|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2025:6437 | | | | | Datum uitspraak | : | 31-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 31-12-2025 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202401697/1/R3 en 2024017 202401697/1/R3 en 2024017 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard ten behoeve van het bestemmingsplan "Woningbouw Oud Piershilseweg Piershil" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld. Bij besluit van 12 december 2023 heeft de raad van de gemeente Hoeksche Waard het bestemmingsplan "Woningbouw Oud Piershilseweg Piershil" vastgesteld. Het plangebied ligt aan de Oud Piershilseweg aan de rand van het dorp Piershil in de gemeente Hoeksche Waard. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Piershil, sectie C, perceelnummer 1407 en heeft een oppervlakte van 4.315 m2. Het perceel is in de huidige situatie een onbebouwd agrarisch perceel. Met het plan wordt beoogd een ontwikkeling naar woningen mogelijk te maken. Het plan staat maximaal dertien woningen toe. Het voornemen is om dertien woningen in één schuurvolume te realiseren. Het gaat om vier goedkope en negen middeldure koopwoningen. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de Oud Piershilseweg in de omgeving van het plangebied en kunnen zich niet verenigen met het plan. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | geluidhinder | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | | Uitspraak | 202401697/1/R3 en 202401707/1/R3.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Piershil, gemeente Hoeksche Waard,
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Hoeksche Waard,
2. het college van burgemeester en wethouders van Hoeksche Waard,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Woningbouw Oud Piershilseweg Piershil" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld.
Bij besluit van 12 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Woningbouw Oud Piershilseweg Piershil" vastgesteld.
Tegen deze besluiten hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 oktober 2025, waar [appellant A] en [appellant B], en de raad en het college, beiden vertegenwoordigd door L. Bos en S. Voskamp, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Youtopia Vastgoedontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: de Iw Ow) in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Iw Ow blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
1.1. Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs wegen - behoudens provinciale wegen - het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Woningbouw Oud Piershilseweg Piershil" waarvan het ontwerp op 2 februari 2023 ter inzage is gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan als op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), de Crisis- en herstelwet en de Wet geluidhinder, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 12 december 2023 heeft de raad het plan "Woningbouw Oud Piershilseweg Piershil" vastgesteld. Het plangebied ligt aan de Oud Piershilseweg aan de rand van het dorp Piershil in de gemeente Hoeksche Waard. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Piershil, sectie C, perceelnummer 1407 en heeft een oppervlakte van 4.315 m2. Het perceel is in de huidige situatie een onbebouwd agrarisch perceel. Met het plan wordt beoogd een ontwikkeling naar woningen mogelijk te maken. Het plan staat maximaal dertien woningen toe. Het voornemen is om dertien woningen in één schuurvolume te realiseren. Het gaat om vier goedkope en negen middeldure koopwoningen. Youtopia Vastgoedontwikkeling B.V. is de eigenaar van de gronden in het plangebied en de ontwikkelaar van het plan. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de Oud Piershilseweg in de omgeving van het plangebied en kunnen zich niet verenigen met het plan.
3. Het besluit hogere waarden voorziet voor de nieuwe woningen in een hogere grenswaarde in verband met het geluid dat ontstaat door wegverkeerslawaai afkomstig van de Oud Piershilseweg en het Buitenom in Piershil.
Bestemmingsplan
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Participatieproces
5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad het plan onzorgvuldig heeft voorbereid. Ter onderbouwing betogen zij dat er geen deugdelijke participatie heeft plaatsgevonden en dat er geen onderzoek is gedaan naar het draagvlak voor het plan. Daarnaast heeft de raad hen in strijd met het gemeentelijk beleid niet geïnformeerd over de behandeling van hun zienswijze in de raadsvergadering.
5.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Daarnaast overweegt de Afdeling dat er geen wettelijke regel is die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. De raad heeft bij de vaststelling van het plan beleidsruimte. Dit betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Draagvlak vormt een aspect van de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan moet maken. Bij de beoordeling hierna van de beroepsgronden zal worden getoetst, voor zover deze daartoe aanleiding geven, of de raad de belangen van omwonenden voldoende heeft onderzocht en betrokken in zijn belangenafweging over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. De stelling van [appellant A] en [appellant B] dat geen draagvlak voor het plan bestaat, kan daarom op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan. Daarbij stelt de Afdeling nog vast dat alleen [appellant A] en [appellant B] beroep hebben ingesteld.
Verder overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat er geen gemeentelijk beleid bestaat dat bepaalt dat indieners van zienswijzen over de raadsvergadering persoonlijk geïnformeerd moeten worden.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet heeft voldaan aan de eisen die de wet aan de voorbereiding van het plan stelt.
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat.
In de eerste plaats wijzen [appellant A] en [appellant B] erop dat de raad uitgaat van een onjuiste feitelijke situatie van het plangebied. Zo stelt de raad in paragraaf 2.2 van de plantoelichting dat het plangebied de nieuwe oostelijke entree van Piershil is en dat er ter plaatse sprake is van een groene poort. Dat is volgens [appellant A] en [appellant B] onjuist. Het plangebied maakt onderdeel uit van een open en agrarisch gebied met enkel wat weilanden en slootjes.
[appellant A] en [appellant B] voeren daarnaast aan dat hun woon- en leefomgeving door het plan ingrijpend verandert. De woon- en leefomgeving van [appellant A] en [appellant B], waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, bestaat in de huidige situatie uit een open, groen en weids polderlandschap met hoge landschappelijke waarden. Volgens [appellant A] en [appellant B] leidt het realiseren van een wooncomplex met een dusdanige omvang tot een fors verlies van de landschappelijke waarden en de beleefbaarheid van de open polder. De plaats, opzet en maatvoering van de beoogde woningen wijken in alle opzichten af van de bestaande bebouwing in de directe omgeving van het plangebied. De bestaande goothoogtes in de omgeving komen niet boven de 2,80 m uit. Het open polderlandschap zal door de beoogde woningen dus worden aangetast, waardoor de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de woon- en leefomgeving in negatieve zin zal veranderen. Daarbij hebben [appellant A] en [appellant B] in de huidige situatie kilometers ver uitzicht over het open polderlandschap. Door het plan zal dit uitzicht flink worden beperkt.
Verder voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht wat het effect is van de dertien beoogde woningen op het geluid in hun woningen.
Ook voeren zij aan dat het plan niet voldoet aan de eisen die de gemeente aan eerdere initiatieven voor woningbouw in het plangebied heeft gesteld. Zo vond de gemeente bijvoorbeeld een eerder initiatief voor dertien woningen niet ruimtelijk aanvaardbaar.
6.1. De Afdeling stelt voorop dat de raad in een procedure tot vaststelling van een plan moet beoordelen of het plan, zoals dat voorligt, voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De raad hoeft daarbij geen rekening te houden met eventuele eisen die zijn gesteld aan eerdere plannen die niet zijn vastgesteld.
6.2. De Afdeling overweegt dat de omschrijving van de raad van het plangebied als nieuwe oostelijke entree en groene poort ziet op het plangebied na de realisatie van de beoogde ontwikkeling. Deze omschrijving ziet dus, anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, niet op de huidige feitelijke situatie in het plangebied. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat de raad is uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie volgt de Afdeling dan ook niet.
6.3. De Afdeling overweegt daarnaast over de verandering van de woon- en leefomgeving dat de raad in paragraaf 2.2 van de plantoelichting heeft toegelicht dat het nieuwe woonerf overeenkomstig de landschappelijke structuur van het gebied wordt ingepast.De raad heeft toegelicht dat het perceel aansluit op bestaande woonfuncties in de polder en dat het perceel open en groen blijft. Ook de zichtlijnen blijven in stand, zodat de kwaliteit en beleefbaarheid van de open polder behouden blijven. Ter versterking van de landschapswaarden wordt extra water en beplanting toegevoegd, aldus de raad.
De Afdeling stelt vast dat dit ook in de planregels is geborgd. Zo staat in artikel 4.2.1, onder d, van de planregels dat binnen de bestemming "Wonen" enkel bebouwing is toegestaan ten behoeve van één bouwvolume bestaande uit dertien woningen met een kap. Daarnaast is in artikel 4.3.2, onder a, van de planregels voorgeschreven dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen slechts wordt verleend indien is aangetoond dat aan de uitgangspunten zoals opgenomen in het inpassingsplan uit bijlage 1 van de planregels wordt voldaan. Het inpassingsplan bevat afbeeldingen waarop te zien is hoe het gebied moet worden ingericht, onder meer om de zichtlijnen te behouden. Op deze afbeeldingen is te zien dat de bebouwing een boerderijachtige uitstraling krijgt in de vorm van een hoofdmassa met een schuurvolume.
Naast de bestemming "Wonen" bevat het plangebied ook gronden met de bestemming "Groen". In artikel 4.3.2, onder b, van de planregels staat dat de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het inpassingsplan uit bijlage 1 van de planregels binnen twaalf maanden na het in gebruik nemen van de nieuwe woningen gerealiseerd moet zijn en in stand moet worden gehouden. Op de afbeeldingen uit het inpassingsplan is te zien dat het oostelijke deel van het plangebied open en groen blijft en dat open doorzichten behouden blijven.
6.4. De Afdeling overweegt verder dat de raad in het verweerschrift heeft toegelicht dat de maatvoering van het plan niet afwijkt van bebouwing in de directe omgeving. De Afdeling stelt vast dat de hoofdmassa van het gebouw een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 11 m heeft. Het achterliggende schuurvolume heeft een maximale goothoogte van 3.8 m en een maximale bouwhoogte van 10 m. Deze goot- en bouwhoogten zijn opgenomen op de verbeelding van het plan, waarnaar in artikel 4.2.1, onder e, van de planregels wordt verwezen. Voor de woningen tegenover en naast het plangebied geldt een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 10 m. Dit wijkt niet wezenlijk af van de in het plangebied toegestane goot- en bouwhoogten. Verder heeft de raad toegelicht dat de bebouwing een boerderijachtige uitstraling krijgt. Zoals hiervoor onder 6.3 is overwogen is dit in de planregels geborgd. Een boerderijachtige uitstraling komt overeen met de andere bebouwing aan de Oud Piershilseweg.
6.5. Over het verlies aan uitzicht stelt de Afdeling voorop dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. De Afdeling overweegt dat de woning van [appellant A] zich bevindt op een afstand van ongeveer 32 m van het bouwvlak. Het uitzicht aan de voorzijde van zijn woning zal hierdoor veranderen, maar het bouwvlak is zo gesitueerd dat het uitzicht op het open poldergebied tegenover zijn woning deels in stand blijft. De woning van [appellant B] bevindt zich schuin tegenover het plangebied op een afstand van ongeveer 78 m van het bouwvlak. Het uitzicht aan de voorzijde van zijn woning zal door het plan dus niet of nauwelijks veranderen.
6.6. Verder overweegt de Afdeling over de toename van geluid dat de raad heeft toegelicht dat het toevoegen van dertien woningen op deze locatie en in deze omgeving niet zal leiden tot een wezenlijke verandering van het geluid in de woningen van [appellant A] en [appellant B]. De Afdeling vindt dat aannemelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat er in de huidige situatie aan de Oud Piershilseweg en in de directe omgeving daarvan al een groot aantal woningen staat. Ook is er een aantal (agrarische) bedrijven.
6.7. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B].
Het betoog slaagt niet.
Flora, fauna en biodiversiteit
7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad heeft miskend dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de flora en fauna in het plangebied. Zo vliegen en foerageren er vleermuizen in het gebied. Daarnaast heeft de raad miskend dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de biodiversiteit in het plangebied. Door de bebouwing wordt het landschap ingrijpend aangetast, versleuteld en veranderd. Er ontstaat daardoor een heel andere biotoop.
7.1. De raad wijst erop dat hij de Quickscan Natuurwetgeving Oud Piershilseweg te Piershil van Aeres Milieu van 8 december 2022 (hierna: de quickscan) heeft laten opstellen. Hieruit volgt dat vleermuisverblijven afwezig zijn in het plangebied. Voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vogels gelden algemene zorgplichten. Verder zijn er geen beschermde plantensoorten in het plangebied waargenomen.
Ook stelt de raad zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de biodiversiteit in het plangebied. In paragraaf 2.3 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat er in het plan maatregelen worden getroffen die bijdragen aan versterking van de biodiversiteit. Zo bieden de nieuwe bomen, bermen en natuurvriendelijke oevers een nieuw leefgebied voor allerlei soorten dieren en insecten.
7.2. Over de flora en fauna in het plangebied overweegt de Afdeling als volgt. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
De raad heeft de quickscan aan het plan ten grondslag gelegd. Hieruit volgt dat vleermuisverblijven afwezig zijn in het plangebied. Daarnaast volgt uit de quickscan niet dat het plangebied een foerageergebied voor vleermuizen is. Verder zijn er geen beschermde planten- of dierensoorten waargenomen in het plangebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich dan ook redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
7.3. Over de biodiversiteit in het plangebied overweegt de Afdeling dat het plangebied in de huidige situatie agrarisch grasland is. De raad heeft toegelicht dat er in het plan maatregelen worden getroffen die bijdragen aan versterking van de biodiversiteit. Zo worden er planten en bomen geplant en worden er natuurvriendelijke oevers aangelegd. Deze bieden nieuwe ecosystemen en leefgebieden voor verschillende soorten dieren. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de biodiversiteit in het plangebied.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Relativiteit
8. Voor een aantal beroepsgronden die [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd tegen het besluit tot vaststelling van het plan, ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan vanwege deze gronden. De Afdeling zal dit hierna beoordelen. Op deze beoordeling is steeds het onder 8.1 weergegeven toetsingskader van toepassing.
8.1. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
Stikstof
9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de stikstofberekening die aan het plan ten grondslag ligt, niet deugt. In de nota van zienswijzen staat dat er een nieuwe stikstofberekening is gemaakt. De nota van zienswijzen dateert echter van september 2023. Op 5 oktober 2023 is de AERIUS berekening geactualiseerd en begin maart 2024 gecorrigeerd. Nergens blijkt uit dat de raad daar rekening mee heeft gehouden.
9.1. De Afdeling overweegt dat de bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat de individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.
Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, namelijk Krammer-Volkerak, ligt op een afstand van meer dan 10 km van de woningen van [appellant A] en [appellant B]. Dit betekent dat het Natura 2000-gebied geen deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van [appellant A] en [appellant B]. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de normen uit de Wnb niet strekken tot de bescherming van de individuele belangen van [appellant A] en [appellant B]. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen.
Nadelige gevolgen voor bewoners, bedrijven en de begraafplaats
10. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan voor de toekomstige bewoners, de in de buurt liggende agrarische bedrijven en de begraafplaats onevenredige nadelige gevolgen heeft.
Ter onderbouwing hiervan betogen [appellant A] en [appellant B] dat de beoogde woningen te dicht bij de bestaande agrarische bedrijven komen te liggen. Dit leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners door onder andere geur- en geluidsoverlast. Daarnaast is de waterberging op het perceel onvoldoende geregeld, wat nadelige effecten kan hebben voor de afwatering in het plangebied en daarmee voor de toekomstige bewoners.
Daarnaast betogen [appellant A] en [appellant B] dat de kleine afstand tussen de beoogde woningen en de bestaande agrarische bedrijven er ook toe leidt dat de bedrijven in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd. De raad heeft dat ten onrechte niet onderkend. In dat kader betwijfelen [appellant A] en [appellant B] dan ook of de raad rekening heeft gehouden met de geldende richtafstanden.
Verder betogen [appellant A] en [appellant B] dat de beoogde woningen ook te dicht bij de begraafplaats komen te liggen. Dit leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy, stilte en rust op de begraafplaats. Ook de uitbreidingsmogelijkheden van de begraafplaats worden door het plan onevenredig aantast, omdat uitbreiding vanwege de beoogde woningen niet meer mogelijk zal zijn.
10.1. De Afdeling overweegt dat uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, volgt dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op de belangen van anderen.
De Afdeling overweegt dat het belang van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen, het belang van een goede bedrijfsvoering, het belang van privacy, rust en stilte op de begraafplaats en het belang van uitbreidingsmogelijkheden van de begraafplaats geen belangen zijn van [appellant A] en [appellant B]. Het relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgronden.
Uitvoerbaarheid
11. [appellant A] en [appellant B] betogen dat er onzekerheid bestaat over de uitvoerbaarheid van het plan. Zo is het volgens [appellant A] en [appellant B] niet duidelijk of de ontwikkelaar van het plan, Youtopia Vastgoedontwikkeling B.V., wel de eigenaar is van de gronden in het plangebied en dus of het plan wel uitgevoerd kan worden. Daarnaast is in de anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer vastgelegd in welke prijsklasse de woningen gerealiseerd moeten worden. Volgens [appellant A] en [appellant B] blijkt uit niets dat de woningen daadwerkelijk voor die prijzen gerealiseerd kunnen worden. De bouwkosten zijn de laatste jaren gigantisch gestegen. Net als de grondprijzen, brandstofprijzen en kosten voor personeel.
11.1. De Afdeling stelt voorop dat het niet ruimtelijk relevant is wie de eigenaar is van de grond. Onduidelijkheid over de grondeigenaar kan dus niet leiden tot het oordeel dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, omdat het niet uitvoerbaar zou zijn. De Afdeling wijst er daarnaast op dat uit de door de raad overgelegde kadastrale informatie volgt dat Youtopia Vastgoedontwikkeling B.V. sinds 25 januari 2021 eigenaar is van de gronden in het plangebied. Om die redenen bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet uitvoerbaar is.
11.2. De Afdeling overweegt daarnaast dat bij een beroep tegen een bestemmingsplan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.
De Afdeling overweegt dat in paragraaf 6.1 van de plantoelichting staat dat de gemeente een exploitatieovereenkomst zal sluiten met initiatiefnemer, Youtopia Vastgoedontwikkeling B.V. Verder overweegt de Afdeling dat het aannemelijk is dat er in de periode na het sluiten van de anterieure overeenkomst prijsstijgingen hebben plaatsgevonden. [appellant A] en [appellant B] hebben echter geen nadere onderbouwing gegeven waaruit volgt dat die prijsstijgingen dusdanig groot zijn dat de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.
Het betoog slaagt niet.
Geen beroepsgronden
12. De Afdeling overweegt tot slot dat in het beroepschrift een aantal punten staan die gaan over de behoefte aan woningen en de parkeersituatie in Piershil. Op de zitting hebben [appellant A] en [appellant B] toegelicht dat deze punten geen beroepsgronden zijn, maar alleen in het beroepschrift zijn opgenomen om context te geven aan hun beroepschrift. De Afdeling zal deze punten daarom niet inhoudelijk behandelen.
Conclusie bestemmingsplan
13. Het beroep is ongegrond.
14. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Besluit hogere waarden
15. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college ten onrechte een besluit hogere waarden heeft genomen. Het toestaan van een hogere geluidswaarde leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Ook bevat het akoestisch onderzoek Buitenom te Piershil van K+ Adviesgroep van 31 augustus 2023, op basis waarvan het besluit hogere waarden is genomen, volgens [appellant A] en [appellant B] gebreken.
15.1. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van het besluit hogere waarden vanwege de door [appellant A] en [appellant B] daartegen aangevoerde beroepsgrond. De Afdeling zal dit hierna beoordelen. Op deze beoordeling is het onder 8.1 weergegeven toetsingskader van toepassing.
15.2. De Afdeling overweegt dat de regeling in de Wet geluidhinder op grond waarvan de hogere waarden zijn vastgesteld voor de nieuw te bouwen woningen strekt tot bescherming van de bewoners van deze woningen. De regeling strekt niet tot bescherming van de belangen van [appellant A] en [appellant B] als omwonenden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit van 31 oktober 2023 vanwege de door [appellant A] en [appellant B] daartegen aangevoerde beroepsgrond. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van het beroep.
Conclusie besluit hogere waarden
16. Gelet op het voorgaande is het beroep gericht tegen het besluit hogere waarden ongegrond.
17. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. Van Zuijlen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
810-1116 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|