Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:9977 
 
Datum uitspraak:14-10-2026
Datum gepubliceerd:02-11-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 26/1580 WIA
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Weigering WIA-uitkering. Eiseres is minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1580 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. M. Akça-Altun,

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen.


1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.
Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Feiten en procesverloop
2. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de
volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is werkzaam geweest als inpakker bij [B.V.] voor gemiddeld 35,70 uur per week. Dit dienstverband is geëindigd op 10 april 2022. Eiseres is op 7 juni 2022 vanuit de WW uitgevallen vanwege psychische en lichamelijke gezondheidsklachten. Eiseres ontving vanaf 11 april 2022 een WW-uitkering en vervolgens vanaf 11 juli 2022 een Ziektewet-uitkering (ZW). In verband het met einde van de wachttijd is op 16 februari 2024 door eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.

3. Het UWV heeft met het besluit van 28 mei 2024 (primair besluit) geweigerd per 4
juni 2024 aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing van haar bezwaar
heeft zij medische stukken overgelegd en toestemming verleend om medische informatie op te vragen bij verschillende zorgverleners.
5. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 is het bezwaar van eiseres ongegrond
verklaard.


5.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



5.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



5.3
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 september 2026.
Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] .




Beoordeling door de rechtbank


Grondslag bestreden besluit

6. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres minder
dan 35% arbeidsongeschikt is.


Wettelijk kader

7. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden
in de bijlage bij deze uitspraak.


Toetsingskader

8. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiseres
medische beperkingen heeft en of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.


Het medisch onderzoek van de (verzekerings)artsen

9. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd
op rapporten van een UWV-arts (medisch oordeel akkoord bevonden door een verzekeringsarts) en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b).


9.1
De UWV-arts heeft eiseres gezien en gesproken tijdens het spreekuur op 29 april
2024. Er heeft zowel een psychisch als lichamelijk onderzoek plaatsgevonden, waarvan een uitgebreid verslag is gemaakt. Ook is het dagverhaal bij eiseres uitgevraagd. Er is door de UWV-arts geen informatie bij derden opgevraagd.

De UWV-arts heeft gerapporteerd dat bij eiseres sprake is van een vestibulaire functiestoornis, hoge bloeddruk en gewrichtsklachten in de schouder, rug, heup en knie. Er is vastgesteld dat eiseres plausibel en consistent belemmeringen heeft bij het werken. Eiseres is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en zonder veel deadlines of productiepieken. Zij is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist en zonder verhoogd persoonlijk risico. Zij kan immers vaak duizelig zijn en verliest dan de controle. Eiseres kan ook beperkt omgaan met conflicten, is niet geschikt voor beroepsmatig vervoer en is beperkt in trillingsbelasting op de rug. Haar linkerhand vertoont een lichte krachtbeperking ten opzichte van haar rechterhand. Verder is eiseres beperkt in buigen, duwen, trekken, tillen, dragen, lopen, trappenlopen en klimmen. De noodzaak bestaat dat zij zichzelf regelmatig moet kunnen vertreden en lang staan en zitten is niet goed mogelijk. Ook is eiseres aangewezen op een regelmatig dag- en nachtritme en maximaal 8 werkuren per dag en 40 werkuren per week. Volgens de UWV-arts is door de beperkingen sprake van verminderde functionele mogelijkheden. De beperkingen en belastbaarheid van eiseres heeft de UWV-arts neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 april 2024.



9.2
De verzekeringsarts b&b heeft eiseres gezien en gesproken tijdens de hoorzitting
van 22 september 2025. Hiervan is een uitgebreid verslag opgenomen in de rapportage. De verzekeringsarts b&b heeft medische informatie opgevraagd bij de psychiater van eiseres en dit betrokken in de heroverweging. Daarnaast is de rapportage van de UWV-arts en alle gegevens die eiseres in bezwaar heeft overgelegd betrokken in het eigen onderzoek van de verzekeringsarts b&b.

Volgens de verzekeringsarts b&b is de belastbaarheid van eiseres op de datum in geding juist weergegeven in de FML. Bij de heroverweging heeft een lichamelijk onderzoek geen toegevoegde waarde, omdat de UWV-arts een uitgebreid medisch onderzoek heeft verricht, welke meer toeziet op de datum in geding. Daarnaast is al medische informatie aangeleverd en opgevraagd. Terecht is aangenomen dat eiseres benutbare mogelijkheden heeft. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat bij eiseres geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Eiseres is immers op de datum in geding niet opgenomen op medische indicatie, er is geen sprake van bedlegerigheid en ze is niet ADL-afhankelijk. Ook is geen sprake van onvermogen in persoonlijk en sociaal functioneren of een aandoening met slechte prognose op korte termijn.

De aangenomen beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren zijn volgens de verzekeringsarts b&b passend, daar rekening wordt gehouden met het feit dat eiseres verminderd stressbeperkt is. De psychische problematiek was bekend en wordt in de ontvangen medische informatie bevestigd. Voor aanvullende beperkingen is geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat sprake is van ernstigere psychische problematiek dan waarvan de UWV-arts is uitgegaan. Verder worden de fysieke beperkingen passend geacht, omdat eiseres is aangewezen op fysiek lichte arbeid. De fysieke, chronische lichamelijke klachten waren bekend en de aangenomen beperkingen zijn passend bij het lichamelijk onderzoek door de UWV-arts. Daarnaast zijn voor de ervaren duizeligheid voldoende beperkingen aangenomen, doordat eiseres beperkt is ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico, beroepsmatig chauffeuren, trappenlopen en klimmen. Voor een verdergaande urenbeperking bestaat geen aanleiding, omdat geen noodzaak bestaat voor recuperatie. Wanneer rekening wordt gehouden met de gestelde beperkingen en voorwaarden in arbeid, wordt voorzien in voldoende lage energetische belasting. De verzekeringsarts b&b komt tot de conclusie dat de belastbaarheid van eiseres op de datum in geding juist is weergegeven in de FML van 29 april 2024.


De medische beroepsgronden



9.3
Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat het
onderzoek is verricht door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts en dat daardoor het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiseres heeft verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarin is geoordeeld dat het medisch onderzoek dient te worden verricht door een geregistreerde verzekeringsarts. Het gebrek kan volgens eiseres niet worden hersteld door het toetsen en voor akkoord ondertekenen door een verzekeringsarts. In bezwaar heeft ook geen medisch onderzoek meer plaatsgevonden, terwijl eiseres wel werd gebeld met de mededeling dat een verzekeringsarts nog een onderzoek zou uitvoeren. Ook zijn voor het nemen van het primaire besluit geen medische stukken opgevraagd. Verder stelt eiseres dat de inhoud van de brief van de psychiater onvoldoende is meegenomen in de beoordeling. Ook is in de FML aangegeven dat de verwachte verbetering van de belastbaarheid redelijk tot goed is. Eiseres voert aan dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Ten slotte verzoekt eiseres dat een onafhankelijke deskundige wordt ingeschakeld.

Eiseres benadrukt dat geen nieuwe medische gegevens zijn opgevraagd voor het opstellen van de FML. In een eerdere FML – in het kader van de ZW, meer specifiek een Eerstejaars Ziektwet-beoordeling (EZWB)– waren beperkingen aangenomen met betrekking tot het sociaal functioneren en de fysieke omgevingseisen, maar in de FML van de UWV-arts zijn deze niet aangenomen. Er heeft echter geen verbetering opgetreden in de medische situatie van eiseres. De aanpassing is niet nader door de UWV-arts onderbouwd. Verder zijn aanpassingen gedaan ten opzichte van dynamische handelingen en statische houdingen, welke ook niet nader zijn onderbouwd. Ook heeft eiseres aangevoerd dat zij wegens haar lichamelijke en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Tot slot is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen, terwijl wel sprake is van een verhoogde recuperatiebehoefte door haar slaapproblemen.


Het verweer



9.4
In het verweerschrift wordt betwist dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is
geweest. Uit de rapportage blijkt dat de verzekeringsarts b&b aandacht heeft besteed aan alle klachten van eiseres en geen klachten over het hoofd heeft gezien. Ook is de ingebrachte informatie van de behandelend psychiater, anesthesioloog, anesthesioloog-pijnspecialist, chirurg, orthopedisch chirurg, neuroloog, KNO-arts, alsmede de reeds in het dossier bekende medische informatie meegewogen in het oordeel. Ook de medische informatie ontvangen van de psychiater is meegewogen. De verzekeringsarts b&b heeft eiseres tijdens de hoorzitting gesproken en observaties gedaan. Zoals in de rapportage staat vermeld, was voldoende medische informatie beschikbaar en was al een uitgebreid lichamelijk onderzoek door de UWV-arts verricht. De verzekeringsarts b&b blijft bij het standpunt dat de beperkingen passend worden geacht en dat geen aanleiding bestaat om zwaardere beperkingen aan te nemen. In beroep worden geen nieuwe feiten of omstandigheden genoemd die het medisch oordeel wijzigen.



9.5
De verzekeringsarts b&b heeft middels de rapportage van 18 augustus 2026
gereageerd op de beroepsgronden. Er is geen aanvullende medische informatie aangeleverd welke toeziet op de datum in geding of waaruit blijkt dat sprake is van een andere, ernstige medische situatie. De ingebrachte stukken geven daarom geen aanleiding het ingenomen standpunt te wijzigen.


Beoordeling van het medisch onderzoek



Was het onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig?

10. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek onzorgvuldig is
geweest, onder andere doordat het is verricht door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts. In de primaire fase is eiseres gezien door een UWV-arts en het sociaal-medisch oordeel is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts. De CRvB heeft voor de fase van primaire besluitvorming aanvaard dat er geen aanleiding is om een rapport van een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts als onzorgvuldig aan te merken, indien een verzekeringsarts in zijn hoedanigheid van mentor/begeleider dit rapport met zijn handtekening voor zijn rekening heeft genomen. In de uitspraak die eiseres in beroep heeft aangehaald, was het verslag van de UWV-arts niet medeondertekend door de verzekeringsarts en was ook geen verzekeringsarts betrokken in de bezwaarfase. Die uitspraak verschilt dus van deze situatie, waarbij wel een verzekeringsarts b&b is betrokken.



10.1
Hoewel als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht en er dus feitelijk sprake is van een contact met deze verzekeringsarts, heeft naar het oordeel van de rechtbank de verzekeringsarts b&b in zijn rapportages voldoende gemotiveerd waarom in dit geval een dergelijk (tweede) lichamelijk onderzoek niet nodig was. Bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar is het namelijk niet (altijd) vereist dat een verzekeringsarts b&b de betrokkene onderzoekt op een spreekuur. Afhankelijk van wat in bezwaar in de concrete situatie speelt, kan de verzekeringsarts b&b er ook voor kiezen gebruik te maken van andere onderzoeksmogelijkheden, zoals dossieronderzoek, het opvragen van medische informatie en/of het bijwonen van de hoorzitting. Er heeft medisch onderzoek plaatsgevonden middels dossierstudie, het opvragen van stukken en observaties tijdens de hoorzitting. Hoewel de hoorzitting geruime tijd na de datum in geding plaatsvond, was dit niet de enige reden waarom de verzekeringsarts b&b geen meerwaarde zag in het verrichten van een lichamelijk onderzoek; mede gelet op de tijdens de bezwaarfase aangeleverde en opgevraagde informatie had dit geen toegevoegde waarde.



10.2
Ook heeft eiseres in het kader van het onderzoek aangevoerd dat zij door het
UWV is gebeld met de mededeling dat een verzekeringsarts nog een onderzoek zou verrichten. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden. Niet alleen bevatten de stukken geen telefoonnotitie van een dergelijk gesprek, maar ook de rapportage van de UWV-arts geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het telefoongesprek (wel) heeft plaatsgevonden. Aangezien de rechtbank niet is gebleken dat deze toezegging is gedaan, kan de rechtbank hier geen gevolgen aan verbinden.



10.3
Daarnaast heeft eiseres erop gewezen dat in een eerdere FML in het kader van de
EZWB een aantal beperkingen was aangenomen en aangepast ten aanzien van sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen, maar dat de UWV-arts deze niet heeft aangenomen in de FML van 29 april 2024. Daarbij is geen onderbouwing gegeven, terwijl de medische situatie van eiseres niet is verbeterd. De rechtbank is van oordeel dat op dit punt (inderdaad) sprake is van een motiveringsgebrek. Het gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) echter worden gepasseerd, omdat de verzekeringsarts b&b met de rapportage van 18 augustus 2026 alsnog inzicht heeft gegeven in de overwegingen en eiseres hierdoor niet benadeeld is. Ook als het gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.



10.4
Tot slot is in het kader van het onderzoek aangevoerd dat geen medische stukken
zijn opgevraagd voordat het primaire besluit werd genomen. Ook is volgens eiseres de reactie van de psychiater van 7 oktober 2025 onvoldoende meegenomen in de beoordeling in bezwaar. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Uit het dossier blijkt dat in het kader van de EZWB al een aantal medische stukken beschikbaar was over het ziektebeeld van eiseres. Ook blijkt uit de ingevulde vragenlijst dat met betrekking tot het verloop van de ziekte niets is veranderd ten opzichte van de EZWB. Naar het oordeel van de rechtbank bestond daarom voor de UWV-arts geen aanleiding om medische stukken op te vragen. Zoals neergelegd in vaste rechtspraak, kan een (verzekerings)arts in beginsel op zijn eigen oordeel afgaan bij het vaststellen van beperkingen, dus in dit geval van de bevindingen door zijn eigen medisch onderzoek. Bovendien is het de rechtbank gebleken dat de reactie van de psychiater wel is betrokken in het onderzoek. De gegevens die zijn samengevat in de rapportage van de verzekeringsarts b&b komen overeen met de brief van de psychiater. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat die gegevens zijn meegenomen in de beoordeling. De beroepsgrond dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, slaagt niet.


Moet eiseres volledig arbeidsongeschikt worden geacht?

11. Eiseres heeft gesteld dat zij wegens haar lichamelijke en psychische klachten
volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. De rechtbank ziet geen reden om de overwegingen van de verzekeringsarts b&b in twijfel te trekken. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b inzichtelijk gemotiveerd dat bij eiseres geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De beroepsgrond van eiseres dat zij volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, slaagt niet.


Zijn de medische beperkingen van eiseres onderschat?

12. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de rapportages van de
(verzekerings)artsen dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten en belemmeringen. De psychische problematiek en de fysieke, chronische klachten waren bij de (verzekerings)artsen bekend en kenbaar betrokken in hun beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd waarom de beperkingen passend worden geacht. Daarbij is de beschikbare medische informatie meegenomen. Uit de hoorzitting is gebleken dat eiseres diverse klachten ervaart, maar bij het onderzoek door haar behandelaren is voor bepaalde klachten geen oorzaak gevonden. Bij het vaststellen van de belastbaarheid wordt echter niet alleen afgegaan op de door eiseres aangegeven klachten en belemmeringen, maar met name op de geobjectiveerde medische afwijkingen die de klachten kunnen verklaren. Volgens vaste rechtspraak is immers de subjectieve beleving van klachten niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiseres zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen.

Niet gebleken is dat in de FML van 29 april 2024 de beperkingen van eiseres zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiseres meer beperkt moet worden, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.


Moet een urenbeperking worden aangenomen?

13. Volgens de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid kan de verzekeringsarts de
duurbelastbaarheid van een betrokkene beperken op grond van de volgende indicatiegebieden:


Stoornis in de energiehuishouding: als er wegens een aandoening extra recuperatieperiodes nodig zijn.


Preventief: bij een aandoening waarvan bekend is dat ziekteverschijnselen optreden of verergeren.


Verminderde beschikbaarheid: als de betrokkene wegens een noodzakelijke behandeling niet in staat is arbeid te verrichten.



De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat bekend is dat eiseres slaapproblemen ondervindt. Uit de hoorzitting en de primaire rapportage is echter gebleken dat eiseres overdag niet slaapt, waardoor geen noodzaak bestaat tot een recuperatieperiode. De rechtbank stelt vast dat de slaapproblemen van eiseres zijn geobjectiveerd. Dat eiseres slaapproblemen ondervindt, maakt echter nog niet dat sprake is van een noodzaak tot recuperatie. Ook is geen medische informatie aangeleverd waaruit blijkt dat per datum in geding hiervan sprake was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b inzichtelijk gemotiveerd dat voor een verdergaande urenbeperking geen aanleiding bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.


Verzoek om benoeming van een deskundige

14. Gelet het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een
onafhankelijk deskundige te benoemen.


Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?

15. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat eiseres haar eigen werk niet meer kan
uitvoeren, maar zij wordt wel geschikt geacht voor ander werk. De arbeidsdeskundige heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML van 29 april 2024, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160), Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en Snackbereider (handmatig) (SBC-code 111071). De arbeidsdeskundige acht eiseres daarnaast geschikt voor de functie van Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010). Op basis hiervan komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat eiseres 8,50% arbeidsongeschikt is.



15.1
De arbeidsdeskundige b&b concludeert dat er geen aanleiding is om af te wijken
van de conclusie van de arbeidsdeskundige. De mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt wel van 8,50% naar 18,14%. De functie van Productiemedewerker binnen de SBC-code 111071 is komen te vervallen, omdat die werkzaamheden doorgaans niet op eigen initiatief onderbroken kunnen worden. Ook de functie van Medewerker bloemzaadproductie binnen de SBC-code 111010 (aanvankelijk geduid als reservefunctie) is vervallen, omdat meer dan 2 uur per werkdag wordt gestaan. De functie van Verspener is hiervoor in de plaats gekomen. Als gevolg van toepassing van een reductiefactor is de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd.


De arbeidskundige beroepsgronden



15.2
Eiseres heeft aangevoerd nog niet inhoudelijk te kunnen reageren op de nieuw geduide functies, omdat de functieprofielen niet zijn meegestuurd. Ter zitting heeft eiseres haar stelling gewijzigd, namelijk dat de functieprofielen wel op een later moment zijn ontvangen, maar dat deze al bij de beslissing op bezwaar meegestuurd hadden moeten worden.


Beoordeling van het arbeidskundig onderzoek

16. Ter zitting heeft het UWV toegelicht dat in de rapportage van de
arbeidsdeskundige b&b voldoende motivering is gewijd aan de nieuw geduide functie, omdat de functie van Verspener binnen dezelfde SBC-code valt als de functie van Medewerker bloemzaadproductie. Om die reden is het functieprofiel niet in bezwaar meegestuurd. De rechtbank overweegt dat ondanks dat sprake is van eenzelfde SBC-code, er wel andere belastende aspecten aan een andere functie kunnen zitten. Het UWV had daarom naar het oordeel van de rechtbank de nieuw geduide functie wel in bezwaar aan eiseres moeten voorhouden. Er is (ook) op dit punt sprake van een gebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd, omdat het gebrek in beroep is hersteld met toezending van de stukken.



16.1
De beroepsgrond van eiseres geeft de rechtbank verder geen aanleiding om te
twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.


Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?

17. Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen
verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.



17.1
Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 4 juni 2024.




Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiseres niks verandert.


18.1
Omdat er sprake is van een gebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, bestaat er aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting). Ook moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden.






















Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.H.A.M. Verkooijen, griffier, op 14 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.


griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.































Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.


Er is verwezen naar een uitspraak van de CRvB van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4018.


Zie de uitspraak van de CRvB van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.


Zie voetnoot 1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1182.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:448.


Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:276.
Link naar deze uitspraak