Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:2672 
 
Datum uitspraak:11-05-2026
Datum gepubliceerd:13-05-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202600238/1/R1 en 2026002 202600238/1/R1 en 2026002
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning aan de [locatie] in Venlo (het perceel). Het perceel heeft in het bestemmingsplan "’t Ven" van 6 oktober 2009 de bestemming "Wonen" zonder bouwvlak. Aan weerszijden van het perceel is bestaande woonbebouwing aanwezig. Aan de westzijde woont initiatiefnemer [partij]. Hij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning op het perceel en voor het aanleggen van een inrit aan de [locatie] te Venlo. Om de bouw van de woning mogelijk te maken heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
Trefwoorden:bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
rijksmonument
wabo
 
Uitspraak
202600238/1/R1 en 202600238/2/R1.
Datum uitspraak: 11 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Venlo,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 december 2025 in zaak nr. 23/3688 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Venlo.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning aan de [locatie] in Venlo (het perceel).
Bij uitspraak van 12 december 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 februari 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door H.J.W. Hondelink, en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Michels, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, advocaat te Zoetermeer, als partij gehoord.
Overwegingen
1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
3.       Het perceel heeft in het bestemmingsplan "’t Ven" van 6 oktober 2009 de bestemming "Wonen" zonder bouwvlak. Aan weerszijden van het perceel is bestaande woonbebouwing aanwezig. Aan de westzijde woont initiatiefnemer [partij]. Hij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning op het perceel en voor het aanleggen van een inrit aan de [locatie] te Venlo. Om de bouw van de woning mogelijk te maken heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
Aan de oostzijde van het perceel woont [verzoeker]. [verzoeker] beschrijft het gebouw waarin hij woont als het Rijksmonument huize [naam] waarin wordt gewoond en ateliers aanwezig zijn. [verzoeker] stelt dat de nieuwe woning op het perceel afbreuk doet aan de waarden van het Rijksmonument en aan zijn woon- en leefklimaat.
De rechtbank heeft het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard. In de nu voorliggende procedure komt [verzoeker] op tegen dit oordeel van de rechtbank. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling van het beroep
Het stedenbouwkundig advies
4.       De rechtbank heeft volgens [verzoeker] ten onrechte geen kennisgenomen van het door hem ingediende advies van de adviseur stedenbouw van de erfgoedvereniging Bond Heemschut, commissie Limburg.
4.1.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank dit advies vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing mogen laten. Het is later dan 10 dagen voor de zitting ingediend bij de rechtbank. In dat kader heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit advies een deskundige beoordeling aan de zijde van verweerder en vergunninghouder vergt om hierop adequaat te kunnen reageren en er aan de zijde van eiser geen verontschuldigbare reden was om dit advies dusdanig laat in te dienen.
Het betoog slaagt niet.
4.2.    In hoger beroep heeft [verzoeker] het stedenbouwkundig advies alsnog kunnen indienen.
Het alternatief
5.       [verzoeker] heeft bij het naar voren brengen van zijn zienswijze gepleit voor een alternatieve situering voor de nieuwe woning op hetzelfde perceel (het alternatief).
Hierbij voert [verzoeker] allereerst aan dat het college het alternatief niet kenbaar bij de besluitvorming, waaronder de nota van zienswijzen, heeft betrokken.
Daarnaast betoogt [verzoeker] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een gelijkwaardig alternatief. Hierbij voert hij aan dat uit het door hem ingediende advies van de adviseur stedenbouw van de erfgoedvereniging Bond Heemschut blijkt dat het alternatief een gelijkwaardig resultaat zou opleveren. Daarbij komt dat het door hem ingediende stedenbouwkundig advies niet nodig was geweest als het college het alternatief zelf zou hebben onderzocht, aldus [verzoeker].
5.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan.
Op de zitting bij de rechtbank heeft het college toegelicht dat de beoordeling van het alternatief afgeleid kan worden uit de afwegingen die het college heeft gemaakt om de aangevraagde afwijking te vergunnen en uit de omstandigheid dat het college niet in het alternatief is meegegaan.
Niet is gebleken dat het college het alternatief niet bij de besluitvorming heeft betrokken.
5.2.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, moet het college beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwplan waarvoor de vergunning is aangevraagd. Als dat project op zichzelf aanvaardbaar is, dan kan het college in beginsel niet vanwege alternatieven voor dat project weigeren daaraan mee te werken. Het college kan dat alleen weigeren als op voorhand duidelijk is dat met één of meer alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
5.3.    De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen dat met het door [verzoeker] aangedragen alternatief geen sprake is van een alternatief als hiervoor bedoeld. De Afdeling ziet in hetgeen [verzoeker] in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om daar anders over te oordelen. Het alternatief brengt namelijk bezwaren met zich voor de bereikbaarheid van de achterzijde van de nieuwe woning en privacy en schaduwwerking van huize [naam] in de tuin van de nieuwe woning. In het advies van de adviseur stedenbouw van de erfgoedvereniging Bond Heemschut staan weliswaar voordelen van het door [verzoeker] voorgestane alternatief, maar die nemen de bezwaren daarvan voor de nieuwe woning niet weg. Dit advies leidt alleen al daarom niet tot een ander oordeel over de gelijkwaardigheid van het alternatief dan waar de rechtbank toe gekomen is.
5.4.    Het betoog slaagt niet.
Het vergunde plan
6.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de ruimtelijke onderbouwing heeft betrokken bij de motivering van het college, omdat die onderbouwing is opgesteld in opdracht van de initiatiefnemer.
6.1.    Aan het bouwplan ligt de ruimtelijke onderbouwing ‘Ruimtelijke onderbouwing woningbouw Straelseweg Venlo’, opgesteld door adviesbureau BRO, ten grondslag. Voor zover een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld in opdracht van een initiatiefnemer overweegt de voorzieningenrechter dat dit niet maakt dat de ruimtelijke onderbouwing alleen al daarom niet bij de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen van het bouwplan door het college betrokken mocht worden. De handelwijze waarbij initiatiefnemer zelf de ruimtelijke onderbouwing aanlevert, is niet ongebruikelijk en laat onverlet dat het college een eigen verantwoordelijkheid heeft om de aanvaardbaarheid van de ruimtelijke gevolgen van de ontwikkeling te beoordelen. Uit de omstandigheid dat de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd aan het bij de rechtbank bestreden besluit volgt dat het college de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing onderschrijft. In de beroepsprocedure heeft [verzoeker] de juistheid van de ruimtelijke onderbouwing bestreden en de rechtbank is daar dan ook op ingegaan.
Het betoog slaagt niet.
7.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank voor de motivering van het college ten aanzien van stedenbouwkundige aspecten ten onrechte waarde heeft gehecht aan de onderbouwing uit het welstandsadvies. Hierbij voert hij aan dat dit advies betrekking heeft op welstand en niet op een goede ruimtelijke ordening in bredere zin zoals de aan te houden afstand tot een monument.
7.1.    De rechtbank heeft vastgesteld dat het college bij de beoordeling van de aanvraag ook de belangen van het naastgelegen Rijksmonument huize [naam] heeft meegewogen. Dit heeft de rechtbank niet alleen afgeleid uit de omstandigheid dat advies is gevraagd aan de welstandscommissie, die de kenmerken voor de inschrijving van het gebouw als Rijksmonument gemotiveerd bij haar advisering heeft betrokken, en dat het college het positieve advies van de welstandscommissie bij de besluitvorming heeft betrokken. Maar ook uit de ruimtelijke onderbouwing die aan het bouwplan ten grondslag ligt waarin, naar de rechtbank terecht heeft vastgesteld, rekening is gehouden met de gevolgen van het bouwplan voor de monumentale waarde en de ruimtelijke uitstraling van huize [naam]. In deze ruimtelijke onderbouwing is onder het kopje ‘Ruimtelijke effecten ten opzichte van het klooster [naam]’ ingegaan op de effecten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor het monumentale klooster. Daarnaast is aangegeven dat de planlocatie binnen de stedelijke contour is gelegen en binnen de aanduiding ‘woongebieden’ waarbij het accent op wonen ligt. Gelet hierop laat de Afdeling in het midden of de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of de ruimtelijke gevolgen voor huize [naam] bij de besluitvorming zijn betrokken, het positieve advies van de welstandscommissie mocht betrekken.
Het betoog slaagt niet.
8.       Volgens [verzoeker] heeft de rechtbank miskend dat het college bij de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen van de voorziene ontwikkeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de monumentale waarde en de ruimtelijke uitstraling van huize [naam]. Hierbij voert hij aan dat niet is ingegaan op de reden waarom huize [naam] is aangewezen als Rijksmonument. Ook is in de jaren ’70 een woning op deze plek gesloopt juist om huize [naam] vrijer te laten liggen. De wens om huize [naam] vrijer te laten liggen volgt volgens [verzoeker] ook uit het ontbreken van een bouwvlak in het geldende bestemmingsplan.
8.1.    Zoals onder 7.1 is overwogen, is in de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan ingegaan op de effecten van de nieuwe woning voor de cultuurhistorische waarden van het monumentale pand met als conclusie dat de oprichting van de woning van één bouwlaag met kap verenigbaar is met het behoud van de bestaande karakteristieke waarden. Vanwege de beperkte grootte en de ligging is de woning goed inpasbaar en vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Het college heeft het bij de rechtbank bestreden besluit mede hierop gebaseerd. Daarbij heeft het erop gewezen dat het feit dat in het verleden een op het perceel voor de voorgevelrooilijn van het voormalige klooster gelegen woning is gesloopt, niet betekent dat een nieuwe woning naar huidige inzichten vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar zou zijn en dat van een solitaire ligging van het gebouw geen sprake meer is. De rechtbank is naar aanleiding van de beroepsgronden ingegaan op de zichtbaarheid en ruimtelijke uitstraling van het monument.
De Afdeling ziet in hetgeen hierover in hoger beroep is aangevoerd geen reden om te oordelen dat de aangevallen uitspraak op dit punt niet in stand kan blijven. Dat in het geldende bestemmingsplan, dat uit 2009 dateert, geen bouwvlak voor een woning is opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit namelijk niet betekent dat iedere bebouwing op het perceel zonder meer in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening.
8.2.    Voor zover [verzoeker] nog heeft aangevoerd dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat huize [naam] een bijgebouw heeft gehad, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In het welstandsadvies, waar [verzoeker] op dit punt naar verwijst, staat dat vanuit de massastudie is gekozen voor een volume in referentie tot een bijgebouw van huize [naam]. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet meer dan dat de nieuwe woning volgens het advies de grootte heeft van wat een bijgebouw bij huize [naam] zou hebben. Anders dan [verzoeker] betoogt is dit geen verwijzing naar een eerder aanwezig bijgebouw of de functie van de nieuwe woning.
Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de rechtbank dit heeft miskend.
Conclusie
9.       Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10.     Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzieningenrechter
w.g. Hupkes
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026
635
Link naar deze uitspraak