|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:2743 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-05-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202501436/1/A2 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen op verzoek van [appellante] een betalingsregeling vastgesteld voor aflossing van teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2020 en 2022. [appellante] heeft over 2020 € 37.836,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen, gebaseerd op een geschat jaarinkomen van € 24.256,00. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens tussen 27 februari 2023 en 16 maart 2023 met haar gesproken over hoe de situatie van haar echtgenoot in 2020 was. Uit dat gesprek heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat de echtgenoot in 2020 niet voldeed aan het woonplaatsvereiste en niet werkte. Hierdoor had [appellante] geen recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2020. Daarom heeft de Dienst Toeslagen de toeslag op nihil vastgesteld en het voorgeschoten bedrag, vermeerderd met rente, teruggevorderd. [appellante] heeft op 24 mei 2023 een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ingediend voor de op dat moment openstaande terugvordering van kinderopvangtoeslag. | | Trefwoorden | : | invorderingsrente | | | kinderopvangtoeslag | | | zorgtoeslag | | | | Uitspraak | 202501436/1/A2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2025 in zaken nrs. 23/6531 en 34/1215 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen op verzoek van [appellante] een betalingsregeling vastgesteld voor aflossing van teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2020 en 2022.
Bij besluit van 9 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 februari 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat de Dienst Toeslagen, bij besluit van 2 oktober 2025, een nieuwe betalingsregeling heeft vastgesteld voor aflossing van teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2020 en 2021, teruggevorderde huurtoeslag over 2023 en teruggevorderde zorgtoeslag over 2023. Dit besluit is na de zitting overgelegd. De Afdeling heeft daarom met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend om [appellante] de gelegenheid te bieden gronden in te dienen tegen dit besluit.
[appellante] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 2 oktober 2025.
Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft over 2020 € 37.836,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen, gebaseerd op een geschat jaarinkomen van € 24.256,00. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens tussen 27 februari 2023 en 16 maart 2023 met haar gesproken over hoe de situatie van haar echtgenoot in 2020 was. Uit dat gesprek heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat de echtgenoot in 2020 niet voldeed aan het woonplaatsvereiste en niet werkte. Hierdoor had [appellante] geen recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2020. Daarom heeft de Dienst Toeslagen de toeslag op nihil vastgesteld en het voorgeschoten bedrag, vermeerderd met rente, teruggevorderd.
2. [appellante] heeft op 24 mei 2023 een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ingediend voor de op dat moment openstaande terugvordering van kinderopvangtoeslag. Op 24 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen een betalingsregeling getroffen. Bij besluit van 9 januari 2024 is het maandelijkse aflossingsbedrag verlaagd van € 1.046,00 naar € 1.026,00 voor een periode van 24 maanden. De hoogte van het teruggevorderde bedrag is tussen partijen niet meer in geschil. Het hoger beroep gaat alleen over de vraag of de betalingsregeling zorgvuldig is vastgesteld.
Hoger beroep en de boordeling daarvan
3. De rechtbank heeft overwogen dat de persoonlijke betalingsregeling voor [appellante] zorgvuldig is vastgesteld en dat de Dienst Toeslagen geen reden hoefde te zien om deze regeling aan te passen. Zij heeft hiertoe overwogen dat de Dienst Toeslagen bij de vaststelling van de persoonlijke betalingsregeling rekening heeft gehouden met alle kosten en uitgaven die daarvoor op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 in aanmerking komen. Verder heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij onvoldoende middelen heeft om de vast gestelde maandelijkse aflostermijn te voldoen, er zijn ook geen aanwijzingen dat de hoogte van de aflostermijn onevenredig is. Over de stelling van [appellante] dat zij onbekend was met de wettelijke vereisten voor het recht op kinderopvangtoeslag, heeft de rechtbank overwogen dat dat geen bijzondere omstandigheid is om de persoonlijke betalingsregeling aan te passen.
4. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden door de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 en 7.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beroep van rechtswege en de beoordeling daarvan
6. Bij besluit van 2 oktober 2025 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek tot uitstel van betaling voor aflossing van teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2020 en 2021, teruggevorderde huurtoeslag over 2023 en teruggevorderde zorgtoeslag over 2023 toegewezen. Aan het uitstel heeft de Dienst Toeslagen voorwaarden verbonden, namelijk het betalen van € 960,00 per maand vanaf 31 oktober 2025 en het totale bedrag van de terugvorderingsbeschikkingen (inclusief invorderingsrente en vervolgingskosten) moet op 30 september 2027 zijn afbetaald.
6.1. Gelet op de inhoud van het besluit van 2 oktober 2025 heeft de Dienst Toeslagen daarmee het besluit van 9 januari 2024 deels vervangen. Dit besluit wordt van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding (artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet).
6.2. [appellante] kan zich ook met dit besluit niet verenigen. Zij is het niet eens met de betalingscapaciteit en de hoogte van het aflossingsbedrag. Het bedrag is volgens haar nog steeds te hoog en haar situatie laat dat niet toe.
6.3. Het besluit van 2 oktober 2025 strekt tot verlaging van het maandelijkse aflossingsbedrag van € 1.026,00 naar € 960,00 en vormt daarmee een verbetering ten opzichte van het besluit van 9 januari 2024. In de gronden die [appellante] tegen het nieuwe besluit heeft aangevoerd, heeft zij niet geconcretiseerd waarom zij het maandelijkse aflossingsbedrag van € 960,00 niet kan voldoen.
7. Het beroep van rechtswege is ongegrond.
8. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep van rechtswege tegen het besluit van 2 oktober 2025 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. de Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
284-1189 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|