Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:3185 
 
Datum uitspraak:03-06-2026
Datum gepubliceerd:03-06-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202501659/1/R2
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Bij besluit van 22 juli 2024 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan Lawn Tennis Club Gorssel (tennisvereniging) een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van een nest van een ooievaar door het verwijderen van een ooievaarspaal. De omgevingsvergunning is verleend voor het wegnemen van een nest van een ooievaar door het verwijderen van een ooievaarspaal op het terrein van de tennisvereniging. De omgevingsvergunning is verleend onder het voorschrift dat de ooievaarspaal op 35 meter van de oude locatie wordt geplaatst. [appellant] en anderen zijn omwonenden van het terrein van de tennisvereniging. Zij vinden dat hun woon- en leefomgeving wordt aangetast door het wegnemen van het nest van de ooievaar door de verwijdering en verplaatsing van de ooievaarspaal. De ooievaar is hierdoor uit hun woonomgeving verdreven en niet teruggekeerd.
Trefwoorden:eieren
gewassen
omgevingsvergunning
perceel
vee
 
Uitspraak
202501659/1/R2.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (de rechtbank) van 11 februari 2025 in zaak nr. 25/158 en 25/159 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2024 heeft het college aan Lawn Tennis Club Gorssel (tennisvereniging) een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van een nest van een ooievaar door het verwijderen van een ooievaarspaal.
Bij besluit van 3 december 2024 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 11 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
De tennisvereniging heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Daar zijn [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], en het college vertegenwoordigd door mr. H.E.J. Kemerink op Schiphorst, M. Vermeulen en T. Brouwer, verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       In deze zaak beantwoordt de Afdeling de vraag of [appellant] en anderen belanghebbende zijn bij de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit die aan de tennisvereniging is verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor het wegnemen van een nest van een ooievaar door het verwijderen van een ooievaarspaal op het terrein van de tennisvereniging. De omgevingsvergunning is verleend onder het voorschrift dat de ooievaarspaal op 35 meter van de oude locatie wordt geplaatst.
1.1.    [appellant] en anderen zijn omwonenden van het terrein van de tennisvereniging. Zij vinden dat hun woon- en leefomgeving wordt aangetast door het wegnemen van het nest van de ooievaar door de verwijdering en verplaatsing van de ooievaarspaal. De ooievaar is hierdoor uit hun woonomgeving verdreven en niet teruggekeerd.
1.2.    De rechtbank onderschrijft het standpunt van het college dat [appellant] en anderen geen belanghebbende zijn bij de omgevingsvergunning. De rechtbank ziet geen reden dat de omgevingsvergunning enige ruimtelijke uitstraling op de woon- en leefomgeving van [appellant] en anderen heeft. Daarbij betrekt de rechtbank de afstand tussen de woningen en de ooievaarspaal en het opgaande groen dat het zicht op de ooievaarspaal in zekere mate belemmert. Dat [appellant] en anderen de ooievaars kunnen zien, deze over hun woningen vliegen en in de omgeving foerageren is onvoldoende om hen als belanghebbende aan te merken.
Goede procesorde
2.       [appellant] en anderen hebben verzocht om het verweerschrift van het college van 8 mei 2026 wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. De Afdeling ziet daar geen aanleiding voor. De inhoud en omvang van dit stuk is zodanig dat er voor [appellant] en anderen genoeg tijd resteerde om daar adequaat op te reageren.
Zijn [appellant] en anderen belanghebbende bij de omgevingsvergunning?
3.       [appellant] en anderen betwisten het oordeel van de rechtbank dat zij niet belanghebbend zijn bij de omgevingsvergunning. Zij stellen dat de afstand van hun woningen tot de ooievaarspaal minder dan 100 meter is en dat zij, in ieder geval vanaf de eerste verdieping van hun woningen, zicht hebben op de nieuwe ooievaarspaal. Zij vinden dat de rechtbank bij de beoordeling van het zicht te veel waarde toekent aan de afschermende werking van beplanting. Verder stellen [appellant] en anderen dat zij ook andere feitelijke gevolgen dan zicht door de verwijdering en verplaatsing van de ooievaarspaal ondervinden. De aanwezigheid van een grote vogel in de omgeving die frequent van en naar het nest vliegt, van verre waarneembaar is en luid kleppert heeft volgens hen een grote ruimtelijke uitstraling op de omgeving. Ook is van belang dat het oude nest besmet zou zijn met het vogelgriepvirus en het besmette nest na verplaatsing dichterbij hun woningen komt te staan. Verder betogen [appellant] en anderen dat zij belanghebbende zijn omdat hun percelen grenzen aan het perceel waar het ooievaarsnest staat. In zo’n geval wordt in de jurisprudentie van de Afdeling aangenomen dat feitelijke gevolgen die zich voordoen in beginsel van enige betekenis zijn.
[appellant] wijst er verder op dat hij door het college in een handhavingsprocedure wel als belanghebbende is aangemerkt. Hij stelt dat hij daaraan het vertrouwen mag ontlenen dat hij ook in deze procedure belanghebbend is.
Verder stellen [appellant] en anderen dat de tennisvereniging een meervoudige aanvraag heeft ingediend die op één of meer omgevingsplanactiviteiten én de flora- en fauna-activiteit betrekking heeft. Omdat zij belanghebbende zijn bij de omgevingsplanactiviteit, zijn zij ook belanghebbend bij de flora- en fauna-activiteit die deel uitmaakt van het besluit van het college op de meervoudige aanvraag.
-         Het beoordelingskader
4.       Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaat onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
4.1.    Het besluit dat in deze zaak aan de orde is, is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten van vogels, als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet (Ow) gelezen in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.    Tot 1 januari 2024 was voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten van vogels een ontheffing nodig op grond van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In de uitspraak van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226 (onder 3.4), is uiteengezet op welke wijze de belanghebbendheid van een natuurlijke persoon bij een Wnb-ontheffing wordt beoordeeld. Die rechtspraak houdt in dat bepalend is of de handeling waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. Daarbij is van belang dat een Wnb-ontheffing ziet op de bescherming van soorten en een daartoe beperkte ruimtelijke uitstraling heeft. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de Wnb-ontheffing mogelijk wordt gemaakt is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de Wnb-ontheffing niet van belang.
De Afdeling zet deze rechtspraak onder de Ow voor de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voort. Dat betekent het volgende.
5.       Voor de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit geldt als uitgangspunt dat de betrokkene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de handeling die de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit toestaat in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon- of leefsituatie van iemand zijn kijkt de Afdeling naar de ruimtelijke uitstraling van de handeling waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zoals het doden of verstoren van soorten, of het weghalen van nesten. De omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit heeft betrekking op de bescherming van soorten en heeft een daartoe beperkte ruimtelijke uitstraling. De ruimtelijke uitstraling en feitelijke gevolgen van het project dat mede door de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit mogelijk wordt gemaakt - in dit geval de aanleg van padelbanen - is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit niet van belang.
-         Toepassing beoordelingskader
6.       In dit geval is de handeling waarvoor de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is verleend het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van een nest van een ooievaar. De omgevingsvergunning is dus nodig voor het wegnemen van de oude ooievaarspaal. De afstand van de woningen van [appellant] en anderen aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Gorssel tot de oude locatie van de ooievaarspaal bedraagt hemelsbreed ongeveer 120 en 135 meter. Tussen de woningen en de oude locatie van de ooievaarspaal liggen een weg, een strook hoogopgaande beplanting, voetbalvelden, een strook hoogopgaande beplanting, tennisvelden, en de strook hoogopgaande beplanting waar de ooievaarspaal stond.
De omgevingsvergunning is verleend onder het voorschrift dat "de nestpaal wordt geplaatst op het naastgelegen terrein op circa 35 meter afstand van de oorspronkelijke locatie zoals aangegeven in figuur 1 van deze vergunning". Omdat de plaatsing van de nestpaal op de nieuwe locatie in de vergunning is voorgeschreven, is die plaatsing een rechtstreeks feitelijk gevolg van de vergunde handeling. De plaatsing van de nestpaal op de nieuwe locatie is daarom ook van belang voor de beoordeling van de belanghebbendheid. De nieuwe ooievaarspaal staat op ongeveer 100 meter van de woning [locatie 1] en 115 meter van woning [locatie 2]. De afstand tot de perceelsgrenzen is ongeveer 85 en 100 meter. Tussen de woningen en de nieuwe locatie van de ooievaarspaal liggen een weg een strook hoogopgaande beplanting, voetbalvelden en de strook hoogopgaande beplanting waarin de nieuwe ooievaarspaal is geplaatst.
6.1.    Gelet op de afstand tussen de oude en nieuwe locatie van de ooievaarspaal tot de woningen en de inrichting van de daar tussen gelegen gronden ziet de Afdeling met de rechtbank geen reden voor het oordeel dat het gebruikmaken van de omgevingsvergunning enige ruimtelijke uitstraling zal hebben op de woon- en leefomgeving van [appellant] en anderen. De rechtbank heeft daarbij terecht betekenis toegekend aan de aanwezigheid van opgaand groen tussen de woningen en de locaties van de ooievaarspaal. Dat er vanuit de ramen op de eerste verdieping van de woningen enig zicht op de nieuwe locatie van de ooievaarspaal is en de ooievaar in de woonomgeving vliegt en foerageert, is onvoldoende om als belanghebbende bij het besluit aangemerkt te kunnen worden. Dat geldt ook voor de vrees dat de ooievaars vogelgriep kunnen overbrengen op de kippen die [appellant] hobbymatig houdt.
6.2.    Dat het college [appellant] in een handhavingsprocedure over de ooievaarspaal wel als belanghebbende heeft aangemerkt, betekent niet dat de rechtbank [appellant] daarom als belanghebbende bij de omgevingsvergunning had moeten aanmerken. De vraag of iemand belanghebbende is bij een besluit is een kwestie van openbare orde. Dat betekent dat de rechtbank los van de opvattingen van partijen en ook los van de vraag of [appellant] in een andere procedure door het college als belanghebbende is aangemerkt, moest beoordelen of hij belanghebbende is bij deze omgevingsvergunning.
6.3.    [appellant] en anderen doen tevergeefs een beroep op de rechtspraak over de beoordeling van de belanghebbendheid van bewoners en eigenaren, en anderszins zakelijk- of persoonlijke gerechtigden van een perceel dat grenst aan het perceel waarover een besluit gaat of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel (bijv. de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2823). Tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] en het perceel waarop de ooievaarspaal staat, ligt de Markeweg, het perceel van de voetbalvelden en het perceel met de tennisbanen. Hun percelen grenzen niet aan het perceel waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft. Ook is geen sprake van een situatie waarin hun perceel gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel.
6.4.    De vergunningaanvraag van de tennisvereniging heeft alleen betrekking op de flora- en fauna-activiteit. Er is dus anders dan [appellant] en anderen veronderstellen geen meervoudige aanvraag gedaan. Het betoog over de beoordeling van de belanghebbendheid bij een meervoudige aanvraag behoeft daarom geen bespreking.
6.5.    Gelet op wat hiervoor staat, onderschrijft de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] en anderen niet belanghebbend zijn bij de omgevingsvergunning.
Mocht de rechtbank uitspraak doen met toepassing van artikel 8:86 Awb?
7.       Over het betoog van [appellant] en anderen dat de voorzieningenrechter onzorgvuldig heeft gehandeld door direct uitspraak te doen op het beroep, overweegt de Afdeling het volgende.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:857, kan met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak als de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het gaat erom of de informatie die schriftelijk en ter zitting is verkregen van dien aard is dat mag worden aangenomen dat het verrichten van nader onderzoek in dat opzicht geen relevante nieuwe gegevens zou opleveren. Partijen zijn bij brief van 23 januari 2025 op deze bevoegdheid gewezen. In die situatie mag van partijen worden verwacht dat zij zich hebben voorbereid op eventuele afdoening van de hoofdzaak. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank op basis van de ter beschikking staande gegevens en het resultaat van het op de zitting gehouden onderzoek geen uitspraak heeft mogen doen in de hoofdzaak.
Het betoog slaag niet.
Conclusie hoger beroep
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.1.    Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
388
 
Bijlage
 
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Omgevingswet
Artikel 5.1
[…]
2.Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
[…]
g.       een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 11.37
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn;
b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels;
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.74j
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, 11.38, eerste lid, 11.39, eerste lid, of 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. er geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat;
b. de activiteit nodig is:
1°.in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
2°.in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
3°.voor het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
4°.ter bescherming van flora en fauna;
5°.voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of
6°.om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; en
c. de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van deze soort.
Link naar deze uitspraak