Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:2744 
 
Datum uitspraak:13-05-2026
Datum gepubliceerd:13-05-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202501473/1/R1
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Schagen het bestemmingsplan "Jonkerhof, Waarland" gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet onder andere in de nieuwbouw van maximaal 24 woningen in de vorm van een hof op het perceel ten noorden van [locatie] in Waarland. Uit de plantoelichting volgt dat met het plan is beoogd 24 woningen ten behoeve van senioren te realiseren, waarvan 8 sociale huurwoningen, 8 middeldure koopwoningen of betaalbare huurwoningen en 8 vrije sector woningen. Aan de westzijde van het plangebied is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend met de aanduidingen "ijsbaan" (gedeeltelijk) en "milieuzone - spuitzone".
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
lichthinder
perceel
waterschap
 
Uitspraak
202501473/1/R1.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Waarland, gemeente Schagen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Schagen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Jonkerhof, Waarland" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 februari 2026, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door [persoon A], en de raad, vertegenwoordigd door G. Lukken en M.G.J. van ’t Hoenderdal, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door [persoon B], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het plan voorziet onder andere in de nieuwbouw van maximaal 24 woningen in de vorm van een hof op het perceel ten noorden van [locatie] in Waarland. Uit de plantoelichting volgt dat met het plan is beoogd 24 woningen ten behoeve van senioren te realiseren, waarvan 8 sociale huurwoningen, 8 middeldure koopwoningen of betaalbare huurwoningen en 8 vrije sector woningen. Aan de westzijde van het plangebied is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend met de aanduidingen "ijsbaan" (gedeeltelijk) en "milieuzone - spuitzone".
[appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen en hebben daartegen beroep ingesteld. Volgens hen zal de komst van de woningen hun woon- en leefomgeving aantasten, onder andere door een verkeerstoename en belemmering van hun vrije uitzicht.
Bespreking beroep
Toetsingskader bestemmingsplan
3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Participatie
4.       [appellant] en anderen betogen dat er bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onvoldoende participatie is geboden. Zij voeren aan dat er gedurende het hele traject geen overleg is geweest en er geen gehoor is gegeven aan het voorstel van de omwonenden om vast te houden aan het originele, kleinschaligere, plan.
4.1.    De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet is gebleken dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in die afdeling. Het ontwerpplan is op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en ter inzage gelegd. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. De ingediende zienswijzen, waaronder de zienswijzen van [appellant] en anderen, heeft de raad betrokken in zijn afweging, zoals blijkt uit het vaststellingsbesluit in samenhang met de nota van zienswijzen. Gelet op het voorgaande volgt de Afdeling [appellant] en anderen dan ook niet in hun betoog dat onvoldoende participatie zou zijn geboden. Overigens zijn er voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan drie openbare bijeenkomsten over de in het plan voorziene ruimtelijke ontwikkeling georganiseerd en zijn er ook na de zienswijzeprocedure nog drie bijeenkomsten daarover georganiseerd.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)?
5.       [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, is vastgesteld.
Zij voeren in dit kader aan dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom er een behoefte is aan woningen voor ouderen.
[appellant] en anderen wijzen hierbij er op dat de term ‘senioren’ in dit verband misleidend is, omdat het gaat om woningen voor vijfenvijftigplussers. Volgens hen heeft de raad op geen enkele wijze aangegeven hoe hij kan garanderen dat deze woningen daadwerkelijk zullen worden gekocht dan wel gehuurd door senioren uit Waarland.
Verder voeren [appellant] en anderen aan dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom niet in de behoefte voor woningen kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Volgens hen is de enkele stelling dat er geen locaties beschikbaar zijn binnen het bestaand stedelijk gebied onvoldoende.
5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er behoefte is aan de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt en waarom in deze behoefte wordt voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied. Het plan is daarmee vastgesteld in overeenstemming met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, aldus de raad.
5.2.    Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, dient de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling te bevatten. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de plantoelichting ook een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
5.3.    In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting is de raad ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Volgens de plantoelichting is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat met het plan 24 woningen mogelijk worden gemaakt. Wat betreft de behoefte aan woningen, vermeldt de plantoelichting dat er een tekort is aan woningen in de gemeente Schagen, waaronder een groot tekort aan seniorenwoningen. Hierdoor stagneert ook de doorstroming, omdat senioren niet verhuizen. Omdat uit recente gemeentelijke prognoses blijkt dat er een behoefte is aan 198 woningen in Waarland, voorziet de ontwikkeling van 24 woningen volgens de plantoelichting in een kwantitatieve behoefte aan woningen. De plantoelichting vermeldt verder dat in de gemeente Schagen uitsluitend sprake is van een (centrum)dorps en landelijk woonmilieu. In de gemeentelijke omgevingsvisie is aangegeven dat de gemeente graag nieuwe vormen van wonen ziet, waarbij meerdere huishoudens samen een doel hebben. Hierbij wordt als voorbeeld een hofje genoemd. Omdat het plan seniorenwoningen in een vorm van een hof mogelijk maakt, voorziet het plan volgens de plantoelichting ook in een kwalitatieve behoefte.
Tot slot vermeldt de plantoelichting dat de locaties binnen het bestaand stedelijk gebied de afgelopen jaren al zijn benut. De planlocatie grenst aan het bestaand stedelijk gebied en ligt dichtbij voorzieningen zoals een supermarkt, een kerk en een dorpshuis. De betrokken locatie is daarmee geschikt voor seniorenwoningen.
5.4.    In hetgeen door [appellant] en anderen is aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er een behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen en waarom in deze behoefte wordt voorzien buiten bestaand stedelijk gebied.
Waar [appellant] en anderen menen dat de enkele stelling van de raad dat er geen locaties beschikbaar zijn binnen bestaand stedelijk gebied, onvoldoende is om de voorziene woningen buiten bestaand stedelijk gebied te voorzien, mist het betoog in zoverre feitelijke grondslag. De Afdeling stelt vast dat de raad in de plantoelichting niet alleen heeft vermeld dat er geen locaties binnen bestaand stedelijk beschikbaar zijn voor een woningbouwontwikkeling als het seniorenhofje, maar dat daarin ook is vermeld dat door nieuwbouwplannen die in de afgelopen jaren in Waarland zijn gerealiseerd, resterende beschikbare locaties aldaar, zoals onder andere de locatie van de voormalige handbalvelden en voetbalvelden, reeds zijn benut. Waar [appellant] en anderen op de zitting nog hebben gewezen op een locatie ten noorden van het plangebied, heeft de raad hierover toegelicht dat op deze locatie ten opzichte van de bestaande situatie voorzien wordt in 10 extra woningen en dat dit aantal niet toereikend is om te voldoen aan de behoefte aan in totaal 198 woningen in Waarland.
Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat in het bestemmingsplan moet worden vastgelegd dat in het plangebied alleen seniorenwoningen zijn toegestaan, overweegt de Afdeling het volgende. Het beperken van het gebruik van woningen tot alleen gebruik door senioren in een bestemmingsplan is niet mogelijk, omdat dit zou leiden tot een niet ruimtelijk relevant onderscheid naar leeftijd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2985, onder 24.1). De afmetingen en de situering van de voorziene woningen kunnen er overigens wel aan bijdragen dat de woningen door senioren zullen worden betrokken.
5.5.    Gelet op het voorgaande heeft de raad terecht geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met de Omgevingsverordening NH 2020?
6.       [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd met de artikelen 6.10 en 6.59 van de Omgevingsverordening NH 2020 is vastgesteld, omdat uit de plantoelichting volgens hen onvoldoende blijkt dat het plan regionaal is afgestemd en is getoetst aan de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, zoals vereist is in die artikelen.
6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan is getoetst aan en in overeenstemming is met de Omgevingsverordening en de Leidraad.
6.2.    Artikel 6.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening luidt:
"1. Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken."
Artikel 6.10 luidt:
"1. Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied Noord-Holland Noord landelijk gebied uitsluitend voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken.
2. De in het eerste lid genoemde afspraken kunnen alleen afspraken bevatten over locaties die zijn gelegen in of aan kernen of in of aan dorpslinten.
[…]."
Artikel 6.59 luidt:
"1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
2. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie:
a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren;
b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en
c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.
3. (…);
4. De toelichting van een ruimtelijk plan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid.
5. Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatieafweging of de ruimtelijke inpassing.
6.3.    In paragraaf 3.3 van de plantoelichting is beschreven op welke wijze het plan is getoetst aan de Omgevingsverordening.
Waar [appellant] en anderen aanvoeren dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 6.10 van de Omgevingsverordening, overweegt de Afdeling dat dit artikel uitsluitend betrekking heeft op een ruimtelijk plan dat voorziet in een kleinschalige woningbouwontwikkeling. Het plan voorziet evenwel in de bouw van 24 woningen. Gelet hierop, alsook op de definitie van ‘kleinschalige ontwikkeling’ in de Omgevingsverordening die erop neer komt dat het niet moet gaan om een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro en de duiding van de Afdeling van 11 woningen of meer als stedelijke ontwikkeling, maakt dat artikel 6.10 van de Omgevingsverordening niet van toepassing is. Wel voorziet het plan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en kan het plan daarom op grond van artikel 6.3 van de Omgevingsverordening uitsluitend voorzien in deze ontwikkeling als het plan in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. De plantoelichting vermeldt dat het plan in overeenstemming met de regionale woningbouwafspraken op 16 juni 2023 regionaal is afgestemd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om [appellant] en anderen te volgen in hun standpunt dat het plan niet of onvoldoende regionaal is afgestemd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 6.3 van de Omgevingsverordening is vastgesteld.
6.4.    Voor zover [appellant] en anderen stellen dat het plan in strijd met artikel 6.59 van de Omgevingsverordening is vastgesteld, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting vermeldt op welke wijze het plan is aangesloten op de uitgangspunten uit de Leidraad. De raad heeft verder desgevraagd nader toegelicht waarom het plan aansluit bij de ambities en ontwikkelprincipes uit de Leidraad. Het plan houdt namelijk rekening met en draagt bij aan de kernwaarden van het toepasselijke ensemble West-Friesland West, zoals de landschappelijke karakteristiek, het behoud van de openheid en de structuren en lijnen die het landschap bepalen. Daarbij is van belang dat dorpen bij een uitbreiding een afgerond geheel vormen. Volgens de raad ontstaat met het plan overeenkomstig de ontwikkelprincipes uit de Leidraad een afgerond geheel door middel van een goed vormgegeven rand naar het landschap. Er ontstaat een helder onderscheid tussen dorp en het omringende landelijk gebied. De raad heeft op de zitting verder toegelicht dat op de locatie sprake is van weinig openheid ten opzichte van het omliggende gebied, en dat voor zover hier al sprake is van openheid, deze niet wordt aangetast. De planlocatie ligt tussen bestaande woon- en bedrijfsbebouwing in en het hofje sluit aan bij de aanwezige kavelstructuur en de bebouwingsritmiek van de bestaande bebouwing aan de Jonkerstraat. Aan de zijde van de Jonkerstraat zijn drie bouwblokken met daartussen open ruimte voorzien. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting is verder aangegeven dat met de beleving van openheid rekening is gehouden door het behoud van de sloot en tuintjes richting de Jonkerstraat. Dit creëert volgens de plantoelichting ook een buffer tussen de bestaande en de nieuwe bebouwing.
Gelet op wat in paragraaf 3.3 van de plantoelichting staat en wat de raad hierover op de zitting heeft toegelicht, ziet de Afdeling in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan onvoldoende heeft getoetst aan de Leidraad. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 6.59 van de Omgevingsverordening is vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
7.       [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot onaanvaardbare verkeershinder. Zij voeren in dat kader aan dat de raad ten onrechte geen verkeersonderzoek aan het plan ten grondslag heeft gelegd. Volgens hen zal het plan door de toename van het verkeer leiden tot verkeersonveilige situaties bij het zwembad en op het kruispunt tussen de Jonkerstraat en Molenzicht. Daarbij wijzen zij er verderop dat de Jonkerstraat zelf een smalle weg is met auto’s die aan de weg geparkeerd staan. Daarnaast zal de toename van het verkeer leiden tot een onaanvaardbare toename van het wegverkeerslawaai.
7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat een verkeersonderzoek naar de gevolgen van het plan niet nodig is, omdat de toename van het aantal verkeersbewegingen beperkt is en het verkeer daarom veilig kan worden afgewikkeld. De raad stelt verder dat vanwege de geringe toename aan verkeer, de verkeershinder als gevolg van het plan niet onaanvaardbaar is.
7.2.    In paragraaf 4.7 van de plantoelichting is vermeld dat het plangebied via twee kanten wordt ontsloten, waardoor het verkeer zich over twee richtingen zal verspreiden. De Jonkerstraat, waarop het plangebied wordt ontsloten, is een erftoegangsweg waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.
De raad heeft verder toegelicht dat het plan weliswaar leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, maar dat de capaciteit van de Jonkerstraat zodanig is dat de toename van het aantal verkeersbewegingen geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. De raad heeft daarbij erop gewezen dat volgens de kencijfers van het CROW 24 seniorenwoningen tussen de 168 en 187 mvt/etmaal genereren en dat het deel van de Jonkerstraat waar [appellant] en anderen wonen, als erftoegangsweg een maximale capaciteit van 6.000 mvt/etmaal heeft. Verder is de bestaande verkeersintensiteit op de Jonkerstraat laag (ongeveer 72 motorvoertuigen per etmaal), wat door [appellant] en anderen niet is weersproken.
7.3.    De Afdeling is van oordeel dat de raad inzichtelijk heeft gemaakt dat de toename van het aantal verkeerbewegingen als gevolg van het plan zeer beperkt is en qua doorstroming en veiligheid adequaat kan worden afgewikkeld. Waar [appellant] en anderen stellen dat aan het plan geen formeel verkeersonderzoek ten grondslag is gelegd, overweegt de Afdeling dat de raad voor de berekening van de extra verkeersbewegingen door het plan heeft kunnen volstaan met bureauonderzoek en schattingen. Het is voor de berekening van de verkeersgeneratie van een voorziene nieuwe functie niet ongebruikelijk en naar het oordeel van de Afdeling in een situatie als deze ook niet onredelijk dat daarmee wordt volstaan, zoals bijvoorbeeld volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2614, onder 3.2.
Waar [appellant] en anderen stellen dat de toename van het verkeer zal leiden tot verkeersonveilige situaties ter plaatse van het zwembad en de kruising van de Jonkerstraat met de Molenzicht, is de Afdeling van oordeel dat vanwege de zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan, niet aannemelijk is dat de in het plan voorziene ruimtelijke ontwikkeling onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid op die locaties.
De Afdeling ziet verder in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van wegverkeerslawaai ter plaatse van hun woningen. Hierbij betrekt de Afdeling niet alleen de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen, maar ook het gegeven dat de Jonkerstraat ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen, een 30 km/uur-straat is en de rijsnelheid hier dus laag is.
Voor zover [appellant] en anderen tot slot op de zitting nog hebben gewezen op het gegeven dat de raad geen rekening heeft gehouden met mogelijk toekomstig verkeer afkomstig van De Boereplaats, acht de Afdeling het standpunt van de raad aannemelijk dat gelet op de bestaande verkeersstromen van het zwembad, dit verkeer zal ontsluiten via het oostelijke deel van de Jonkerstraat en niet via het deel van de Jonkerstraat waar [appellant] en anderen wonen.
Het betoog slaagt niet.
Ontsluiting
8.       [appellant] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een ontsluiting van het plangebied tegenover de woning van [appellant]. Zij vrezen parkeerproblemen voor [appellant], omdat hij op de openbare weg voor zijn woning parkeert. Daarnaast vrezen ze dat de ontsluiting leidt tot onaanvaardbare lichthinder vanwege inschijnende koplampen van voertuigen die het plangebied verlaten. De raad heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden, aldus [appellant] en anderen.
8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene ontsluiting niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening of tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.
8.2.    In wat [appellant] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de voorziene ontsluiting zal leiden tot ernstige parkeerproblemen of onaanvaardbare lichthinder. De Afdeling overweegt hiertoe dat het plangebied vanwege de ligging van de gronden met de bestemming "Verkeer", zal worden ontsloten via twee uitritten, in het noorden en zuiden van het plangebied. Het plan voorziet niet in een precieze locatie van de noordelijke ontsluiting, maar de Afdeling begrijpt dat de raad wel beoogt deze ontsluiting aan te leggen conform het inrichtingsplan. De raad heeft hierop op de zitting ook nadrukkelijk gewezen. De raad heeft daarbij aangegeven dat de noordelijke ontsluiting niet recht tegenover de woning van [appellant] komt te liggen. In het inrichtingsplan is deze ontsluiting zo gepositioneerd dat de zijkant van de ontsluiting in het verlengde van de perceelsgrens van [appellant] ligt en dat de rest van de ontsluiting naast het perceel van [appellant] ligt. Gelet op deze ligging van deze ontsluiting, heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het parkeren op de openbare weg voor de woning van [appellant] niet wordt belemmerd en dat er geen sprake zal zijn van inschijnende koplampen direct voor de woning. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad erop heeft gewezen dat het verkeer dat het plangebied via de noordelijk gelegen ontsluiting verlaat, voornamelijk linksaf zal rijden richting het noorden, waardoor er bij het indraaien geen sprake zal zijn van inschijnende koplampen. De Afdeling acht dit aannemelijk. Mocht het verkeer vanuit het plangebied via de noordelijke ontsluiting alsnog richting het zuiden rijden, dan betreft dit een beperkt aantal verkeersbewegingen.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de voorziene ontsluiting van het plangebied niet leidt tot parkeerproblemen ter plaatse van de woning van [appellant] of onaanvaardbare lichthinder vanwege inschijnende koplampen in de woningen van [appellant] en anderen. Voor zover de noordelijke ontsluiting alsnog in afwijking van het inrichtingsplan wordt aangelegd, overweegt de Afdeling dat ook dit niet leidt tot een onaanvaardbaar plan, gelet op de geringe toename van het verkeer, het naar verwachting bij het verlaten van het plangebied via die ontsluiting linksaf slaan van het verkeer en de mogelijkheid van beplanting in de voortuinen van de bestaande woningen.
Het betoog slaagt niet.
Belemmering vrij uitzicht
9.       [appellant] en anderen betogen dat het plan zorgt voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voeren daartoe aan dat de woningen die zullen worden gebouwd tegenover hun woningen, hun vrije uitzicht belemmeren.
9.1.    De Afdeling stelt voorop dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4537, onder 12.1). Niet in geschil is dat met het plan het uitzicht van [appellant] en anderen wordt beïnvloed. De Afdeling is echter van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat verlies van uitzicht niet onaanvaardbaar is. De kortste afstand tussen de voorziene woningen en de woningen van [appellant] en anderen ten oosten van het plangebied is ongeveer 25 m, waarbij een maximale bouwhoogte geldt van 6,5 m. In de westzijde van het plangebied geldt voor een deel een maximale bouwhoogte van 8,5 m. De raad heeft daarnaast toegelicht dat er ook een zekere openheid tussen de woningen is. Aan de zijde van de Jonkerstraat wordt voorzien in drie bouwvlakken met daartussen open ruimten. Bovendien wordt in de bestaande situatie het vrije uitzicht vanaf de Jonkerstraat al deels belemmerd door het bedrijventerrein achter het plangebied.
Gelet op de voornoemde omstandigheden, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat het plan vanwege een beperking van het uitzicht niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen.
Het betoog slaagt niet.
Zonnepanelen
10.     [appellant] en anderen betogen dat er geen rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor het rendement van bestaande zonnepanelen van de bewoners van nabijgelegen woningen, aangezien een zonnestudie bij het plan ontbreekt.
10.1.  Zoals eerder overwogen onder 9.1, is de kortste afstand tussen de voorziene woningen en de dichtstbij gelegen bestaande woning ongeveer 25 m, waarbij een maximale bouwhoogte geldt van 6,5 m. Het deel van het plangebied waarvoor een maximale bouwhoogte van 8,5 m geldt, ligt op ongeveer 60 m afstand van de woningen. Gelet op deze bouwhoogten en afstanden ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat het plan geen onaanvaardbare schaduwwerking op de daken van de bestaande woningen en daarop aanwezige zonnepanelen teweegbrengt. Nog daargelaten dat er geen wettelijke verplichting bestaat een stedelijke omgeving zo in te richten dat eigenaren van bestaande gebouwen, nu en in de toekomst, optimaal gebruik kunnen maken van zonnepanelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4204, onder 7.1).
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11.     Het beroep is ongegrond.
12.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
817-1138
Link naar deze uitspraak