|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:3655 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-06-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202405374/1/R4 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 29 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor een bijbehorend bouwwerk op het perceel [locatie] in Wilnis (het perceel). [appellante] heeft op 13 september 2023 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een bouwwerk bij een paardenkraamhotel op het perceel. De omgevingsvergunning wordt alleen aangevraagd voor het handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Uit de bijlage bij de aanvraag volgt dat het bouwwerk zal worden gebruikt voor het verblijf van een medewerker gedurende de periode tussen maart en augustus, wanneer in het kraamhotel hoogdrachtige merries aanwezig zijn. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | gewassen | | | glasopstanden | | | glastuinbouw | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | paardenfokkerij | | | perceel | | | stallen | | | veehouderij | | | wabo | | | | Uitspraak | 202405374/1/R4.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 ugustus 2024 in zaak nr. 23/6309 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.
Procesverloop
[appellante] heeft bij brief van 8 december 2023 bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege ontstane omgevingsvergunning.
Bij besluit van 29 april 2024 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor een bijbehorend bouwwerk op het perceel [locatie] in Wilnis (het perceel).
Bij mondelinge uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig bekend maken niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 29 april 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door J. van der Velden, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. Krijgsman en mr. drs. S. Hambuckers, bijgestaan door mr. S. El Yaacoubi, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Vooraf
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante] heeft op 13 september 2023 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een bouwwerk bij een paardenkraamhotel op het perceel. De omgevingsvergunning wordt alleen aangevraagd voor het handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Uit de bijlage bij de aanvraag volgt dat het bouwwerk zal worden gebruikt voor het verblijf van een medewerker gedurende de periode tussen maart en augustus, wanneer in het kraamhotel hoogdrachtige merries aanwezig zijn.
Bij brief van 22 november 2023 heeft [appellante] het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege ontstane omgevingsvergunning. Bij brief van 8 december 2023 heeft [appellante] bij de rechtbank beroep wegens niet tijdig bekendmaken daarvan ingesteld.
Bij besluit 29 april 2024 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een bijbehorend bouwwerk voor een paardenkraamhotel.
Bij mondelinge uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig bekend maken niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 29 april 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college terecht de uitgebreide procedure heeft toegepast en dat er daarom geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de weigering van de omgevingsvergunning in stand kan blijven en het college geen verklaring van geen bedenkingen aan de raad hoefde te vragen.
[appellante] kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank.
Wettelijk kader
3. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
Reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure?
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft verzuimd een omgevingsvergunning van rechtswege bekend te maken. Volgens haar was op de aanvraag de reguliere procedure van toepassing, omdat de omgevingsvergunning kan worden verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, eerste lid, onderdeel 1 en 9 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Volgens haar is het aangevraagde bijgebouw een bijbehorend bouwwerk bij het op het perceel aanwezige paardenkraamhotel, dat als hoofdgebouw moet worden aangemerkt. Verder wijst zij erop dat het betrokken bouwwerk hoofdzakelijk zal worden gebruikt voor logies.
4.1. De Afdeling stelt vast dat door [appellante] alleen een omgevingsvergunning is aangevraagd voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan en niet voor het bouwen. Het aangevraagde bijgebouw is onder andere in strijd met artikel 4.2.2 van de planregels, omdat het is voorzien buiten het bouwvlak en buiten het bouwvlak geen gebouwen zijn toegestaan. De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of voor het aangevraagde gebouw dat is voorzien buiten het bouwvlak met toepassing van artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor van het bestemmingsplan kan worden afgeweken.
4.2. De Afdeling is van oordeel dat het op het perceel aanwezige paardenkraamhotel niet kan worden aangemerkt als een hoofdgebouw, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Voor het paardenkraamhotel is weliswaar bij besluit van 4 november 2022 een omgevingsvergunning verleend, maar dat maakt op zichzelf niet dat het paardenkraamhotel als hoofdgebouw kan worden aangemerkt. Op het perceel waarop het paardenkraamhotel is voorzien geldt het bestemmingsplan "Buitengebied-West". Het perceel heeft in dat bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuurwaarden" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4". Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. Bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2026:3406, heeft de Afdeling geoordeeld dat het paardenkraamhotel niet kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1.6 van de planregels. Voor de onderbouwing van dit oordeel wordt verwezen naar overweging 5.3 van de hiervoor genoemde uitspraak. Omdat het paardenkraamhotel in strijd is met de op het perceel rustende bestemming, kan het niet bijdragen aan de verwezenlijking van die bestemming, zodat het gebouw waarin het paardenkraamhotel is voorzien niet kan worden aangemerkt als hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor.
In de omschrijving van het begrip bijbehorend bouwwerk in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, is bepaald dat een bijbehorend bouwwerk altijd moet worden gebouwd bij een zich op het perceel bevindend hoofdgebouw. Door het ontbreken van een hoofdgebouw op het perceel heeft de rechtbank dus, zij het op andere gronden, terecht overwogen dat het aangevraagde gebruik niet kan worden vergund met artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.
De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college terecht de uitgebreide procedure heeft toegepast en dat het college dus niet heeft verzuimd een van rechtswege ontstane omgevingsvergunning bekend te maken.
Het betoog slaagt niet. Aan een inhoudelijke bespreking van het overige door [appellante] aangevoerde over de toepassing van artikel 4, eerste lid, onderdeel 9, van bijlage II van het Bor wordt niet toegekomen.
4.3. Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het niet tijdig bekendmaken samen met het beroep van [appellante] tegen het besluit van 29 april 2024 heeft behandeld, overweegt de Afdeling het volgende.
Uit overweging 4.2 volgt dat op de aanvraag van [appellante] de uitgebreide procedure van toepassing is. Dat betekent dat tegen het besluit van 29 april 2024 op die aanvraag beroep bij de rechtbank openstond. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak eerst het beroep niet tijdig bekendmaken beoordeeld en dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft vervolgens in dezelfde uitspraak ook een oordeel gegeven op het afzonderlijk door [appellante] ingestelde beroep tegen het besluit van 29 april 2024 en dat beroep ongegrond verklaard. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank die beroepen niet samen in de aangevallen uitspraak mocht afdoen.
Verklaring van geen bedenkingen nodig?
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college wel een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) aan de raad had moeten vragen. Het had volgens haar in het besluit van 29 april 2024 moeten motiveren waarom het geen vvgb aan de raad heeft gevraagd. Uit de bij besluit van 24 september 2015 door de raad van de gemeente Ronde Venen vastgestelde "Lijst met categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is" (de lijst), volgt volgens haar dat alleen als een activiteit niet past binnen de kaders en het college weigert toepassing te verlenen aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo, er geen vvgb nodig is. [appellante] stelt zich op het standpunt dat uit de Omgevingsvisie volgt dat onder voorwaarden een bestaand agrarisch bedrijf mag worden uitgebreid. Dat betekent volgens haar dat de activiteit past binnen de kaders en dat het college dus niet op grond van het vijfde lid kon afzien van het vragen van een vvgb.
5.1. In de lijst is, samengevat en voor zover relevant, bepaald dat géén verklaring van geen bedenkingen van de raad is vereist in het geval (1) er al stedenbouwkundige randvoorwaarden, een stedenbouwkundige visie, masterplan, gebiedsvisie, projectplan of een daarmee te vergelijken ruimtelijk kader, niet zijnde een structuur- of omgevingsvisie, voor een concreet daarin genoemd project is vastgesteld door de raad, en (5) de activiteit niet past binnen de door de raad gestelde kaders en geweigerd wordt om toepassing te verlenen aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo.
Een volledige weergave van de lijst is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
5.2. Uit het bepaalde onder 5 volgt dat als de activiteit niet past binnen de door de raad gestelde kaders en als de omgevingsvergunning wordt geweigerd, er geen vvgb hoeft te worden gevraagd. Onder 1 van de lijst is uiteengezet wat onder ruimtelijke kaders wordt verstaan. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat onder die ruimtelijke kaders ook het vastgestelde en onherroepelijke bestemmingsplan "Buitengebied-West" wordt verstaan. Gelet op wat onder 1 onder kaders wordt verstaan, kan dit bestemmingsplan naar het oordeel van de Afdeling niet als een dergelijk kader gelden. Het college heeft niet anderszins gemotiveerd waarom de activiteit niet past binnen de kaders als bedoeld onder 1, terwijl [appellante] betoogt dat het past binnen de Omgevingsvisie. Dat betekent dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de Afdeling van oordeel is dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het op grond van de aanhef en onder 5 van de lijst geen vvgb aan de raad hoefde te vragen. Dat maakt dat het besluit van 29 april 2024 in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.
Het betoog slaagt.
Conclusie en slot
6. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak het onder 5.2 geconstateerde gebrek te herstellen door alsnog toereikend te motiveren waarom geen vvgb van de raad nodig is dan wel alsnog de raad te verzoeken om te beslissen of hij al dan niet een vvgb wil verlenen en eventueel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Daarbij zal het college in ieder geval moeten nagaan of het aangevraagde bouwwerk en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, wel of niet past in de ruimtelijke kaders als bedoeld onder 1 van de lijst. Het college kan daarbij ook een omgevings-of structuurvisie betrekken, als die is vastgesteld.
Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van het door het college te nemen nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. Op dat besluit blijft ook het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4). Het college moet de uitkomst aan de Afdeling en de andere partijen meedelen en zijn nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen.
7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen op om binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het in overweging 5.2 omschreven gebrek in het besluit van 29 april 2024 te herstellen en de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmidt, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Schmidt
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
776
BIJLAGE
Besluit omgevingsrecht
Artikel 1, eerste lid, van bijlage II:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
(…)
bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
(…)
hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
(…).
Artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1.een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.
Bestemmingsplan Buitengebied-West
1.6 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een paardenhouderij en paardenfokkerij en waaronder niet wordt verstaan een manege;
1.87 paardenhouderij
een agrarisch bedrijf dat uitsluitend gericht is op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden;
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch met waarden - Natuurwaarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. grondgebonden agrarische bedrijven;
b. niet-grondgebonden agrarische bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'niet grondgebonden';
c. glastuinbouwbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw';
d. het wonen in een bedrijfswoning, voor zover een bedrijfswoning op grond van de bouwregels is toegestaan;
e. het wonen in een plattelandswoning, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning';
alsmede voor:
f. extensief recreatief medegebruik;
g. de volgende vormen van nevengebruik:
1. bestaande, legale nevenfuncties;
2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - nevenfunctie niet-grondgebonden veehouderij': niet-grondgebonden veehouderij ;
3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal nachtverblijven': het genoemde aantal eenheden voor recreatief nachtverblijf;
4. ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf': een kinderdagverblijf;
5. een kampeerterrein van ten hoogste 15 kampeermiddelen voor de locaties zoals opgenomen in Bijlage 11 van de regels.
h. behoud, versterking en ontwikkeling van natuurwaarden in de vorm van: 1. grote open wateren, sloten en slootkanten, oevers, moeras en natte voedselarme graslanden;
2. houtkades, bos en struweel en droge zandgronden;
3. weidevogelgebied;
i. behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van:
1. openheid;
2. verkavelingspatronen;
j. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen.
Lijst met categoriën van gevallen als bedoeld in artikel 6.5, lid 3, van het Besluit omgevingsrecht waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is
1. Indien er al stedenbouwkundige randvoorwaarden, een stedenbouwkundige visie, masterplan, gebiedsvisie, projectplan of een daarmee te vergelijken ruimtelijk kader, niet zijnde een structuur- of omgevingsvisie, voor een concreet daarin genoemd project is vastgesteld door de raad van de gemeente De Ronde Venen. Hierbij geldt dat indien sprake is van woningbouw het mag gaan om maximaal 10 woningen met een duidelijke beschrijving van de locatie, de te bebouwen oppervlakte, de bouwhoogte, het aantal woningen en het uiterlijk van de bouwwerken.
2. Indien de activiteit is opgenomen in een vastgesteld, maar nog niet in werking getreden bestemmingsplan en eventuele zienswijzen tegen het bestemmingsplan zich niet richten op dat onderdeel waarop de activiteit ziet.
Indien de activiteit betrekking heeft op een van de onderstaande gevallen:
Stedelijk gebied (binnen de rode contour) uitgezonderd de beschermde dorpsgezichten Abcoude en Baambrugge
a. realisering, verandering, vervanging en uitbreiding van woningen/woongebouwen, ongeacht de maatvoering van maximaal vier woningen;
b. realisering van nieuwe werk- en detailhandelsvoorzieningen, zoals winkels, kantoren en bedrijven op buurt en wijkniveau; voor detailhandel geldt dat het bruto vloeroppervlak van de gebouwen na realisatie de 1000 m² niet te boven mag gaan;
c. oprichten van gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van sport, maatschappelijke doeleinden, recreatie of cultuur, zoals een school- of kerkgebouw, een kleedgebouw, een jongerenhangplek met bijbehorende voorzieningen, dierenverblijf of standbeeld, mits deze bebouwing en het beoogde gebruik daarvan in relatie tot de omgeving niet hinderlijk van aard is.
Landelijk gebied (buiten de rode contour) uitgezonderd de beschermde dorpsgezichten Abcoude en Baambrugge en het werelderfgoed de Stelling van Amsterdam
a. Het vergroten van voormalige recreatiewoningen, noodwoningen, agrarische zomerwoningen en andere opstallen, die ooit voor permanent woongebruik geschikt zijn gemaakt en als zodanig zijn bestemd, tot een inhoud van 250 m3.
b. Het vergroten van als zodanig bestemde (bedrijfs)woningen tot 600 m3.
c. Het uitbreiden van bestaande niet-agrarische bedrijven met 15%.
d. Het realiseren van groene en blauwe diensten en andere niet-agrarische nevenactiviteiten tot een oppervlakte van 300 m2 binnen bestaande bedrijfsbebouwing;
e. Het vergroten van een als zodanig bestemde recreatiewoning, inclusief bijgebouw en onderkeldering, tot maximaal 250 m3.
f. Het omzetten van een vrijkomend agrarisch bedrijfscomplex in een woonfunctie, waarbij de bedrijfswoning als woning in gebruik genomen wordt.
g. Het verbouwen van een voormalige agrarische bedrijfswoning met aangebouwde bedrijfsruimte (de deel) tot één of meerdere wooneenheden mits de aanwezige cultuurhistorische waarden worden gerespecteerd en de verschijningsvorm duurzaam gehandhaafd blijft. Voor het onderzoek naar en respecteren van eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden is het advies van een gemeentelijke monumentencommissie noodzakelijk. Het duurzaam handhaven van de verschijningsvorm zal in het desbetreffende bestemmingsplan moeten worden vastgelegd.
h. Het verbouwen van (agrarische) bedrijfsgebouwen met een erkende cultuurhistorische waarde voor woondoeleinden, mits de verbouwing het behoud van die cultuurhistorische waarde ten goede komt. De waarde moet blijken uit de erkenning als (gemeentelijk) monument of een MIP-beschrijving of, indien deze ontbreken, in ieder geval een beschrijving van de waarde door een deskundige instantie (bijvoorbeeld de Rijksdienst voor Monumentenzorg of plaatselijke monumentencommissie) waaruit de wenselijkheid tot behoud van het pand blijkt.
i. Het toepassen van het ruimte voor ruimte beleid door het oprichten van een extra woning bij sloop van alle niet-historisch waardevolle agrarische bedrijfsbebouwing (exclusief de bedrijfswoning) met een oppervlakte van minimaal 1000 m2, of 5000 m2 glasopstanden.
j. Het uitbreiden met maximaal 20 % van de oppervlakte van sportvelden, recreatieterreinen en begraafplaatsen en de daarop aanwezige bebouwing mits de omvang van de bebouwing na de uitbreiding in overeenstemming is met de aard en de capaciteit van de terreinen. Het gaat bij sportvelden bijvoorbeeld om kleedlokalen, ballenvangers, terreinafscheidingen e.d. Bij begraafplaatsen valt te denken aan materiaalopslag of uitbreiding of vernieuwing van een aula.
4. Indien de activiteit zou passen binnen de door de raad gestelde kaders, maar geweigerd wordt om toepassing te verlenen van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo, op andere gronden dan planologische.
5. Indien de activiteit niet past binnen de door de raad gestelde kaders en geweigerd wordt om toepassing te verlenen van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|