Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:3731 
 
Datum uitspraak:01-07-2026
Datum gepubliceerd:01-07-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202307126/1/R1
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg van gedeputeerde staten aan [appellante sub 3] een omgevingsvergunning tweede fase verleend voor de uitbreiding van een varkenshouderij met mestverwerking op het perceel [locatie] in America. [appellante sub 3] beschikt over een revisievergunning van 18 december 2012 voor de exploitatie van een varkenshouderij en een mestbe- en verwerkingsinstallatie aan de [locatie] in America. De varkenshouderij is nog niet gerealiseerd; de mestbe- en verwerkingsinstallatie wel. Op 9 oktober 2014 heeft verweerder aan [appellante sub 3] een veranderingsvergunning verleend voor de verwerking van 80.000 m³ mest per jaar, waarvan ongeveer 22.000 m³ van het eigen bedrijf en ongeveer 58.000 m³ mest van derden afkomstig is. [appellante sub 3] betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 1.43 van de planregels. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat, op basis van een grammaticale interpretatie, artikel 1.43 van het bestemmingsplan zo moet worden gelezen dat mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen van andere bedrijven uit de regio enkel mogen worden be- en verwerkt, indien mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen van het eigen bedrijf worden bewerkt.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
intensieve veehouderij
kunstmest
omgevingsvergunning
perceel
stallen
varkenshouderij
veehouderij
vleesvarkens
wabo
 
Uitspraak
202307126/1/R1.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,
2.       [appellanten sub 2], allen wonend in America, gemeente Horst aan de Maas,
3.       [appellante sub 3], gevestigd in America, gemeente Horst aan de Maas
4.       [appellant sub 4], wonend in America, gemeente Horst aan de Maas, ([appellant sub 4]),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 oktober 2023 in zaak nr. 21/1900, 21/1949 en 21/1959 in het geding tussen:
1.       het college van burgemeester en wethouders,
2.       [appellanten sub 2],
3.       [appellant sub 4] en [persoon],
en
het college van gedeputeerde staten van Limburg.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het college van gedeputeerde staten aan [appellante sub 3] een omgevingsvergunning tweede fase verleend voor de uitbreiding van een varkenshouderij met mestverwerking op het perceel [locatie] in America.
Bij uitspraak van 13 oktober 2023 heeft de rechtbank de door het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2], [appellant sub 4] en [appellante sub 3] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 augustus 2025, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A.J.H.A. Verkooijen en mr. S. Keywani, advocaat te Nijmegen, [appellanten sub 2], bijgestaan door J.A.C. Verheyden, en [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Nijmegen, [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 augustus 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [appellante sub 3] beschikt over een revisievergunning van 18 december 2012 voor de exploitatie van een varkenshouderij en een mestbe- en verwerkingsinstallatie aan de [locatie] in America. De varkenshouderij is nog niet gerealiseerd; de mestbe- en verwerkingsinstallatie wel. Op 9 oktober 2014 heeft verweerder aan [appellante sub 3] een veranderingsvergunning verleend voor de verwerking van 80.000 m³ mest per jaar, waarvan ongeveer 22.000 m³ van het eigen bedrijf en ongeveer 58.000 m³ mest van derden afkomstig is.
3.       Bij besluit van 14 mei 2020 heeft verweerder aan [appellante sub 3] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het veranderen van de inrichting op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2° van de Wabo. Deze verandering omvat onder meer, voor zover van belang, het laten vervallen van de vergunde 7.000 gespeende biggen in de stallen 2 tot en met 5 en een uitbreiding en opschaling van de mestbe- en verwerkingsinstallatie van 80.000 m³ per jaar naar 450.000 m³ per jaar. De rechtbank heeft de tegen dit besluit ingestelde beroepen bij uitspraak van 22 februari 2022 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. De omgevingsvergunning eerste fase van 14 mei 2020 is daarmee inmiddels onherroepelijk.
4.       Op 23 augustus 2019 heeft [appellante sub 3] een aanvraag omgevingsvergunning tweede fase ingediend ten behoeve van de uitbreiding van de inrichting (het bouwplan). Deze aanvraag ziet op het (ver)bouwen van een aantal bouwwerken (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo), het uitvoeren van een werk of werkzaamheden (grondbewerkingen in de gebiedsaanduiding "overige zone - kampen"; artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo), het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (het buiten het bouwvlak bouwen van een pompput, het overschrijden van de maximaal toegestane bouwhoogte van het luchtwassergebouw en overschrijding van de toegestane goothoogte van de dakopbouwen op de bestaande loods nummer 20; artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) en het maken van een uitweg (artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo).
5.       Het bouwplan is voorzien op gronden waarvoor het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020" (bestemmingsplan "Buitengebied 2020") geldt. Dit bestemmingsplan is vastgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1763, over het bij besluit van 19 december 2017 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas". Bij deze uitspraak is dit bestemmingsplan uit 2017 deels vernietigd en is de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voor het onderhavige perceel zijn de eerder per abuis niet meegenomen vergunde bouwwerken alsnog meegenomen in het bouwvlak van het bestemmingsplan "Buitengebied 2020". Het bouwvlak is in deze herziening zo aangepast dat deze bouwwerken binnen het bouwvlak vallen. In artikel 3 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2020" is verder bepaald dat de bestemmingsplannen "Buitengebied Horst aan de Maas" en het "Veegplan buitengebied Horst a/d Maas" van toepassing blijven. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 31 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:446, bouwt het bestemmingsplan voort op het conserverende bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" en is het eveneens conserverend.
De inrichting is gelegen op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" met de functieaanduidingen "Intensieve veehouderij" en "Specifieke vorm van agrarisch - mestverwerking op regionaal niveau".
6.       Bij het besluit van 1 juni 2021 heeft het college van gedeputeerde staten, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚ en 2˚, van de Wabo, de gevraagde omgevingsvergunning tweede fase verleend. Hierbij heeft het college van gedeputeerde staten op grond van een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan en met toepassing van de zogenoemde kruimelgevallenregeling van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) onder meer een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan bouwen van een buiten het bouwvlak gelegen pompput, het overschrijden van de maximaal toegestane bouwhoogte van het Iuchtwassergebouw (nummer 1 op de tekeningen) en overschrijding van de toegestane goothoogte van de dakopbouwen op de bestaande loods nummer 20. Daarbij is tevens de omgevingsvergunning eerste fase gewijzigd ten aanzien van de uitvoering van de dakconstructie van de mestsilo van 5.200 m³.
Toepasselijke planregels
7.       Ingevolge artikel 1.43. van het bestemmingsplan wordt onder buurtmestbe- en verwerking verstaan: verwerking van mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen, waarbij naast verwerking van mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen van het eigen bedrijf ook mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen van andere bedrijven uit de regio wordt be- en verwerkt.
In artikel 1.55 van het bestemmingsplan is bepaald dat onder energievoorziening wordt verstaan: een technische eenheid, bestaande uit apparatuur, leidingen en andere constructies, die bedoeld is voor het opwekken en/of winnen van energie en de distributie daarvan.
In artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, van de planregels is bepaald dat de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd zijn voor: buurtmestbe- en verwerking en energievoorzieningen hoofdzakelijk gericht op de levering van energie aan bedrijven en functies in het plangebied alsmede aan andere lokale bedrijven c.q. functies, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - mestverwerking op regionaal niveau'.
In artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder l, van de planregels is bepaald dat de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd zijn voor: mestbe- en verwerking op bedrijfsniveau met een maximum van 25.000 ton per jaar.
Hoger beroep [appellante sub 3]
Uitleg artikel 1.43 van de planregels
8.       [appellante sub 3] betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 1.43 van de planregels. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat, op basis van een grammaticale interpretatie, artikel 1.43 van het bestemmingsplan zo moet worden gelezen dat mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen van andere bedrijven uit de regio enkel mogen worden be- en verwerkt, indien mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen van het eigen bedrijf worden bewerkt. [appellante sub 3] stelt zich op het standpunt dat mestverwerking van andere bedrijven ook rechtstreeks is toegestaan ingevolge het bestemmingsplan zonder dat hierbij tevens sprake hoeft te zijn van mestverwerking van het eigen bedrijf/de eigen inrichting van [appellante sub 3] aan de [locatie] te America.
8.1.    Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, van de planregels zijn de betrokken gronden onder meer bestemd voor buurtmestbe- en verwerking. In artikel 1.43 is het begrip buurmestbe- en verwerking gedefinieerd als "verwerking van mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen, waarbij naast verwerking van mest en / of andere agrarisch gerelateerde reststromen van het eigen bedrijf ook mest en / of andere agrarisch gerelateerde reststromen van andere bedrijven uit de regio wordt be- en verwerkt".
8.2.    Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
Naar het oordeel van de Afdeling is de tekst van artikel 1.43 duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar. De rechtbank heeft onder 14 van de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat artikel 1.43 van de planregels zo gelezen moet worden dat mest en/of andere agrarisch gerelateerde meststromen van andere bedrijven uit de regio enkel mogen worden be- en verwerkt, indien mest en/of andere agrarisch gerelateerde reststromen van het eigen bedrijf worden verwerkt. Dit blijkt uit de woorden ‘naast’, ‘ook’ en ‘wordt’. Zoals de rechtbank verder terecht heeft overwogen staat in de planregel niet dat er mest van het eigen bedrijf kan worden verwerkt, maar is het woord "wordt" gebruikt. Het woord "ook" geeft verder aan dat het cumulatieve voorwaarden zijn en dit geldt ook voor het woord "naast", dat in dit geval "behalve" betekent en meebrengt dat er in ieder geval mest en/of andere agrarisch gerelateerde meststromen van het eigen bedrijf moeten worden verwerkt.
Dit betoog slaagt niet.
Uitleg artikel 3.1 onder j, van de planregels
9.       [appellante sub 3] betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 3.1, onder j, van de planregels en ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op de systematiek van het bestemmingsplan en de toelichting daarvan, mestbe- en verwerking en energievoorziening onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. [appellante sub 3] is van mening dat artikel 3.1, onder j van het bestemmingsplan ook uitsluitend buurtbe- en mestverwerking rechtstreeks toestaat, zonder dat hierbij tevens sprake hoeft te zijn van energielevering en/of energievoorziening (aan bedrijven en functies in het plangebied alsmede aan andere bedrijven c.q. functies), mede ook gelet op de definitie van buurtmestbe- en verwerking in artikel 1.43 van het bestemmingsplan.
9.1.    Naar het oordeel van de Afdeling biedt de tekst van artikel 3.1, onder j, van de planregels op zichzelf onvoldoende duidelijkheid over de verhouding tussen mestbe- en verwerking en energievoorziening/energieopwekking. Zoals hiervoor onder 8.2 reeds is uiteengezet, komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting als de planregel op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek).
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat, gelet op de systematiek van het bestemmingsplan en de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas", mestbe- en verwerking en energievoorzieningen onlosmakelijk met elkaar verbonden moeten zijn. Met "energievoorzieningen" als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels is dus niet gedoeld op een zelfstandige functie, los van mestbe- of verwerking. De Afdeling leidt dit evenals de rechtbank af uit de naam van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestverwerking op regionaal niveau" waarbinnen "buurtmestbe- en verwerking en energievoorzieningen" zijn toegestaan. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat mestverwerking als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels wordt gezien als vorm van energieopwekking. Dit kan onder meer worden afgeleid uit de omstandigheid dat in paragraaf 4.3 van de plantoelichting voor het beleid ten aanzien van mestverwerking op bedrijfs- of buurtniveau wordt verwezen naar paragraaf 4.15 "Duurzaamheid" en in die laatste paragraaf is opgenomen dat een alternatieve vorm van energieopwekking kan plaatsvinden door mestverwerking. Uit het voorgaande volgt dat met buurtmestbe-en verwerking als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels energie moet worden opgewekt.
Het betoog slaagt niet.
Hoger beroep college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4]
Strijd met het bestemmingsplan
10.     Het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag om omgevingsvergunning in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch met waarden". Volgens hen is geen sprake van buurtmestbe- of verwerking en is evenmin sprake van energievoorzieningen hoofdzakelijk gericht op de levering van energie aan bedrijven en functies in het plangebied alsmede aan andere lokale bedrijven c.q.  functies, als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder j, in samenhang gelezen met artikel 1.43 ,van de planregels.
Buurtmestbe- of verwerking
11.     Gelet op de revisievergunning van 18 december 2012, mocht het college van gedeputeerde staten bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning tweede fase uitgaan van het verwerken van eigen mest. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college van gedeputeerde staten ten tijde van het beoordelen van de aanvraag om omgevingsvergunning tweede fase ervan uit mocht gaan dat tevens eigen mest van de vleesvarkens be- en verwerkt zal gaan worden en de aanvraag op dit punt niet in strijd is met het bestemmingsplan.
Het is echter de vraag of de omvang van de aangevraagde mestverwerkingscapaciteit kan worden aangemerkt als buurtmestbe- en verwerking als bedoeld in het bestemmingsplan en in overeenstemming is met de op het perceel rustende agrarische bestemming. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat dit het geval is. Daartoe wordt als volgt overwogen.
11.1.  Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] naar voren gebrachte beroepsgrond dat geen sprake is van buurtmestbe- of verwerking niet strekt tot bescherming van hun belangen en dit in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze beroepsgrond echter ook aangevoerd zodat daarop, daargelaten of het college van gedeputeerde staten in haar standpunt gevolgd zou moeten worden, in deze uitspraak wordt ingegaan.
11.2.  Zoals hiervoor onder 5 is overwogen hebben het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" uit 2017 en het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020" beide een conserverend karakter. In de toelichting van het bestemmingsplan uit 2017 is opgenomen dat het bestemmingsplan, hoewel conserverend van aard, wel ontwikkelingsmogelijkheden biedt aan agrarische bedrijven, waaronder ontwikkelingsruimte voor de aanwezige veehouderijen. Het college van burgemeester en wethouders hebben verder toegelicht dat het de bedoeling was om bij het bestemmingsplan uit 2017 de vergunde veehouderij van [appellante sub 3], met een mestbe- en verwerkingsinstallatie met een capaciteit van 80.000m³, te regelen, met ruimte voor iets meer capaciteit. Het bestemmingsplan uit 2020 heeft op dit punt geen wijzigingen aangebracht.
De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan geen definitie kent van de begrippen "buurt", "regio" of "regionaal niveau". De planregels en de toelichting daarbij bieden geen aanknopingspunten voor uitleg van deze begrippen. Daarom moeten deze begrippen in beginsel worden uitgelegd naar normaal spraakgebruik. Het college van burgemeester en wethouders wordt niet gevolgd in de stelling dat voor de uitleg naar het provinciaal omgevingsplan Limburg (POL) 2014 moet worden gekeken. De planregels noch de toelichting van het bestemmingsplan bieden hiervoor een aanknopingspunt. In het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal wordt "buurt" omschreven als:
1. deel van een wijk, stad of dorp met een zekere mate van sociale integratie van de bewoners;
2. de bewoners van een buurt;
3. nabijheid;
4. gehucht.
Het begrip "regio" is omschreven als:
1. gebied met een bepaald karakter;
2. afgelegen, niet centraal gelegen gebied.
Daargelaten welke specifieke gebieden in dit geval onder de begrippen "buurt" en "regio" als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels kunnen worden begrepen, kan uit het gebruik van deze begrippen worden afgeleid dat het, ondanks dat in het bestemmingsplan geen maximum is verbonden aan de capaciteit van buurtmestbe- en verwerking, de bedoeling is om de omvang van de mestverwerkingscapaciteit te beperken en uitsluitend de verwerking van mest uit een naar omvang beperkt gebied toe te staan en geen grootschalige mestverwerking waarvoor ook mest uit andere delen van het land wordt aangevoerd.
Vast staat dat de aanvraag omgevingsvergunning tweede fase uitgaat van een verwerkingscapaciteit van 450.000 m³ die ruim 5,5 maal zoveel bedraagt als de aan [appellante sub 3] vergunde verwerkingscapaciteit van 80.000 m³. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college van gedeputeerde staten onvoldoende gemotiveerd dat een capaciteit van die omvang nog strookt met het conserverende karakter van het bestemmingsplan en dat nog steeds sprake is van buurtmestbe- en verwerking als bedoeld in dat bestemmingsplan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante sub 3] op de zitting heeft toegelicht dat zij ook mest van verder weg gelegen bedrijven, onder meer op de Veluwe, verwerkt. Dat zij dit doet om te voorkomen dat de vrachtwagens die bij die bedrijven de door [appellante sub 3] geproduceerde kunstmest afleveren leeg moeten terugrijden, is weliswaar om bedrijfseconomische redenen begrijpelijk, maar bij een dergelijke afstand gaat het evident niet meer om buurtmestverwerking en is dus sprake van strijd met het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt.
Energievoorzieningen hoofdzakelijk gericht op levering van energie aan de omgeving
12.     Het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen sprake is van energievoorzieningen hoofdzakelijk gericht op de levering van energie aan bedrijven en functies in het plangebied alsmede aan andere lokale bedrijven c.q. functies, als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels.
12.1.  In de reactie op de ingediende zienswijzen, die aan het besluit van 1 juni 2021 ten grondslag is gelegd, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat buurmestbe- en verwerking niet gekoppeld hoeft te zijn aan het leveren van energie. Zoals hiervoor is overwogen onder 9.1 moet met buurtmestbe- en verwerking als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels echter energie worden opgewekt. Het besluit van 1 juni 2021 bevat geen motivering waaruit kan worden afgeleid dat de aanvraag voldoet aan artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels met betrekking tot de in dat artikel genoemde energievoorzieningen. Deze motivering kan evenmin gevonden worden in de door het college van gedeputeerde staten in beroep en hoger beroep ingediende stukken.
De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de aanvraag voldoet aan artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels met betrekking tot de in dat artikel genoemde energievoorzieningen onder meer doorslaggevend geacht dat met de revisievergunning van 2012 aan [appellante sub 3] energieopwekking door middel van een zogeheten co-vergister is vergund. Maar deze "co-vergister" is niet gerealiseerd. Uit de omgevingsvergunning eerste fase van 14 mei 2020 volgt dat deze ook niet gerealiseerd zal worden, maar dat gebruik zal worden gemaakt van "mono-mestverwerking". Het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] hebben gesteld dat met deze techniek relatief weinig energie (biogas) wordt verkregen en dat het biogas dat wordt verkregen volledig wordt ingezet voor het verdere mestverwerkingsproces. Zij hebben betwist dat voldoende energie zal worden opgewekt om energie te leveren aan anderen dan het eigen bedrijf van [appellante sub 3]. Een gemotiveerde weerlegging van dit standpunt van de zijde van het college van gedeputeerde staten of [appellante sub 3] ontbreekt. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat met "mono-mestverwerking" energie geleverd zal worden aan andere (lokale) bedrijven of functies naast het eigen bedrijf van [appellante sub 3].
De rechtbank heeft verder belang gehecht aan de omstandigheid dat in de omgevingsvergunning eerste fase is opgenomen dat [appellante sub 3] een samenwerking is aangegaan met een nabijgelegen bedrijf voor de levering van warm water of gezuiverd effluent en dat daarvoor een transportleiding is aangelegd naar een opslagsilo binnen de inrichting van [appellante sub 3]. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omgevingsvergunning eerste fase energielevering aan een bedrijf in het plangebied vergund, omdat water verwarmen een energievoorziening is, namelijk te gebruiken voor energiebesparing. In de aangevallen uitspraak is ook overwogen dat [appellante sub 3] op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat het inderdaad de bedoeling is dat water uit de vergasser en verdroger geleverd gaat worden aan buurtbedrijven en dat daartoe in de tekening leidingen zijn ingetekend naar buurtbedrijven. [appellante sub 3] heeft op de zitting bij de Afdeling aangegeven dat de energievoorzieningen in haar inrichting de leidingen voor warm water en zonnepanelen op een loods betreffen. Zij heeft echter ook aangegeven dat geen sprake is van een lopend contract met betrekking tot het leveren van warm water, omdat dit economisch gezien niet interessant is en dat dit dus niet plaatsvindt. Het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] betwisten dat die levering ooit heeft plaatsgevonden. Het college van gedeputeerde staten en [appellante sub 3] hebben dit niet weersproken. Voor zover [appellante sub 3] op de zitting heeft gewezen op de energieopwekking door zonnepanelen op een loods op het perceel, overweegt de Afdeling dat dit geen energieopwekking door mestverwerking is.
Het college van gedeputeerde staten heeft, gelet op het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd dat de aanvraag voldoet aan artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder j, van de planregels voor zover het de energievoorzieningen betreft.
Het betoog slaagt.
13.     Het college van gedeputeerde staten heeft, gelet op het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd dat het project in overeenstemming is met artikel 3.1, aanhef en onder j, van de planregels.
14.     Hetgeen voor het overige door het college van burgemeester en wethouders is aangevoerd behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.
Conclusie
15.     Het hoger beroep van [appellante sub 3] is ongegrond. De hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] tegen het besluit van 1 juni 2021 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Het college van gedeputeerde staten moet opnieuw op de aanvraag omgevingsvergunning tweede fase van [appellante sub 3] beslissen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
16.     Het college van gedeputeerde staten moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van [appellante sub 3] ongegrond;
II.       verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] gegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 oktober 2023 in zaak nrs. 21/1900, 21/1949 en 21/1959;
IV.     verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen van het college van burgemeester en wethouders, [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] gegrond;
V.      vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg van 1 juni 2021, kenmerk 2021/11921;
VI.     bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII.     veroordeelt het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg aan [appellanten sub 2] en aan [appellant sub 4] het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 455,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Kos
Griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
580
Link naar deze uitspraak