Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:2840 
 
Datum uitspraak:20-05-2026
Datum gepubliceerd:27-05-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202600038/2/A3
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 25 november 2025 in zaken nrs. 25/2267 en 25/2274. Partijen A tot en met E hebben de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Stichting Een Dier Een Vriend (de Stichting) heeft aan de minister gevraagd om op grond van de Wet open overheid (Woo) alle documenten openbaar te maken van de inspecteurs van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit over het slachten van drachtige koeien in de jaren 2018 tot en met 2022. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft dat verzoek toegewezen en besloten de documenten uitgesteld openbaar te maken. Onder deze documenten bevinden zich documenten die zien op de onderneming van Partijen A tot en met E.
Trefwoorden:koeien
landbouw
 
Uitspraak
202600038/2/A3.
Datum beslissing: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van:
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 25 november 2025 in zaken nrs. 25/2267 en 25/2274 in het geding tussen:
Partijen A tot en met E,
en
de minister.
Procesverloop
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 25 november 2025 in zaken nrs. 25/2267 en 25/2274.
Partijen A tot en met E hebben de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het betreft de schriftelijke uiteenzetting op het hoger beroep van de minister en het voorwaardelijke hoger beroepschrift van Partijen A tot en met E.
Overwegingen
Inleiding
1.       Stichting Een Dier Een Vriend (de Stichting) heeft aan de minister gevraagd om op grond van de Wet open overheid (Woo) alle documenten openbaar te maken van de inspecteurs van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit over het slachten van drachtige koeien in de jaren 2018 tot en met 2022. De minister heeft dat verzoek toegewezen en besloten de documenten uitgesteld openbaar te maken. Onder deze documenten bevinden zich documenten die zien op de onderneming van Partijen A tot en met E.
2.       De rechtbank heeft het beroep van Partijen A tot en met E alleen gegrond verklaard voor zover dat gaat over de openbaarmaking van documenten buiten de periode waarop het Woo-verzoek ziet. De minister is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Verzoek
3.       Partijen A tot en met E hebben een schriftelijke reactie ingediend. Daarin hebben zij ook gevraagd om anoniem te mogen procederen. Volgens hen zijn er gewichtige redenen waardoor alleen de Afdeling kennis mag nemen van de (bedrijfs)naam, adresgegevens, zogenoemde Identificatie & Registratiegegevens, Bedrijfs- en Relatiesysteemnummer en Uniek Bedrijfsnummer. De reden daarvoor is om te voorkomen dat de Stichting bekend wordt met die gegevens.
Daarnaast verzoeken Partijen A tot en met E om de zitting niet in openbaarheid te laten plaatsvinden.
Beoordeling door de Afdeling
4.       Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
Anonimiseren van de stukken
5.       De Afdeling heeft kennis genomen van de vertrouwelijke versie van het stuk. Zij stelt vast dat de gegevens van de Partijen A tot en met E onderwerp zijn van het verzoek om openbaarmaking. Partijen A tot en met E verzoeken alleen om in de schriftelijke stukken die zij indienen bij de Afdeling de gegevens te mogen anonimiseren. Zonder hun gegevens in de schriftelijke reactie en andere stukken kunnen zij niet als partij aan de procedure deelnemen. De vraag of de gegevens van Partijen A tot en met E openbaar moeten worden gemaakt is nog onderwerp in het geschil in de bodemprocedure. Hun rechtsbescherming als partij tegen de hen onwelgevallige uitspraak van de rechtbank zou onaanvaardbaar worden beperkt als zij vooruitlopend op dat oordeel met de hun direct identificeerbare gegevens als procespartij worden vermeld. Afwijzing van het verzoek om zonder bekendmaking van hun gegevens te procederen heeft onomkeerbare gevolgen omdat die gegevens dan nu al kenbaar zouden worden bij de Stichting. Daardoor zou de uiteindelijke beoordeling in de bodemprocedure zinloos worden.
6.       De Afdeling bepaalt dat Partijen A tot en met E zichzelf mogen aanduiden met ‘de agrarische onderneming respectievelijk de vennoten daarvan’. De Afdeling verwacht van de andere partijen in deze zaak dat zij ook deze benaming voor Partijen A tot en met E hanteren.
Verder bepaalt de Afdeling dat Partijen A tot en met E zelf naast de vertrouwelijke versie een gepseudonimiseerde versie van hun stukken aan de Afdeling overleggen zodat de Afdeling die kan doorsturen naar de andere partijen in deze zaak.
Zitting achter gesloten deuren
7.       Het is aan de zittingskamer die het hoger beroep behandelt om te beslissen of de behandeling op de zitting in het openbaar zal plaatsvinden of achter gesloten deuren. De geheimhoudingskamer laat dat deel van het verzoek daarom buiten beschouwing.
8.       De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
290
Link naar deze uitspraak