Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:1248 
 
Datum uitspraak:04-03-2026
Datum gepubliceerd:04-03-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202305426/1/R3
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn het bestemmingsplan "[locatie A], Boskoop" vastgesteld. Aan de [locatie A] in Boskoop is een nevenvestiging van het [bedrijf] gevestigd. Op die locatie wil [bedrijf] het bedrijf uitbreiden met een nieuwe opslagschuur van ongeveer 5.500 m2 en nieuwe verharding voor de uitbreiding van de grondopslag. Het gaat om een uitbreiding van ongeveer 6,3 ha, waarvan ongeveer 4,05 ha wordt verhard. De raad heeft het bestemmingsplan vastgesteld om deze bedrijfsuitbreiding mogelijk te maken. [appellante] woont aan de [locatie B] in Boskoop. Dit is in de directe omgeving van het plangebied. Zij vreest dat haar woon- en leefklimaat als gevolg van de bedrijfsuitbreiding wordt aangetast. [appellante] betoogt dat het plan mogelijk waterverontreiniging tot gevolg heeft. Zij gebruikt water voor het kweken van (biologische) groente en fruit. En [appellante] betoogt dat als gevolg van hetgeen het plan mogelijk maakt een grote hoeveelheid CO2 zal worden uitgestoten en dat dit in strijd is met de doelstellingen uit de Klimaatverdragen.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
agrarisch
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
202305426/1/R3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn,
appellante,
en
de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A], Boskoop" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 17 juli 2025 (het herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
[appellante] heeft tegen het herstelbesluit gronden aangevoerd.
De raad en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 3 november 2025, waar [appellante] en de raad, vertegenwoordigd door ing. R. Prins, zijn verschenen. Verder is op de zitting [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 1 december 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Aan de [locatie A] in Boskoop is een nevenvestiging van het [bedrijf] gevestigd. Op die locatie wil [bedrijf] het bedrijf uitbreiden met een nieuwe opslagschuur van ongeveer 5.500 m2 en nieuwe verharding voor de uitbreiding van de grondopslag. Het gaat om een uitbreiding van ongeveer 6,3 ha, waarvan ongeveer 4,05 ha wordt verhard. De raad heeft het bestemmingsplan vastgesteld om deze bedrijfsuitbreiding mogelijk te maken.
3.       [appellante] woont aan de [locatie B] in Boskoop. Dit is in de directe omgeving van het plangebied. Zij vreest dat haar woon- en leefklimaat als gevolg van de bedrijfsuitbreiding wordt aangetast.
4.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.
Herstelbesluit
5.       In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 1 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4463, is geoordeeld dat er twijfel bestaat over de vraag of het bestemmingsplan in de bodemprocedure stand zal houden vanwege onduidelijkheid over drie punten: (i) de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor wat betreft de impact op de cultuurhistorische waarden van het plangebied; (ii) de omvang van de volgens de plantoelichting benodigde weidevogelcompensatie en de regeling daarvan; en (ii) de kenbaarheid van de door de raad gemaakte afweging over de uitstoot van CO2 en de impact van het plan op het woon- en leefklimaat van [appellante].
6.       Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Het besluit van 15 juni 2023 is door het herstelbesluit vervangen. Met het herstelbesluit zijn de gronden waarop de weidevogelcompensatie plaatsvindt onderdeel geworden van het bestemmingsplan, zijn enkele planregels toegevoegd en is de plantoelichting aangevuld met paragrafen over cultuurhistorie, de uitstoot van CO2 en een akoestisch onderzoek.
De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen het herstelbesluit een beroep van rechtswege is ontstaan voor [appellante]. De Afdeling zal eerst het van rechtswege ontstane beroep van [appellante] tegen het herstelbesluit van 17 juli 2025 beoordelen. Daarna zal worden bezien of er nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 15 juni 2023.
Toetsingskader
7.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroep tegen het herstelbesluit
Overleg en overeenstemming
8.       [appellante] betoogt dat er, anders dan in de plantoelichting staat, geen overeenstemming over het plan is gezocht met de buren. Zij stelt dat er pas overleg met haar heeft plaatsgevonden nadat zij haar zienswijze had ingediend.
8.1.    Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Uit de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure volgt ook geen verplichting voor het gemeentebestuur om met omwonenden tot overeenstemming proberen te komen over een bestemmingsplan. Voor zover uit de plantoelichting blijkt dat de raad het van belang heeft geacht om tot overeenstemming met omwonenden proberen te komen, heeft de raad op de zitting toegelicht dat dit geldt voor omwonenden van percelen direct grenzend aan het plangebied. Omdat het perceel van [appellante] niet direct grenst aan het plangebied, hoort zij niet bij deze groep. Naar aanleiding van de zienswijze en het beroep van [appellante] heeft er overigens wel overleg met haar plaatsgevonden. Ook is op de zitting gebleken dat [appellante] en Olieman met elkaar in gesprek zijn gegaan over de uitbreiding en de landschappelijke inpassing ervan.
De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Waterverontreiniging
9.       [appellante] betoogt dat het plan mogelijk waterverontreiniging tot gevolg heeft. Zij gebruikt water voor het kweken van (biologische) groente en fruit. In de eerste plaats voert zij aan dat er door het gewicht van de grondopslag kans is op een opbarsting waardoor zout water vrijkomt.
Ten tweede voert [appellante] aan dat het onzeker is of de grond die wordt opgeslagen op het voorziene gronddepot niet vervuild is. Daardoor kan vervuiling in het oppervlaktewater terecht komen. De opgeslagen grond wordt slechts bij steekproeven gecontroleerd op vervuiling.
9.1.    Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels is op gronden met de bestemming "Agrarisch" grondopslag en -overslag ten behoeve van de sierteelt toegestaan.
Op grond van artikel 5.1, onder a en c, van de planregels, is op gronden met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de aanduiding "loon- en grondbedrijf" een kraan-, handels-, en loonbedrijf, alsmede grondopslag, toegestaan.
9.2.    Over de kans op opbarsting en het vrijkomen van zout water overweegt de Afdeling dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat daar op deze locatie geen risico voor bestaat nu dit geen polder is waar de door [appellante] bedoelde zoutwater problematiek zich voordoet. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit risico wel op deze locatie bestaat. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hier bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening mee heeft gehouden.
In zoverre slaagt het betoog niet.
9.3.    Over waterverontreiniging door opslag van verontreinigde grond, overweegt de Afdeling het volgende. Op grond van artikelen 3.1, aanhef en onder b, en 5.1, onder a en c, van de planregels, maakt het plan de opslag van grond mogelijk. Daarin is de opslag van verontreinigde grond niet uitdrukkelijk verboden.
Op opslag van (verontreinigde) grond is echter ook andere wet- en regelgeving van toepassing. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan golden de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit waarmee beperkingen en waarborgen zijn gesteld aan het gebruiken van, al dan niet verontreinigde, grond. Inmiddels zijn de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Op basis daarvan geldt voor het opslaan van (grote hoeveelheden) verontreinigde grond een vergunningplicht en gelden er regels over de opslag van grond, met als doel het voorkomen van verontreiniging. De Afdeling overweegt daarom dat met het bestemmingsplan de opslag van verontreinigde grond dus niet zonder meer mogelijk gemaakt wordt.
Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met waterverontreiniging door opslag van verontreinigde grond.
Voor zover sprake is van opslag van verontreinigde grond in strijd met de daarvoor geldende wet- en regelgeving, is dit een kwestie van handhaving.
Ook in zoverre slaagt het betoog niet.
CO2 uitstoot
10.     [appellante] betoogt dat als gevolg van hetgeen het plan mogelijk maakt een grote hoeveelheid CO2 zal worden uitgestoten en dat dit in strijd is met de doelstellingen uit de Klimaatverdragen. Zij wijst ook op het arrest van het Europees hof voor de rechten van de mens (het EHRM), waarin is geoordeeld dat Zwitserland meer moet doen om de uitstoot van CO2 te beperken. Volgens [appellante] geldt dit ook voor de gemeente Alphen aan den Rijn.
10.1.  De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] zo dat zij vindt dat het plan niet voldoet aan de klimaatvoornemens uit de Overeenkomst van Parijs en de Klimaatwet (de Klimaatverdragen). [appellante] heeft echter niet aangegeven op grond van welke wettelijke bepalingen de doelstellingen van de Klimaatverdragen in een bestemmingsplan moeten worden opgenomen. Dit vloeit ook niet dwingend voort uit de Klimaatverdragen zelf. Verder doelt [appellante] kennelijk op het arrest van het EHRM van 9 april 2024, KlimaSeniorinnen, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020. Zij heeft echter niet onderbouwd dat uit dit arrest een verplichting volgt voor de raad om bij de vaststelling van een bestemmingsplan CO2-uitstoot te beperken.
De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de door [appellante] genoemde Klimaatverdragen of het arrest van het EHRM van 9 april 2024.
Het betoog slaagt niet.
Zicht op polder De Wijk
11.     [appellante] betoogt dat als gevolg van het plan het doorzicht naar de achterliggende Polder De Wijk verdwijnt dan wel nog maar minimaal is, omdat er een haag en bomen zijn voorzien.
11.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen onevenredige aantasting van het landschap tot gevolg heeft. Volgens de raad zorgt het landschapsbeheerplan, bijlage 2 bij de planregels, voor een goede landschappelijke inpassing waarbij doorzicht vanaf de Wijkdijk op Polder De Wijk in oostelijke richting behouden blijft.
11.2.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat, voor zover zij aanspraak maakt op een vrij doorzicht naar Polder de Wijk, dit doorzicht door het plan zodanig zal veranderen en verminderen dat de raad dit vanuit ruimtelijk oogpunt onaanvaardbaar had moeten achten.
Het betoog slaagt niet.
Geluidsoverlast
12.     [appellante] betoogt dat het plan onaanvaardbare geluidsoverlast tot gevolg heeft. Zij voert aan dat in het akoestisch onderzoek van Peutz van 10 april 2025 ten onrechte geen rekening is gehouden met de reflectie van geluid vanaf de glazen kas ten noorden van het perceel van [appellante]. Daarnaast voert zij aan dat er ten onrechte gesteld wordt dat in het weekend geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, terwijl dat wel zo is.
12.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er bij de woning van [appellante] volledig wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit en de richtwaarden uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (VNG-brochure) voor geluid.
Olieman heeft op de zitting toegelicht dat er ook op zaterdag gewerkt wordt. Volgens Olieman zijn de bedrijfsactiviteiten en de geluidbelasting daarvan op zaterdag hetzelfde als doordeweeks. Omdat dan ook dezelfde etmaalwaarden gelden als doordeweeks, is er ook in het weekend geen sprake van overschrijding van de relevante normen. De raad heeft dit op de zitting bevestigd.
12.2.  De Afdeling overweegt dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met de reflectie van geluid vanaf de kas en dat dit tot gevolg heeft dat de geluidbelasting bij [appellante] hoger is dan berekend. [appellante] heeft de methodes en berekeningen in het akoestisch onderzoek verder niet betwist. In wat [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de berekeningen in het akoestisch onderzoek onzorgvuldig zijn.
12.3.  Gelet op de toelichting van de raad en Olieman op de zitting, overweegt de Afdeling dat de bedrijfsactiviteiten van Olieman en de geluidbelasting als gevolg daarvan op zaterdag vergelijkbaar zijn met de bedrijfsactiviteiten en bijbehorende geluidbelasting doordeweeks. De berekende geluidbelasting op de woning van [appellante] voldoet aan de normen van Activiteitenbesluit en de richtwaarden uit de VNG-brochure. Zoals hierboven overwogen, bestaat geen aanleiding om de zorgvuldigheid van deze berekeningen in twijfel te trekken. De Afdeling ziet daarom, hoewel in het akoestisch onderzoek niet is onderkend dat er in het weekend bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot onaanvaardbare geluidsoverlast voor [appellante].
Het betoog slaagt niet.
Weidevogels (Grutto)
13.     [appellante] betoogt dat als gevolg van het plan weidevogels (in het bijzonder de grutto) worden verstoord en dat dit onvoldoende wordt gecompenseerd. Door de uitbreiding van het bedrijf op gronden die nu weidevogelgebied zijn, worden volgens [appellante] ongeveer 11,5 broedparen van de grutto verdreven. De voor weidevogelcompensatie aangewezen gronden zijn volgens [appellante] onvoldoende om de verdreven vogels op te kunnen vangen.
De 8 ha aan gronden aangewezen voor compensatie zijn namelijk bestaand grasland waar, volgens het rapport van Watersnip, al 13 broedparen van de grutto zitten. Als gevolg van de te realiseren compensatie komen hier 11,5 broedparen bij, waardoor er 24,5 broedparen zouden zijn op 8 hectare. Daar is geen ruimte voor volgens [appellante]. Volgens [appellante] kunnen op goed weidevogelgebied 35 broedparen per 100 ha zitten. De voor compensatie aangewezen gronden hebben al een dichtheid van 162 broedparen op 100 ha. 24,5 broedparen per 8 hectare betekent, omgerekend, 306 broedparen per 100 ha. Dat laat volgens [appellante] zien dat de compensatie onrealistisch is.
13.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden waar de bedrijfsuitbreiding mogelijk wordt gemaakt, geen onderdeel zijn van het "belangrijk weidevogelgebied" zoals aangegeven op kaart 14 van bijlage II van de Omgevingsverordening Zuid—Holland (Omgevingsverordening). Daarom bestaat er geen compensatieverplichting op grond van de Omgevingsverordening.
Toch is er, op initiatief van Olieman, aandacht besteed aan weidevogelcompensatie. In het rapport "Bepaling omvang schade aan weidevogels en compensatieopgave grondoverslag Wijkdijk 34 fase 1 en fase 2" van Watersnip d.d. 21 juni 2018 (het weidevogelrapport) is de schade aan het leefgebied van weidevogels vastgesteld en is aangegeven op welke wijze compensatie kan plaatvinden. Op basis van de aanbevelingen uit het weidevogelrapport zijn maatregelen genomen voor weidevogelcompensatie. De maatregelen bestaan uit het omzetten van 8 ha aan gronden ten oosten van de voorziene bedrijfsuitbreiding naar een weidevogelgebied met een hogere kwaliteit. In het herstelbesluit zijn deze gronden onderdeel geworden van het bestemmingsplan. Ook is, om realisatie en instandhouding van deze weidevogelcompensatie te waarborgen, een gebruiksregel opgenomen in artikel 4.3.2 van de planregels.
13.2.  In paragraaf 4.9 van de plantoelichting wordt (onder andere) de weidevogelcompensatie besproken. Daar staat dat in het weidevogelrapport de schade aan weidevogelleefgebied door de bedrijfsuitbreiding is vastgesteld op 8 ha goed weidevogelgrasland met een dichtheid van 35 broedparen per 100 ha. In dat rapport staat dat de compensatie kan worden vormgegeven door fysieke maatregelen, kwalitatieve maatregelen, of door financiële afkoop. Omdat compensatie bij voorkeur in de directe omgeving plaatsvindt, is uiteindelijk gekozen voor kwalitatieve compensatie op de gronden ten oosten van de bedrijfsuitbreiding. Met deze vorm van compensatie wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van een inrichting ten behoeve van weidevogels en/of borging van weidevogelbeheer door het vestigen van een kwalitatieve verplichting. Aan deze kwalitatieve verplichting zijn beheermaatregelen gekoppeld die voorzien in duurzaam weidevogelbeheer.
In het rapport van Watersnip van december 2021 "Weidevogelcompensatie grondoverslag Wijkdijk", als bijlage 1 bij de planregels gevoegd, staan de concrete beheermaatregelen genoemd die zullen worden uitgevoerd op de 8 ha grond ten oosten van de voorziene uitbreiding. Deze maatregelen moeten op grond van artikel 4.3.2 van de planregels worden gerealiseerd en in stand worden gehouden.
13.3.  De Afdeling stelt voorop dat niet is gebleken van enige wet- of regelgeving die in dit geval tot weidevogelcompensatie verplicht. Uit paragraaf 4.9 van de plantoelichting en de toelichting op de zitting is gebleken dat de raad weidevogelcompensatie echter wel van belang acht.
Uit de plantoelichting en het weidevogelrapport blijkt dat compensatie in de vorm van 8 ha weidevogelleefgebied nodig is geacht. Deze berekening heeft [appellante] niet gemotiveerd bestreden. In geschil is of de gekozen vorm van compensatie voldoende is om het verlies aan weidevogelleefgebied te compenseren.
13.4.  De Afdeling komt tot het oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de gekozen vorm van weidevogelcompensatie toereikend is en dat dit in het plan ook voldoende geborgd is. In het weidevogelrapport is het nemen van kwalitatieve maatregelen genoemd als een van de mogelijke vormen van compensatie. Daarmee wordt beoogd om duurzaam weidevogelbeheer te waarborgen. Hoewel mogelijk niet alle weidevogels die door de voorziene bedrijfsuitbreiding worden verstoord, direct kunnen worden opgevangen binnen de 8 ha grond aangewezen voor weidevogelcompensatie, overweegt de Afdeling dat dit niet betekent dat die compensatie ontoereikend is. Daarbij acht de Afdeling van belang dat door in het plan te borgen dat kwalitatieve maatregelen voor weidevogelcompensatie gerealiseerd en in stand gehouden moeten worden, wordt verzekerd dat de gronden in de toekomst als toereikend weidevogelgebied zullen (blijven) fungeren. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd daarom geen redenen waarom niet voor deze vorm van compensatie gekozen had mogen worden.
Het betoog slaagt niet.
Cultuurhistorie
14.     [appellante] betoogt dat de door het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van het bedrijf de historische verkaveling beschadigt, waardoor de cultuurhistorische waarden in het gebied zullen worden aangetast.
14.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat uit de analyse in paragraaf 4.2 van de plantoelichting van het herstelbesluit blijkt dat de beschermde cultuurhistorische waarden niet leiden tot een wezenlijke beperking van de uitvoerbaarheid van het plan. De gronden waar de bedrijfsuitbreiding mogelijk gemaakt wordt, hebben slechts in beperkte mate cultuurhistorische waarde. Het belangrijkste gebied met cultuurhistorische waarden, is het deel ten oosten van de beoogde bedrijfsuitbreiding waar het fijnmazige lineaire verkavelingsstructuur nog aanwezig is. Dit wordt niet aangetast.
14.2.  De gronden waar de uitbreiding van het bedrijf mogelijk gemaakt wordt, hebben de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie - Uitvoeren werk(zaamheden)". Voor deze gronden is in artikel 6.3.1 van de planregels een vergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Uit artikel 6.3.3 van de planregels volgt dat deze vergunning wordt verleend als de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven en door het uitvoeren van de werken of werkzaamheden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind.
14.3.  Gelet op de toelichting over de cultuurhistorische waarden uit paragraaf 4.2 van de plantoelichting en de vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 6.3.1 van de planregels, oordeelt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de uitbreiding van het bedrijf geen onaanvaardbare aantasting van cultuurhistorische waarden tot gevolg heeft. [appellante] heeft daarbij niet gemotiveerd dat de gronden waar de voorziene uitbreiding van het bedrijf zal plaatsvinden een hogere cultuurhistorische waarde heeft dan waar de raad vanuit gegaan is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
15.     Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond.
16.     Zoals onder 6 is overwogen, is het besluit van 15 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie A], Boskoop" door het herstelbesluit van 17 juli 2025 vervangen. Omdat het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond is, komt aan het oorspronkelijke bestemmingsplan geen betekenis meer toe. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellante] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van haar beroep tegen het bij besluit van 15 juni 2023. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk.
17.     Omdat de raad in het beroep aanleiding heeft gevonden om het bestemmingsplan, zoals dat op 15 juni 2023 was vastgesteld, bij het herstelbesluit van 17 juli 2025 opnieuw en gewijzigd vast te stellen, zou aanleiding kunnen bestaan om de raad te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Nu echter niet is gebleken van proceskosten bij [appellante], bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Wel dient het betaalde griffierecht te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn van 15 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie A], Boskoop" niet-ontvankelijk;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn van 17 juli 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie A], Boskoop" ongegrond;
III.      gelast dat de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Kaajan
voorzitter
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
884-1076
 
BIJLAGE
 
Bestemmingsplan "[locatie A]" vastgesteld 17 juli 2025
Artikel 3.1
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.       het uitoefenen van sierteeltbedrijven, zoals genoemd in artikel 1.9 sub b ;
alsmede:
b.       ter plaatse van de aanduiding 'gronddepot' tevens grondopslag en -overslag ten behoeve van de sierteelt;
[…]
Artikel 4.3.2
Ten behoeve van de weidevogelcompensatie geldt dat het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gronddepot' in de bestemming "Agrarisch" ten behoeve van grondopslag en -overslag ten behoeve van de sierteelt is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - weidevogelcompensatie' de maatregelen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden, zoals deze zijn opgenomen in het rapport "Weidevogelcompensatie, grondoverslag Wijkdijk", d.d. december 2021 van Watersnip Advies, zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze regels.
Artikel 5.1
a.       De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 - bestemd voor:
b.       bedrijven vallende onder de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
c.       ter plaatse van de aanduiding 'loon- en grondbedrijf': een kraan-, handels- en loonbedrijf, alsmede grondopslag;
[…]
Artikel 6.3.1
Het is verboden op of in de in artikel 6.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a.       het aanleggen, wijzigen en verharden van wegen en paden en het aanleggen, wijzigen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
b.       het aanleggen, verleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
c.       het aanbrengen van drainage;
d.       het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden, waaronder begrepen het vergraven of ontgraven van bestaande kaden, dijken of taluds;
e.       het aanleggen of aanbrengen van kaden of aanlegplaatsen;
f.       het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
g.       bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen de aanleg van boomgaarden als kleine landschapselementen;
h.       het geheel of gedeeltelijk wijzigen, aantasten, vernietigen van waardevolle cultuurhistorische elementen;
i.        het al dan niet tijdelijk opslaan en/of storten van bouw- en/of afval materialen.
Artikel 6.3.3
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 kan worden verleend, mits:
a.       de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven en door het uitvoeren van de werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan directe of indirecte te verwachten gevolgen de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind en
b.       aanvrager met documentatie het bedoelde onder a gemotiveerd aantoont.
Bestemmingsplan "[locatie A]" vastgesteld 15 juni 2023
Artikel 3.1
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.       het uitoefenen van sierteeltbedrijven, zoals genoemd in artikel 1.9 sub b ;
alsmede:
b.       ter plaatse van de aanduiding 'gronddepot' tevens grondopslag en -overslag ten behoeve van de sierteelt;
[…]
Artikel 4.1
a.       De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 - bestemd voor:
b.       bedrijven vallende onder de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
c.       ter plaatse van de aanduiding 'loon- en grondbedrijf': een kraan-, handels- en loonbedrijf, alsmede grondopslag;
[…]
Artikel 6.3.1
Het is verboden op of in de in artikel 6.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a.       het aanleggen, wijzigen en verharden van wegen en paden en het aanleggen, wijzigen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
b.       het aanleggen, verleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
c.       het aanbrengen van drainage;
d.       het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden, waaronder begrepen het vergraven of ontgraven van bestaande kaden, dijken of taluds;
e.       het aanleggen of aanbrengen van kaden of aanlegplaatsen;
f.       het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
g.       bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen de aanleg van boomgaarden als kleine landschapselementen;
h.       het geheel of gedeeltelijk wijzigen, aantasten, vernietigen van waardevolle cultuurhistorische elementen;
i.        het al dan niet tijdelijk opslaan en/of storten van bouw- en/of afval materialen.
Artikel 6.3.3
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 kan worden verleend, mits:
a.       de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven en door het uitvoeren van de werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan directe of indirecte te verwachten gevolgen de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind en
b.       aanvrager met documentatie het bedoelde onder a gemotiveerd aantoont.
Link naar deze uitspraak