Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9951 
 
Datum uitspraak:07-10-2026
Datum gepubliceerd:23-10-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:C/02/442964 / HA ZA 25-67
Rechtsgebied:Goederenrecht
Indicatie:Geen erfdienstbaarheid door vestiging of verjaring. Uitleg ruilverkavelingsakte.
Trefwoorden:perceel
vee
waterschap
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/442964 / HA ZA 25-678


Vonnis van 7 oktober 2026


in de zaak van



[persoon 1]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. E. Vels,

tegen



[persoon 2]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. A.J.M. van der Borst.





1De zaak in het kort


1.1.

[persoon 1] en [persoon 2] zijn buren van elkaar. In 2015 heeft een ruilverkaveling plaatsgevonden waarbij zij eigenaar zijn geworden van meerdere naast elkaar liggende percelen. [persoon 1] is eigenaar van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] en [persoon 2] is eigenaar van de percelen [perceel 3] , [perceel 4] en [perceel 5] . Over de percelen van [persoon 1] loopt een pad naar de openbare weg. In de ruilverkavelingsakte is opgenomen dat [persoon 2] van dit pad gebruik mag maken.



1.2.

[persoon 2] maakt van het pad gebruik door vanuit perceel [perceel 5] , via perceel [perceel 3] , over het pad op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] naar de openbare weg te gaan. Volgens [persoon 1] is het gebruik van het pad op die manier niet toegestaan. Volgens [persoon 2] wel, omdat zij mede-eigenaar van het pad is. Mocht de rechtbank hier niet in meegaan dan is volgens [persoon 2] sprake van een recht van overpad voor perceel [perceel 5] , door vestiging dan wel verjaring.



1.3.
De rechtbank oordeelt dat [persoon 2] geen mede-eigenaar is van het pad dat over de percelen van [persoon 1] loopt. Ook is geen sprake van een gevestigde erfdienstbaarheid of van een erfdienstbaarheid door verjaring ten behoeve van de andere percelen van [persoon 2] . Dat betekent dat het [persoon 2] niet is toegestaan om vanuit perceel [perceel 5] , via perceel [perceel 3] , over het pad op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] naar de openbare weg te gaan. Hierna legt de rechtbank dit oordeel uit.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 april 2026 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 6, 7 en 8,
- de akte met productie 3 van [persoon 2] ,
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van mr. G. Willemsen, als waarnemer voor mr. Vels, en
- de op de mondelinge behandeling overgelegde kavelkaart.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





3De feiten


3.1.
Op 23 oktober 2015 heeft ‘Ruilverkaveling [locatie] ’ plaatsgevonden. [persoon 1] is daarbij eigenaar geworden van twee percelen die kadastraal bekend zijn als [kadastrale aanduiding 1] (verder te noemen: [perceel 1] ) en [kadastrale aanduiding 2] (verder te noemen: [perceel 2] ).

[persoon 3] is eigenaar geworden van twee percelen, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 3] (verder te noemen: [perceel 6] ) en [kadastrale aanduiding 4] (verder te noemen: [perceel 3] ). [persoon 3] was op dat moment gehuwd met [persoon 2] . Perceel [perceel 6] is later opgesplitst en de percelen zijn sindsdien kadastraal bekend met de nummers [perceel 4] en [perceel 5] (verder te noemen: [perceel 4] en [perceel 5] ).



3.2.
Met het overlijden van [persoon 3] is [persoon 2] , als zijn erfgename, eigenaar geworden van de percelen [perceel 4] , [perceel 5] en [perceel 3] .



3.3.
Perceel [perceel 3] grenst aan de percelen [perceel 1] en [perceel 2] . Perceel [perceel 2] grenst aan de openbare weg, namelijk het [straat 1] . De percelen [perceel 4] en [perceel 5] grenzen ook aan de openbare weg, namelijk de [straat 2] . Tussen de percelen [perceel 5] en [perceel 3] bevindt zich een sloot, met perceelnummer [perceel 7] .



3.4.
Over de percelen [perceel 3] , [perceel 1] en [perceel 2] loopt een pad. Dit pad komt uit op het [straat 1] .



3.5.
Ter verduidelijking wordt de volgende afbeelding toegevoegd. Het pad is aangeduid met een zwarte stippellijn.

[afbeelding geanonimiseerd]



3.6.
Voorafgaand aan de ruilverkaveling, namelijk op 15 januari 2013, hebben [persoon 1] en [persoon 3] tijdens een hoorzitting een afspraak over het pad gemaakt met de bestuurscommissie [locatie] van de Provincie Noord-Brabant. Hierover is het volgende opgenomen in het verslag van de hoorzitting:


“In het oorspronkelijke inrichtingsplan zou het pad overgaan naar de gemeente Zundert, naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State wordt dit terug gedraaid. Er ligt nu een wijzigingsvoorstel over de verdeling van dit pad. De oppervlakte van het pad gaat om niet naar dhr. [persoon 1] en dhr. [persoon 3] . Dhr. [persoon 1] dient recht van weg te verlenen aan dhr. [persoon 4] en dhr. [persoon 3] . Het onderhoud van dit pad zal door alle 3 de partijen uitgevoerd worden. Er komt geen erfdienstbaarheid op het pad voor andere partijen. Alle 3 de partijen geven aan akkoord te gaan met dit wijzigingsvoorstel.”




3.7.
In de ruilverkavelingsakte van 23 oktober 2015 zijn vervolgens de volgende bepalingen opgenomen over het eigendom van de percelen en over het pad:


“ [persoon 1] , (…) het geheel in eigendom,


Kavel [kavel 1] ( [kadastrale aanduiding 1] ), (…) Kavel [kavel 2] ( [kadastrale aanduiding 2] )”



“ [persoon 3] , (…), gehuwd met [persoon 2] , het geheel in eigendom,


Kavel [kavel 3] ( [kadastrale aanduiding 3] ), (…),


Kavel [kavel 4] ( [kadastrale aanduiding 4] )”



“De erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de openbare weg ten behoeve van kavels [kavel 4] en [kavel 5] en ten laste van kavels [kavel 1] en [kavel 2] zoals is aangegeven op de kavelkaart”.




3.8.
Vanwege de sloot die zich tussen de percelen [perceel 5] en [perceel 3] bevindt, konden [persoon 3] en [persoon 2] ten tijde van de ruilverkaveling niet vanuit perceel [perceel 5] naar perceel [perceel 3] toe. De provincie heeft op hun verzoek een dam met duiker aangelegd. Het waterschap heeft daartoe op 15 april 2016 de benodigde vergunning verleend. Een aantal jaar later is een tweede duiker aangelegd. Inmiddels kan [persoon 2] daarom op twee manieren van perceel [perceel 5] naar perceel [perceel 3] .



3.9.

[persoon 2] verhuurt grond, namelijk een gedeelte van perceel [perceel 5] en het volledige perceel [perceel 3] . Voor zijn werkzaamheden maakt de huurder gebruik van het pad dat vanuit perceel [perceel 3] , via percelen [perceel 1] en [perceel 2] naar het [straat 1] loopt. Hij doet dat deels rechtsreeks vanuit perceel [perceel 3] , maar ook door vanaf perceel [perceel 5] , over de sloot (perceel [perceel 7] ), via perceel [perceel 3] naar de percelen [perceel 1] en [perceel 2] en zo naar het [straat 1] te gaan.



3.10
Op 6 juni 2023 heeft mevrouw [persoon 5] van Stichting Achmea Rechtsbijstand, namens [persoon 1] aan [persoon 3] bericht dat er oneigenlijk gebruik gemaakt werd van zijn grond.



3.11.
Op 8 december 2025 heeft [persoon 1] [persoon 2] gedagvaard in deze procedure.





4Het geschil


in conventie



4.1.

[persoon 1] vordert, samengevat:


een verklaring voor recht dat er geen recht van overpad bestaat voor de percelen [perceel 4] en [perceel 5] om gebruik te maken van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] ,



[persoon 2] te veroordelen tot het onmiddellijk (doen) staken van het gebruik, op laste van een dwangsom, en



[persoon 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure.





4.2.

[persoon 1] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [persoon 2] inbreuk maakt op zijn eigendom omdat zij, althans haar huurder, zonder daartoe gerechtigd te zijn vanuit perceel [perceel 5] over de percelen [perceel 1] en [perceel 2] naar de openbare weg gaat.


4.3.

[persoon 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.
Zij voert daartoe primair aan dat zij mede-eigenaar is van het gehele pad. Subsidiair stelt zij dat zij rechtmatig gebruikmaakt van het pad omdat [perceel 3] een gevestigde erfdienstbaarheid heeft en meer subsidiair stelt zij dat door verkrijgende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van perceel [perceel 5] .



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.


in reconventie




4.5

[persoon 2] vordert, samengevat:



[persoon 1] te veroordelen tot inschrijving van het pad als mede-eigendom van [persoon 2] in de openbare registers, op laste van een dwangsom, en



[persoon 1] te veroordelen in de kosten van deze procedure.





4.6.

[persoon 2] legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat zij, als gevolg van de afspraak die op 15 januari 2013 gemaakt is, mede-eigenaar is van het gehele pad.



4.7.

[persoon 1] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 2] , met veroordeling van [persoon 2] in de kosten van deze procedure. Hij betwist dat [persoon 2] mede-eigenaar is van het gehele pad.



4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


in conventie en in reconventie



5.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [persoon 2] (en derden zoals haar huurder) vanaf perceel [perceel 5] via [perceel 3] van het pad op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] van [persoon 1] gebruik mag (mogen) maken. [persoon 2] stelt in reconventie dat zij mede-eigenaar is van het gehele pad, dus ook voor het gedeelte dat zich op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] bevindt. Dit voert zij ook als verweer aan tegen de vorderingen van [persoon 1] . Wanneer [persoon 2] inderdaad mede-eigenaar van het pad is, heeft zij ook het recht om van dat eigendom gebruik te maken en mag zij over het pad komen en gaan, ook vanaf [perceel 5] . Een eventuele erfdienstbaarheid is daarvoor dan niet nodig. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of [persoon 2] mede-eigenaar is van het gehele pad. Wanneer zij geen mede-eigenaar is, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire stellingen. Die houden in dat [persoon 2] (ook) vanaf perceel [perceel 5] via [perceel 3] van het pad op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] gebruik mag maken op grond van de gevestigde erfdienstbaarheid, althans dat zij die erfdienstbaarheid door verjaring heeft verkregen.


Eigendom van het pad




5.1.

[persoon 1] beroept zich op zijn eigendomsrecht: volgens hem maakt [persoon 2] daar inbreuk op wanneer zij gebruik maakt van het pad op zijn percelen (art. 5:2 BW) vanaf perceel [perceel 5] . Dat [persoon 1] eigenaar is van het pad, wordt door [persoon 2] niet betwist. Wel stelt [persoon 2] dat niet alleen [persoon 1] , maar ook zijzelf eigenaar is van het gehele pad.



5.2.
Om de vraag te beantwoorden of [persoon 2] mede-eigenaar is van het pad moeten de betreffende bepalingen hierover in de ruilverkavelingsakte worden uitgelegd. Voor die uitleg geldt een objectieve maatstaf. De partijbedoeling is alleen relevant voor zover deze in de akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, bezien in het licht van de gehele akte. De tekst van de akte is bij deze uitleg dus heel belangrijk. De gedachte hierachter is dat derden moeten weten wat de rechten en plichten zijn bij de koop van een onroerende zaak.



5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de letterlijke tekst van de ruilverkavelingsakte dat de percelen die aan [persoon 1] en [persoon 3] , de rechtsvoorganger van [persoon 2] , zijn toebedeeld, in hun geheel aan [persoon 1] en [persoon 3] zijn geleverd. De bepalingen spreken immers over “het geheel in eigendom”. Over het (eigendom van het) pad wordt niet gerept. Het pad heeft ook geen eigen perceelnummer gekregen. Bovendien is voor gebruikmaking van het pad dat over de percelen van [persoon 1] loopt door anderen dan [persoon 1] in de akte een erfdienstbaarheid gevestigd. Dat zou niet nodig zijn geweest als het de bedoeling was om het pad in zijn geheel in eigendom over te dragen aan [persoon 1] en [persoon 3] . De tekst van de akte kan daarom niet anders uitgelegd worden dan dat het de bedoeling was dat de percelen in hun geheel eigendom werden van [persoon 1] en [persoon 3] , inclusief het pad voor zover dat zich op het betreffende perceel bevond. De kavelkaart biedt geen aanknopingspunten voor een andere uitleg. Dat betekent dat [persoon 1] eigenaar is van het pad voor zover dat zich op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] bevindt en dat [persoon 2] , als rechtsopvolger van [persoon 3] , eigenaar is van het pad voor zover dat zich op perceel [perceel 3] bevindt.



5.4.
De rechtbank moet uitgaan van de juistheid van de inhoud van de akte van 23 oktober 2015 (art. 157 Rv). Als de bedoeling van partijen volgens [persoon 2] destijds afweek van wat in de akte is opgenomen, is het aan haar om dat te onderbouwen. [persoon 2] beroept zich daartoe op de afspraak van 15 januari 2013. Ook uit die afspraak volgt echter dat partijen het nodig hebben gevonden om een erfdienstbaarheid te vestigen. Als het pad gezamenlijk eigendom zou worden, was dit niet aan de orde geweest. Uit deze afspraak volgt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat de bedoeling van partijen niet overeenstemde met hetgeen in de akte is opgenomen.



5.5.
Het voorgaande betekent dat [persoon 2] geen mede-eigenaar is van het pad en dat de tegenvorderingen van [persoon 2] daarom worden afgewezen.


Erfdienstbaarheid




5.6.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de subsidiaire stellingen van [persoon 2] . Die stellingen gaan uit van de gevestigde erfdienstbaarheid, althans dat een erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring op grond waarvan zij gebruik mag maken van het pad over de percelen [perceel 1] en [perceel 2] van [persoon 1] . [persoon 1] betwist deze stellingen gemotiveerd. De rechtbank zal de stellingen van [persoon 2] achtereenvolgens bespreken.


Gevestigde erfdienstbaarheid




5.7.
Voor perceel [perceel 3] is een erfdienstbaarheid gevestigd ten laste van perceel [perceel 1] en [perceel 2] . Partijen zijn het erover eens dat die erfdienstbaarheid een recht van overpad inhoudt op grond waarvan [persoon 2] , of haar huurder, vanaf perceel [perceel 3] gebruik mag maken van het pad op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] om van en naar de openbare weg ( [straat 1] ) te komen en te gaan. Volgens [persoon 2] maakt zij echter ook op rechtmatige wijze gebruik van het recht van overpad van perceel [perceel 3] als zij vanaf haar perceel [perceel 5] , via perceel [perceel 3] , over de percelen [perceel 1] en [perceel 2] naar de openbare weg gaat. Volgens [persoon 1] laat de gevestigde erfdienstbaarheid dergelijk gebruik niet toe.



5.8.
Een erfdienstbaarheid is een last, waarmee een onroerende zaak – het dienende erf – ten behoeve van een andere onroerende zaak – het heersende erf – is bezwaard (art. 5:70 BW). Het zinsdeel ‘ten behoeve van’ houdt kort gezegd in dat de eigenaar van het heersend erf (hier: perceel [perceel 3] ) enig voordeel moet hebben van de erfdienstbaarheid bij het gebruik van zijn erf. Naar het oordeel van de rechtbank is daar geen sprake van wanneer [persoon 2] perceel [perceel 3] enkel gebruikt om van perceel [perceel 5] naar de percelen [perceel 1] en [perceel 2] te gaan. De rechtbank ziet niet in welk voordeel dit voor perceel [perceel 3] zou kunnen opleveren. [persoon 2] heeft hierover ook geen feiten of omstandigheden aangedragen.



5.9.
Daarnaast heeft [persoon 2] gesteld dat het bij de vestiging van de erfdienstbaarheid in de ruilverkavelingsakte de bedoeling is geweest dat ook de percelen [perceel 4] en [perceel 5] het recht zouden hebben om via perceel [perceel 3] naar de percelen [perceel 1] en [perceel 2] te gaan. Dat volgt niet uit de (bewoordingen van de) akte. Ook hier geldt voor de uitleg een objectieve maatstaf. In de akte staat ondubbelzinnig omschreven dat er een erfdienstbaarheid voor het gebruik van de weg wordt gevestigd ten behoeve van perceel [perceel 3] . Ten behoeve van perceel [perceel 6] , inmiddels bekend als [perceel 4] en [perceel 5] , is geen erfdienstbaarheid gevestigd. Bovendien was het op het moment van de ruilverkaveling niet mogelijk om van de percelen [perceel 4] en [perceel 5] , naar perceel [perceel 3] te gaan. Dat was pas mogelijk na het aanleggen van de eerste dam met duiker in 2016.



5.10.
Het voorgaande betekent dat er geen erfdienstbaarheid is gevestigd voor de percelen [perceel 4] en [perceel 5] om over het pad op de percelen van [persoon 1] te komen en gaan naar de openbare weg.


Erfdienstbaarheid door verjaring




5.11.

[persoon 2] stelt meer subsidiair dat zij tien jaar, namelijk sinds de ruilverkaveling op 23 oktober 2015, te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van het pad vanaf perceel [perceel 5] , zodat zij door verjaring een erfdienstbaarheid heeft verkregen. [persoon 1] betwist dit: volgens hem wordt pas van het pad gebruik gemaakt sinds de exploitatie van de boomkwekerij van de huurder.



5.12.
De rechtbank overweegt dat een erfdienstbaarheid ontstaat door vestiging of door (verkrijgende of bevrijdende) verjaring (art. 5:72 BW). Een erfdienstbaarheid door verjaring
ontstaat door een onafgebroken bezit van tien jaar, te goeder trouw (verkrijgende verjaring, art. 3:99 BW), of door onafgebroken bezit van twintig jaar (bevrijdende verjaring, art. 3:105 BW). Voor bevrijdende verjaring is bezit te goeder trouw niet vereist. [persoon 2] beroept zich op verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW).



5.12.
Zoals [persoon 2] ter zitting heeft verklaard, was het ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid in de ruilverkavelingsakte niet mogelijk om vanuit perceel [perceel 5] perceel [perceel 3] te bereiken vanwege de sloot die zich tussen die percelen bevindt. Het was nodig om dammen met duikers aan te leggen, waarvan de eerste pas kon worden geplaatst na de verlening van de vergunning daartoe op 15 april 2016. De verjaringstermijn is dus op die datum gaan lopen. Op 6 juni 2023 heeft mevrouw [persoon 5] van Stichting Achmea Rechtsbijstand, namens [persoon 1] aan [persoon 2] bericht dat er oneigenlijk gebruik gemaakt werd van zijn grond en dat zij daarmee moest stoppen. Op 8 december 2025 heeft [persoon 1] [persoon 2] gedagvaard in deze procedure. Dat zijn een schriftelijke aanmaning (art. 3:317 BW) respectievelijk een daad van rechtsvervolging (art. 3:316 BW). Daarmee is de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot het beëindigen van het bezit, en daarmee ook de verkrijgende verjaring, gestuit (art. 6:104 lid 1 BW). Dat betekent dat, als al sprake zou zijn van bezit te goeder trouw, de vereiste termijn van tien jaar niet is verstreken Alleen al om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake zijn van een erfdienstbaarheid door verkrijgende verjaring.



5.13.
Dit betekent dat op perceel [perceel 5] geen erfdienstbaarheid rust ten laste van perceel [perceel 1] en [perceel 2] . De door [persoon 1] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen. Ook de vordering om [persoon 2] te veroordelen tot het staken van het gebruik van het pad vanaf het perceel [perceel 5] , zullen daarom worden toegewezen. Wel zal de rechtbank bepalen dat [persoon 2] het gebruik pas hoeft te staken na verloop van veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis. Zo heeft zij voldoende tijd om haar huurder in te lichten en eventuele aanpassingen te doen aan haar erf zodat haar huurder via de percelen [perceel 4] en [perceel 5] naar de openbare weg (de [straat 2] ) kan gaan. Op de mondelinge behandeling heeft [persoon 2] namelijk verklaard dat dat op dit moment niet op een veilige manier kan, omdat op de percelen [perceel 4] en [perceel 5] vee (met een stroomdraad) en een ijssalon staan.


Dwangsom




5.14.
Ook de door [persoon 1] gevorderde last van dwangsom zal worden toegewezen. [persoon 2] heeft zich hiertegen niet verweerd. Het gevorderde bedrag, inclusief het voorgestelde maximum aan te verbeuren dwangsommen, komt de rechtbank redelijk voor en vormt voldoende prikkel tot nakoming.


Proceskosten




5.15.

[persoon 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom zowel in conventie als in reconventie de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De proceskosten van [persoon 1] in conventie worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


146,14







- griffierecht


€


341,00







- salaris advocaat


€


1.306,00


(2 punten × € 653,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.941,14









De proceskosten van [persoon 1] in reconventie worden begroot op:









- salaris advocaat


€


653,00


(1 punt × € 653,00)




- nakosten


€


148,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


801,00









Omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie, wordt het salaris van de advocaat gebaseerd op 1 punt (een half punt voor de conclusie van antwoord in reconventie en een half punt voor de mondelinge behandeling).



5.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.


Uitvoerbaar bij voorraad




5.17.
Een verklaring voor recht kan naar zijn aard niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat deze op zichzelf niet afgedwongen kan worden. De vordering van [persoon 1] om de verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wordt daarom afgewezen.





6De beslissing

De rechtbank


in conventie



6.1.
verklaart voor recht dat er geen recht van overpad bestaat voor perceel [plaats] [perceel 6] , thans bekend als [plaats] perceel [perceel 4] en [perceel 5] om gebruik te mogen maken van de percelen [plaats] [perceel 1] en [perceel 2] ,



6.2.
veroordeelt [persoon 2] tot het staken van het gebruik van de percelen [plaats] [perceel 1] en [perceel 2] van [persoon 1] vanaf perceel [plaats] [perceel 6] , thans bekend als [plaats] perceel [perceel 4] en [perceel 5] door haarzelf dan wel door derden, binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis,



6.3.
veroordeelt [persoon 2] om aan [persoon 1] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere keer dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet als omschreven in 6.2, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,



6.4.
veroordeelt [persoon 2] in de proceskosten van € 1.941,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,


in reconventie




6.5.
wijst de vorderingen van [persoon 2] af,



6.6.
veroordeelt [persoon 2] in de proceskosten van € 801,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,


in conventie en in reconventie




6.7.
veroordeelt [persoon 2] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.8
veroordeelt [persoon 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2, 6.3, 6.4, 6.6, 6.7 en 6.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.










Dit vonnis is gewezen door mr. Van Onzenoort en in het openbaar uitgesproken op
7 oktober 2026.
















































HR 8 december 2000, NJ 2001/350.


HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9168.
Link naar deze uitspraak