is geen sprake van een materiële wijziging. [gedaagde partij] is als rechtsopvolger van [business group 1] sinds 2008 evenzeer gebonden aan de afvloeiingsregeling en de ratio die hier sinds 2000 aan ten grondslag ligt, namelijk bescherming van [eisende partij] indien [gedaagde partij] aan zijn autonome positie mocht tornen, aldus [eisende partij] .
5.3.
[gedaagde partij] betwist bij gebrek aan wetenschap de specifieke uitleg die [eisende partij] onder verwijzing naar verklaringen van [persoon 3] en [persoon 1] geeft aan de afvloeiingsregeling. [gedaagde partij] kan dat niet meer nagaan. De beweerde ratio van de afvloeiingsregeling komt in ieder geval niet terug in de bewoordingen daarvan. [gedaagde partij] betwist dat de afvloeiingsregeling vandaag de dag nog steeds exact dezelfde betekenis zou hebben. Er is in 2008 een nieuwe afvloeiingsregeling overeengekomen, met andere partijen en in gewijzigde omstandigheden. Om die reden moet voor de uitleg rekening gehouden worden met die gewijzigde omstandigheden en andere partijbedoelingen. De afvloeiingsregeling is geen statisch beding. Of op enig moment sprake is van een ‘fundamentele wijziging’ die het functioneren ‘in hoge mate direct negatief’ beïnvloedt, dient afgezet te worden tegen alle wijzigingen die door de jaren heen hebben plaatsgevonden. De tekst van de afvloeiingsregeling zelf maakt duidelijk dat sprake is van een zware toets. De gebruikte woorden maken duidelijk dat de positie van [eisende partij] ingrijpend aangetast zou moeten worden in die zin dat hij zijn functie als bestuurder en CEO eigenlijk niet meer normaal zou kunnen uitoefenen voordat een beroep op de afvloeiingsregeling mogelijk is. [eisende partij] tracht met zijn stelling dat de afvloeiingsregeling aan de orde is in het geval ‘ [gedaagde partij] aan zijn autonome positie zou tornen’ een minder zware toets te introduceren, aldus [gedaagde partij] .
Het oordeel van de kantonrechter
5.4.
Partijen zijn het er over eens dat de maatstaf voor de uitleg van de afvloeiingsregeling volgt uit het welbekende Haviltex- arrest. Deze maatstaf houdt samengevat in dat de kantonrechter bekijkt hoe beide partijen de bepaling hebben begrepen en redelijkerwijs mochten begrijpen. Ook is van belang wat partijen in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle concrete omstandigheden van het geval van belang, gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Tot deze omstandigheden van het geval horen bijvoorbeeld: a) de tekst van de overeenkomst, b) omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór het sluiten van de overeenkomst, en c) omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná het sluiten van de overeenkomst.
5.5.
Toepassing van de Haviltex- maatstaf brengt de kantonrechter in deze zaak tot het volgende.
5.6.
De afvloeiingsregeling is in 2000 tussen [eisende partij] en [business group 1] overeengekomen. [eisende partij] heeft verklaringen in de procedure ingebracht van [persoon 3] en [persoon 1] , waarin zij de reden voor het overeenkomen van de afvloeiingsregeling weergeven. Samengevat gaat het om het behoud van [eisende partij] van volle, integrale managementverantwoordelijkheid. [gedaagde partij] heeft deze gestelde bedoeling bij gebrek aan wetenschap betwist. Dat is onvoldoende om uit te gaan van een andere achtergrond van de afvloeiingsregeling.
5.7.
In 2008 is een nieuwe arbeidsovereenkomst overeengekomen, waarbij [gedaagde partij] om formele redenen in plaats van [business group 1] werkgever van [eisende partij] is geworden (zie 3.5). De afvloeiingsregeling is op dat moment gemoderniseerd en redactioneel aangepast. De wijzigingen zien op aspecten die door de tijd zijn achterhaald: in de oorspronkelijke regeling is bijvoorbeeld gesproken over de eerste 3 jaar na het aangaan van de overeenkomst. Die zijn in 2008 uiteraard al voorbij, zodat die verwijzing is weggehaald. Ook is de berekening aangepast omdat [gedaagde partij] het salaris maandelijks uitbetaalt, in plaats van de vierwekelijkse uitbetaling die gold onder [business group 2] . De stelling van [eisende partij] dat de afvloeiingsregeling materieel ongewijzigd is gebleven en de wijzigingen beperkt zijn gebleven tot een redactionele aanpassing en modernisering, is niet weersproken door [gedaagde partij] . Ook staat als niet weersproken vast dat de afvloeiingsregeling in 2015 bij het aangaan van de laatste arbeidsovereenkomst tussen partijen geen wijzigingen heeft ondergaan.
5.8.
Het voorgaande betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat de bedoeling die partijen bij het overeenkomen van de afvloeiingsregeling in 2000 hadden ook in 2008 en in 2015 nog relevant is. [gedaagde partij] stelt de vraag (randnummer 53 van het verweerschrift) waarom zij ‘bij het afspreken van een (nieuwe) afvloeiingsregeling in 2008 gebonden zou zijn aan de beweerdelijke bedoelingen van andere partijen uit 2000’. Het antwoord op die vraag is dat er geen nieuwe afvloeiingsregeling met andere bedoelingen overeen is gekomen na 2000, maar de gelding van de al overeengekomen regeling enkel is (her)bevestigd. Er is enkel sprake van een redactionele wijziging in 2008.
5.9.
Volgens de tekst van de afvloeiingsregeling zoals die sinds 2008 luidt, kan [eisende partij] aanspraak maken op een vergoeding bij ontslagname indien hij ‘zijn functie niet langer wenst uit te oefenen uit hoofde van een zodanige wijziging in de omstandigheden dat van werknemer in redelijkheid niet kan worden gevraagd zijn functie nog langer te vervullen’. Een dergelijke wijziging van omstandigheden wordt met voorbeelden geduid, waarbij uit de formulering (‘wordt tevens verstaan’, ‘mede verstaan’) blijkt dat het gaat om niet limitatieve voorbeelden. Een van de voorbeelden betreft ‘een reorganisatie of fundamentele wijziging van het gevoerde beleid, waardoor het functioneren van werknemer in hoge mate en direct negatief wordt beïnvloed.’ Het uiteindelijke criterium voor het inroepen van de afvloeiingsregeling bij ontslagname door [eisende partij] blijft dus dat er sprake moet zijn van een situatie waarin van hem in redelijkheid niet kan worden gevraagd zijn functie nog langer te vervullen vanwege een ‘zodanige wijziging van omstandigheden’. Dit is een open norm.
5.10.
Gelet op de achtergrond van de afvloeiingsregeling en de gekozen bewoordingen van de afvloeiingsregeling volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat deze open norm zo moet worden uitgelegd dat de wijziging van omstandigheden het nodige gewicht en substantie moet hebben. Niet elk ‘tornen’ aan de autonomie van [eisende partij] als bestuurder van [business group 1] valt daaronder. Aan de andere kant is ook niet pas aan het criterium voldaan als [eisende partij] geen enkele autonomie meer heeft en volledig gereduceerd is tot uitvoerder van beleid vanuit [gedaagde partij] . De autonomie moet door [gedaagde partij] zodanig worden ingeperkt dat van een bestuurder in redelijkheid niet kan worden gevraagd om die rol nog langer te vervullen, gegeven wat bij de rol van een bestuurder op dat moment past.
5.11.
Deze uitleg is naar het oordeel van de kantonrechter ook het meest aannemelijk, gelet op het feit dat een werknemer bij ontslagname als uitgangspunt geen vergoeding ontvangt, zoals door [gedaagde partij] ook wordt benoemd. Het is aannemelijk dat enkel van dit uitgangspunt wordt afgeweken in zwaarwegende omstandigheden.
Wordt voldaan aan de voorwaarden van de afvloeiingsregeling?
5.12.
De vraag is of [eisende partij] geconfronteerd is met een ‘zodanige wijziging in de omstandigheden dat van werknemer in redelijkheid niet kan worden gevraagd zijn functie nog langer te vervullen’, in de zin zoals hiervoor weergegeven.
5.13.
De kantonrechter toetst dit naar het moment van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [eisende partij] . Dat betekent echter niet dat wijzigingen die zich na het moment van opzegging hebben voorgedaan niet relevant zijn voor de beoordeling. Ook wijzigingen die zouden worden doorgevoerd, maar op het moment van opzegging nog niet doorgevoerd waren, spelen een rol voor zover [eisende partij] er redelijkerwijs vanuit moest en mocht gaan dat die wijzigingen er binnen afzienbare termijn zouden komen. Een uitvergroot voorbeeld ter verduidelijking: als [gedaagde partij] zou afkondigen dat [eisende partij] twee maanden later geen enkele beleidsvrijheid en autonomie als bestuurder van [business group 1] meer zou hebben, dan zou [eisende partij] het daadwerkelijke ingangsmoment van die beslissing niet hoeven af te wachten om aanspraak te kunnen maken op de afvloeiingsregeling.
De standpunten van partijen
5.14.
Volgens [eisende partij] leidt ‘ [projectnaam] ’ vanaf eind 2019 tot een ingrijpende wijziging van de managementstructuur. Vóór [projectnaam] vindt uitsluitend informeel overleg plaats in werkgroepen waarin kennis wordt gedeeld. Beleid wordt niet ontwikkeld en van enige aansturing, zeggenschap of functionele lijnen is evenmin sprake. [eisende partij] moet voor een handvol buitengewone besluiten goedkeuring vragen aan [gedaagde partij] , maar verder ligt de zeggenschap binnen [business group 1] vrijwel uitsluitend bij [eisende partij] . De rol van [gedaagde partij] was die van financier. Ná [projectnaam] functioneert [business group 1] niet langer als zelfstandige werkmaatschappij. Zaken die tot dat moment interne aangelegenheden zijn van [business group 1] (en de andere werkmaatschappijen) en waarover [eisende partij] volledige zeggenschap heeft, worden gecentraliseerd en voortaan vanuit het hoofdkantoor van [gedaagde partij] functioneel aangestuurd. Concreet betekent dit dat op allerlei terreinen functionele lijnen worden ingesteld tussen [gedaagde partij] en [business group 1] , te beginnen met communicatie, innovatie en HR. Het zijn niet langer [eisende partij] en zijn medewerkers die op deze cruciale gebieden het beleid bepalen en uitvoeren, maar managers van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft aangekondigd dat dit nog maar het begin is. Ook op andere terreinen zal centralisering plaatsvinden. Hoewel [eisende partij] een belangrijk deel van zijn zeggenschap en invloed verliest, blijft hij wel volledig verantwoordelijk voor de prestaties van [business group 1] . Het verlies van beleidsvrijheid en autonomie, terwijl hij wel geheel eindverantwoordelijk blijft voor [business group 1] , houdt een fundamentele beleidswijziging in die het functioneren van [eisende partij] in hoge mate en direct negatief beïnvloedt. De praktische uitvoering van [projectnaam] krijgt vooral zijn beslag na het vertrek van [eisende partij] per 1 oktober 2020. De stand van zaken was echter zodanig dat hij geen afwachtende houding hoefde aan te nemen, aldus [eisende partij] .
5.15.
Volgens [gedaagde partij] is er geen sprake van een fundamentele wijziging. Ten eerste geldt dat er voor 2020 ook al beperkingen bestonden in de autonomie waarmee [eisende partij] [business group 1] kon leiden, deze was nooit absoluut. Er waren allerlei besluiten die goedkeuring behoefden en de BG’s moesten jaarlijks verantwoording afleggen over hun beleid en hun financiële resultaten aan [gedaagde partij] . Ten tweede is er in 2020 een aantal wijzigingen doorgevoerd, maar waren deze beperkt: deze leidden niet tot het verloren gaan van de autonomie van [business group 1] c.q. [eisende partij] . Voor de meeste onderdelen veranderde er niets. Voor maar twee onderdelen was sprake van versterkte samenwerking in groepsverband: innovatie en communicatie. Nog los van de vraag of dit de meest wezenlijke onderdelen voor de bedrijfsvoering van [business group 1] zijn, geldt dat voor de meeste (andere) bedrijfsactiviteiten van [business group 1] zoals productie, verkoop en marketing niets werd gewijzigd. Op het gebied van HR is in 2020 niks gewijzigd, terwijl dit wel één van de ambities was bij de nieuwe visie van [gedaagde partij] . De reden hiervoor is dat er op het gebied van HR al veel gezamenlijk beleid was en dat er al een actief P&O platform was dat ook functioneerde als functionele lijn. Een idee om nog te komen tot een nieuwe functionele lijn voor HR is er uiteindelijk daarom niet gekomen. De wijzigingen die plaatsvonden op het gebied van innovatie en communicatie waren beperkt/ondersteunend van aard; deze raakten niet de autonomie van de BG’s. [eisende partij] meent ten onrechte dat hij met het instellen van enkele functionele lijnen op het gebied van innovatie en communicatie buitenspel wordt gezet. Een functionele lijn betekent dat één (of meer) medewerkers van [business group 1] ook rapporteren aan een directeur van [gedaagde partij] . Deze medewerkers bleven echter ook rapporteren en verantwoording schuldig aan [eisende partij] zelf als CEO; zij handelden binnen het mandaat dat zij binnen [business group 1] hadden. Met andere woorden: [eisende partij] kon deze werknemers zelf blijven aansturen, zij zouden niet iets kunnen beslissen dat niet binnen het beleid van [business group 1] past. Ingeval er op de gezamenlijke terreinen beleid werd ontwikkeld (bijvoorbeeld via functionele lijnen), werd het gezamenlijke beleid eerst ter goedkeuring aan de CD voorgelegd. [eisende partij] had dus op twee momenten invloed: vooraf bij de totstandkoming van het beleid via zijn HR, communicatie of innovatiemanager en bij de goedkeuring van het beleid in de CD. Ten derde geldt dat de opzegging van [eisende partij] prematuur was. De uitvoering van [projectnaam] begon in 2020, waarbij een groot deel van de ideeën zich nog in een beginstadium bevonden en nog moesten worden uitgewerkt in concrete plannen. Er werd geluisterd naar de bezwaren en ervaringen vanuit de BG’s, zodat [eisende partij] wel degelijk invloed kon uitoefenen op de koers van de visie, aldus [gedaagde partij] .
Het oordeel van de kantonrechter
5.16.
De kantonrechter constateert dat partijen het feitelijk vrijwel eens zijn over de mate van autonomie en zeggenschap die [eisende partij] tot de inzet van [projectnaam] binnen [business group 1] had. [eisende partij] erkent dat de autonomie en zeggenschap niet absoluut waren, en [gedaagde partij] erkent dat [eisende partij] binnen [business group 1] veel ruimte had om het eigen beleid te voeren. Er zullen ongetwijfeld nuances blijven, maar feitelijk ontlopen partijen elkaar niet zozeer in hun stellingen.
5.17.
De directe reden voor [eisende partij] om zijn arbeidsovereenkomst op zeggen is gelegen in de veranderingen die in het kader van [projectnaam] zijn geïntroduceerd en aangekondigd. Dat blijkt expliciet uit zijn opzeggingsbrief (zie 3.15). De kern van het geschil zit dan ook in de wijzigingen die [projectnaam] met zich mee heeft gebracht voor de positie van [eisende partij] : in welke mate heeft [projectnaam] geleid tot een inperking van de zeggenschap en autonomie van [eisende partij] binnen [business group 1] ? Daarin staan partijen tegenover elkaar. [eisende partij] stelt samenvattend dat hij op belangrijke terreinen is gereduceerd tot uitvoerder van [gedaagde partij] beleid, [gedaagde partij] stelt daar samenvattend tegenover dat vrijwel alles bij het oude is gebleven.
5.18.
Zowel [eisende partij] als [gedaagde partij] hebben ter onderbouwing van hun stellingen verwezen naar diverse producties. Beschouwing daarvan leidt tot het volgende.
5.19.
Het aansturingsmodel binnen de groep is met [projectnaam] opgeschoven naar (in ieder geval) een strategic guidance aansturingsmodel in plaats van een holding company model op bepaalde terreinen (zie 3.10). Dit betekende meer centralisering dan voorheen het geval was. Dit was ook het doel van [projectnaam] , zo blijkt bijvoorbeeld uit het concept besluit over de implementatie van de visie (zie 3.12): “Wij werken als één organisatie samen aan onze gezamenlijke visie en leggen daarbij verbindingen tussen verschillende onderdelen. In plaats van vergelijkbare activiteiten op verschillende plaatsen uitvoeren, gaan we activiteiten concentreren om zo “best in class” worden.
5.20.
De belangrijkste (voorgenomen) wijziging van [projectnaam] was de invoering van functionele rapportagelijnen voor de terreinen HR, communicatie en innovatie (zie onder andere 3.14). Bij de instelling van de functionele lijnen hoorde de introductie van programmamanagers, die op de verschillende terreinen programma’s gingen uitzetten. De programma’s die daaruit voortvloeiden werden ter goedkeuring voorgelegd aan de CD. Deze programma’s zouden leidend zijn en niet vrijblijvend voor de BG’s. Waar voorheen enkel een rapportagelijn naar de statutair directeur van de BG liep, kwam daar een functionele rapportagelijn bij richting [gedaagde partij] . Binnen de CD gold het CEO-model, inhoudende dat de CEO van [gedaagde partij] de uiteindelijk beslissende stem had. Dit model gold al jaren voor invoering van [projectnaam] .
5.21.
Op het terrein van communicatie bestond het voornemen om een ‘employee engagement app’ te introduceren, een communicatiemiddel waarmee alle medewerkers binnen het concern bereikt konden worden (voor bijvoorbeeld het delen van [gedaagde partij] nieuwsbrieven). Deze app is uiteindelijk niet gerealiseerd. Ook werd voor een nieuw logo gekozen, waaruit bleek dat de BG’s onderdeel waren van het [gedaagde partij] concern (zie 3.9).
5.22.
Uit de opzeggingsbrief van [eisende partij] blijkt dat het instellen van functionele lijnen op de gebieden HR, communicatie en innovatie voor hem niet acceptabel waren. Hierin zat voor hem de bottleneck. [eisende partij] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht aan de hand van het onderwerp HR, een volgens [eisende partij] wezenlijk onderwerp voor het succes van een onderneming, reden voor hem om al zijn personeel zelf aan te nemen. Waar de HR manager voorheen enkel aan [eisende partij] hoefde te rapporteren, en hij zelf als directeur volledige zeggenschap had over het beleid op het gebied van HR, kwam daar met [projectnaam] verandering in. Er ontstond een functionele lijn tussen de HR manager en [gedaagde partij] rechtstreeks. [eisende partij] zou volgens hem de zeggenschap verliezen maar wel de volledige verantwoordelijkheid blijven dragen voor het resultaat van de onderneming.
5.23.
De kantonrechter heeft begrip voor deze opvattingen van [eisende partij] , die ook zullen passen binnen zijn leiderschapsstijl, maar zoals ook tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dient de kantonrechter de wijzigingen die [projectnaam] met zich mee heeft gebracht en de impact daarvan op de autonomie en zeggenschap van [eisende partij] te objectiveren.
5.24.
De kantonrechter is van oordeel dat [projectnaam] wel degelijk veranderingen teweeg hebben gebracht die de zeggenschap en autonomie van [eisende partij] als statutair directeur van [business group 1] hebben geraakt. De opschuiving naar het strategic guidance model en het instellen van functionele lijnen, die maakten dat er naast de directe lijn naar [eisende partij] ook een lijn naar [gedaagde partij] ging lopen, tonen dat aan. Daarbij is duidelijk geworden dat er geen sprake is van vrijblijvendheid. Deze wijzigingen betekenden dat [eisende partij] te maken kreeg c.q. te maken zou krijgen met meer [gedaagde partij] -brede kaders waarbinnen hij zijn management verantwoordelijkheid diende te realiseren dan vóór [projectnaam] .
5.25.
De kantonrechter deelt niet het standpunt van [eisende partij] dat in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd om deze veranderingen te accepteren. De veranderingen die [gedaagde partij] heeft willen doorvoeren komen voort uit de wens om ‘als groep meer te zijn dan de som der delen’ en zijn begrijpelijk en (op langere termijn) mogelijk zelfs noodzakelijk. Bovendien behield [eisende partij] als lid van de CD zijn invloed op de bepaling van het beleid. Uit de notulen van de vergaderingen van de CD blijkt ook dat [eisende partij] zijn stem liet horen. Dat de CD geen enkele invloed had op de bepaling van het beleid omdat de CEO de beslissende stem had, is door [gedaagde partij] weersproken en is door [eisende partij] niet voldoende inzichtelijk/aannemelijk gemaakt. [directeur gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat er binnen de CD altijd naar consensus werd gestreefd en in het overgrote deel van de gevallen ook werd behaald. Ook geldt naar het oordeel van de kantonrechter dat de centraliserende verandering die [projectnaam] op bepaalde terreinen teweeg heeft gebracht, inhoudelijk niet maakt dat [eisende partij] de invulling daarvan op voor hem belangrijke punten niet meer zelfstandig kon bepalen voor [business group 1] . Neem HR: niet is vast komen te staan dat het instellen van een functionele rapportagelijn inhield dat [eisende partij] niet meer bevoegd was om zelfstandig zijn personeel aan te nemen en te ontslaan (een wezenlijk onderwerp voor [eisende partij] ). [eisende partij] had wat betreft het terrein communicatie moeite met de beoogde app. Dat er een middel zou komen om alle werknemers binnen het [gedaagde partij] concern te kunnen bereiken, betekent niet dat de communicatie die daarbinnen gedeeld zou worden de zeggenschap en autonomie van [eisende partij] binnen [business group 1] zou raken.
5.26.
Gelet op de belangen van [gedaagde partij] bij [projectnaam] en de in materiële en formele zin onvoldoende zwaarwichtige aantasting van de (voorheen ook al niet volledige) autonomie en zeggenschap van [eisende partij] is er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een situatie waarin van [eisende partij] in redelijkheid niet kon worden gevraagd zijn functie nog langer te vervullen. De voorwaarde om de afvloeiingsregeling in te kunnen roepen is dan ook niet vervuld, hetgeen tot afwijzing van de vordering van [eisende partij] leidt.
Proceskosten
5.27.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
2.882,00
(2 punten × € 1.441,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.026,00
5.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
6.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 3.026,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken door mr. Eijssen- Vruwink op 7 oktober 2026.
Productie 1 bij dagvaarding.
Productie 4 bij dagvaarding.
Productie 5 bij dagvaarding.
Presentatie uitgangspunten ‘ [gedaagde partij] in transitie – wat we samen gaan doen’, slide 10, zoals ingebracht als productie 15 bij conclusie van antwoord.
Productie 6 bij dagvaarding.
Productie 7 bij dagvaarding.
Productie 8 bij dagvaarding.
Productie 10 bij dagvaarding.
Productie 14 bij dagvaarding.
Productie 15 bij dagvaarding.
Productie 2 bij dagvaarding.
Productie 3 bij dagvaarding.
De processen-verbaal van de getuigenverhoren zijn ingebracht als productie 29 bij dagvaarding.
Productie 26 bij dagvaarding. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|