Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:4725 
 
Datum uitspraak:12-08-2026
Datum gepubliceerd:12-08-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202405484/1/R2
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 13 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Someren het bestemmingsplan "[locatie 1] Someren" vastgesteld. Op de [locatie 1] in Someren staat een woning die een recreatieve bestemming had. Deze woning is van [partijen]. Alleen gebruiken zij de woning niet recreatief, maar bewonen deze permanent. Met het bestemmingsplan "[locatie 1] Someren" wil de raad deze permanente bewoning mogelijk maken. Dit doet de raad door een woonbestemming aan de locatie toe te kennen met toepassing van de Ruimte-voor-ruimteregeling. [appellant] woont naast het plangebied en is het niet eens met de woonbestemming, omdat dit zijn woongenot aantast en volgens hem in strijd is met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV).
Trefwoorden:bestemmingsplan
regeling ruimte voor ruimte
veehouderij
veehouderijtakken
 
Uitspraak
202405484/1/R2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in Someren,
appellant,
en
de raad van de gemeente Someren,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Someren" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 11 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Crooijmans, advocaat in Helmond, is verschenen. Verder zijn op zitting [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat in Someren, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 8 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Op de [locatie 1] in Someren staat een woning die een recreatieve bestemming had. Deze woning is van [partijen]. Alleen gebruiken zij de woning niet recreatief, maar bewonen deze permanent. Met het bestemmingsplan "[locatie 1] Someren" wil de raad deze permanente bewoning mogelijk maken. Dit doet de raad door een woonbestemming aan de locatie toe te kennen met toepassing van de Ruimte-voor-ruimteregeling.
[appellant] woont naast het plangebied en is het niet eens met de woonbestemming, omdat dit zijn woongenot aantast en volgens hem in strijd is met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV).
Toetsingskader
3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
4.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Strijd met artikel 3.79 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
5.       [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant. Hij heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat de door hem aangevoerde gronden zich overeenkomstig richten op strijd met artikel 3.79 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV), zoals die gold op het moment dat het plan ter inzage werd gelegd. De strijd met artikel 3.79, eerste lid, van de IOV geldt volgens hem voor alle drie de onderdelen a, b en c.
Om te beginnen is niet voldaan aan onderdeel a, omdat niet gebleken is dat er sprake is van in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit. [appellant] voert hierover aan dat de raad alleen een certificaat van een Ruimte-voor-ruimtetitel heeft aangeleverd ter onderbouwing van deze winst, maar dat dit op zichzelf onvoldoende motivering is.
5.1.    De raad stelt dat uit de toelichting bij de IOV volgt dat als een certificaat van een Ruimte voor ruimtetitel is uitgegeven, aan artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de IOV is voldaan. Een aanvullende motivering is hierbij volgens de raad niet nodig. De raad voegt hier nog aan toe dat in de planregels is geregeld dat het aanwezige groen moet worden versterkt.
5.2.    Over de ruimtelijke titel voor de ruimte-voor-ruimtewoning overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toepassing gegeven aan artikel 3.79, aanhef en onder a, van de IOV zoals deze luidde onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2024. Op grond hiervan mogen in het landelijk gebied dergelijke woningen worden gerealiseerd onder voorwaarde dat de ontwikkeling door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit.
Voor de woning is een certificaat verleend door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor ruimte II CV (ORR). Het titelnummer van dat certificaat is 20170871.
Gelet op wat is overwogen in de uitspraak van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1568, onder 10.2, en in de uitspraak van 16 april 2025,  ECLI:NL:RVS:2025:1692, onder 5.1, blijkt ook hier niet dat er een aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit aan het certificaat ten grondslag ligt. Vast staat dat met de uitgifte van certificaten niet alleen de investeringen in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) en de regeling Ruimte voor ruimte verbreed worden terugverdiend, maar ook rentekosten en zogenoemde stimuleringsbijdragen, waarmee gemeenten financieel worden geprikkeld om deel te nemen aan de Ruimte-voor-ruimteregeling. Met de verkoop van een Ruimte-voor-ruimtetitel worden daarom niet alleen in het verleden gedane investeringen in de sloop van bedrijfsgebouwen terugverdiend, maar ook andere kosten die in de loop van de tijd zijn gemaakt om het systeem in stand te houden en die niet direct zijn gekoppeld aan de sloop van bedrijfsgebouwen. Dit betekent dat niet vast staat dat een uitgegeven certificaat voor een bouwtitel gelijk staat aan 1.000 m² aan gesloopte bedrijfsgebouwen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:396, onder 3.7, was met certificaten tot en met nummer 20170216 voldoende gewaarborgd dat 1.000 m² aan bedrijfsgebouwen van een beëindigde veehouderij is gesloopt voor één bouwtitel. Dit betekent dat voor certificaten met een hoger nummer de raad een zelfstandige plicht heeft om te achterhalen of het betrokken certificaat ook daadwerkelijk een behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit betreft. De enkele toelichting dat er een certificaat is verworven, zoals de raad in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting heeft gedaan, en dat versterking van het aanwezige groen in de planregels is geregeld is hiervoor onvoldoende. De raad moet in ieder geval inzicht geven in het object dan wel de objecten die zijn gesloopt, de ligging van de objecten, de hoeveelheid gesloopte vierkante meters en de hoeveelheid vierkante meters die eventueel al voor een andere (ruimte-voor-ruimte)ontwikkeling zijn ingezet, dan wel een vergelijkbaar inzicht geven in een andere kwaliteitsimpuls in concreto die plaats heeft gevonden. Omdat dit voor het certificaat in deze zaak niet inzichtelijk is gemaakt, heeft de raad niet goed gemotiveerd dat er sprake is van een behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit in de zin van artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de IOV.
5.3.    Het betoog slaagt.
6.       In de tweede plaats betoogt [appellant] dat het plan in strijd is met artikel 3.79, eerste lid, onder b, gelezen in samenhang met artikel 3.78, derde lid, van de IOV. Hij stelt dat de locatie van de woning niet ligt in een bebouwingsconcentratie en de woning geeft geen logische afronding van stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie, zoals dit artikelonderdeel vereist om een aanvaardbare locatie voor een ruimte-voor-ruimtewoning te kunnen zijn.
Daarnaast handelt de raad volgens hem in strijd met eigen beleid over wat een aanvaardbare locatie voor een ruimte-voor-ruimtewoning kan zijn. Hij stelt dat de locatie in de Structuurvisie Someren 2028 (Structuurvisie) en de beleidsnotitie ‘Herziening toepassingsregels Ruimte voor Ruimte woningen’ van 22 december 2021 (beleidsnotitie) niet is aangewezen als zoekgebied voor ruimte-voor-ruimtewoningen. De locatie is daarom niet aanvaardbaar voor de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtewoning.
6.1.    In artikel 3.79, eerste lid, onder b, gelezen in samenhang met artikel 3.78, derde lid, van de IOV staat dat een locatie aanvaardbaar voor de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtewoning is als de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt of een logische afronding van een bebouwingsconcentratie geeft. Volgens de begripsbepaling van de IOV kan onder een bebouwingsconcentratie onder meer een bebouwingslint of een bebouwingscluster worden verstaan.
6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende gemotiveerd dat de locatie aanvaardbaar is voor een ruimte-voor-ruimtewoning zoals bedoeld in artikel 3.79, eerste lid, onder b, van de IOV. In de plantoelichting staat dat het plangebied is gelegen aan het uiteinde van een bebouwingslint dan wel een bebouwingscluster aan de Heiveldsestraat. Dit bebouwingslint bestaat sinds het begin van de twintigste eeuw en vormt een aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing. De nieuwe woning zal bijdragen aan de versterking van het lint. Bovendien heeft de meeste van de bestaande bebouwing een woonfunctie. De woonbestemming in het plangebied vormt daar een logische afronding van. Omdat onder een bebouwingsconcentratie ook een bebouwingslint kan worden verstaan, vormt de locatie een logische afronding van een bebouwingsconcentratie.
6.3.    [appellant] heeft de onderbouwing van de raad niet gemotiveerd bestreden. Wel voert hij aan dat het college van burgemeesters en wethouders in een eerdere brief over handhavend optreden tegen het gebruik van de woning aan de [locatie 1] heeft gesteld dat die woning niet in een bebouwingsconcentratie staat. De Afdeling overweegt hierover dat de raad een eigen bevoegdheid heeft om dit plan vast te stellen. De raad beoordeelt zelf of de ontwikkeling op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.79, eerste lid, onder b, van de IOV.
6.4.    Het door [appellant] aangehaalde beleid uit de Structuurvisie en de beleidsnotitie gaat niet over welke gebieden een bebouwingsconcentratie in de zin van de IOV zijn, maar wijst zoekgebieden aan voor ruimte-voor-ruimtewoningen. Dit gemeentelijke beleid gaat dus niet over de vraag of het plan voldoet aan artikel 3.79, eerste lid, onder b, van de (provinciale) IOV. In dit kader is dit beleid daarom niet relevant.
6.5.    Het betoog slaagt niet.
7.       [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met artikel 3.79, eerste lid, onder c, gelezen in samenhang met artikel 3.77 van de IOV. Het plan moet op grond hiervan passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. In de plantoelichting heeft de raad hierbij verwezen naar de Structuurvisie. Maar de raad heeft volgens [appellant] niet goed gemotiveerd dat het plan in overeenstemming is met de ontwikkelingsrichting, zoals deze in de Structuurvisie staat.
7.1.    In de toelichting bij artikel 3.77 van de IOV staat dat het nodig is dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor verschillende typen gebied is opgenomen, om een afweging over de toepassing van deze regel te kunnen maken in een concreet geval. De Structuurvisie kan daarom een rol spelen bij de beoordeling of het plan past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
7.2.    Uit de Structuurvisie volgt dat er ruimhartig wordt omgegaan met het faciliteren van ruimte-voor-ruimtewoningen. Daarbij wordt een zwaarwegend belang gehecht aan de inpassing in de landschapsstructuur ter plaatse met als doel verrommeling te voorkomen. Hieruit kan worden afgeleid dat een woning die kan worden ingepast in de landschapsstructuur, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied voor zover die wordt beschreven in de Structuurvisie. De raad heeft in de plantoelichting gemotiveerd dat de ontwikkeling past binnen de landschapsstructuur, zoals deze in de Structuurvisie is opgenomen. Het gaat hier om een kampenlandschap, dat wordt gekenmerkt door een onregelmatige structuur. Ook kenmerkt het gebied zich door veel lintbebouwing. Het plan maakt een afronding van een bebouwingslint mogelijk en past daarmee binnen deze landschapsstructuur en ontwikkelingsrichting van het gebied.
7.3.    Voor zover [appellant] nog aanvoert dat bestaande woonbestemmingen volgens de Structuurvisie gerespecteerd moeten worden, oordeelt de Afdeling als volgt. De raad stelt zich terecht op het standpunt dat in de Structuurvisie weliswaar staat dat bestaande woonbestemmingen gerespecteerd moeten worden, maar dat dit plan niet gaat over een bestaande woonbestemming, maar over een bestaande recreatieve bestemming. Dit zegt dus niets over de ontwikkelingsrichting van het gebied.
7.4.    Het betoog slaagt niet.
Goede ruimtelijke ordening
8.       [appellant] betoogt tot slot dat de vaststelling van het plan zijn woongenot onevenredig aantast. Hierover voert hij aan dat het plan permanente bewoning van de woning naast hem mogelijk maakt, waar dat onder de vorige bestemming niet was toegestaan. Deze permanente bewoning zal zorgen voor een onevenredige toename in verkeersbewegingen en geluidsoverlast. Daarnaast zal dit een onevenredige inbreuk op zijn privacy als gevolg hebben. De raad heeft hier bij de vaststelling van het plan niet voldoende rekening mee gehouden. De vaststelling van het plan is daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
In het verlengde hiervan wijst hij er ook op dat het mogelijk maken van een ruimte-voor-ruimtewoning in strijd is met de Structuurvisie en beleidsnotitie, omdat deze locatie niet binnen een zoekgebied voor ruimte-voor-ruimtewoningen ligt en uitsluitend daar dergelijke woningen mogelijk worden geacht.
8.1.    De raad stelt dat de woning ook met de recreatieve bestemming permanent kon worden gebruikt, alleen was het niet toegestaan dat de eigenaar zelf gedurende het hele jaar in de woning woonde. Wel kon de woning het hele jaar door onafgebroken worden verhuurd en dus het hele jaar door worden gebruikt. Het verschil in overlast die kan bestaan onder een recreatieve bestemming ten opzichte van een woonbestemming is daarom minimaal.
Gegeven deze omstandigheden, acht de raad het ook onevenredig nadelig voor de woningeigenaar om strikt vast te houden aan de zoekgebieden voor ruimte-voor-ruimtewoningen uit de Structuurvisie en de beleidsnotitie.
8.2.    De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat het woongenot van [appellant] niet onevenredig wordt aangetast. De Afdeling betrekt hierbij dat de woning met de recreatieve bestemming weliswaar niet permanent door dezelfde bewoner bewoond mocht worden, maar deze kon al wel jaarrond worden gebruikt voor recreatieve bewoning. Er verandert in dit geval dus niets aan de mate waarin de woning kan worden gebruikt. Het aangevoerde geeft geen aanknopingspunt dat het verschil in verkeersbewegingen, geluidsproductie of privacy tussen een burgerwoning en een recreatiewoning zal maken dat de woonbestemming een grotere impact heeft op het woongenot van [appellant]. Vanwege de beperkte gevolgen van het plan, heeft de raad ook voldoende gemotiveerd dat een strikte toepassing van het beleid over zoekgebieden voor ruimte-voor-ruimtewoningen in dit geval onevenredig nadelige gevolgen zou hebben. De raad mocht in dit geval afwijken van het beleid hiervoor.
Voor zover [appellant] nog aanvoert dat voor het bouwen van de woning een groot deel van de bomen in het plangebied is gekapt, overweegt de Afdeling dat geen onderdeel vormt van het plan en de gevolgen hiervan kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.
8.3.    Het betoog slaagt niet.
Bestuurlijke lus en slotoverwegingen
9.       Uit wat hiervoor onder 5.2, is overwogen, volgt dat het bestemmingsplan gebrekkig is. De raad heeft namelijk niet goed gemotiveerd dat er sprake is van aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit in de zin van artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de IOV.
10.     De Afdeling zal de raad opdragen om uiterlijk binnen 12 weken nadat in de zaak waarin op 9 april 2025 uitspraak is gedaan met nr. ECLI:NL:RVS:2025:1568, opnieuw uitspraak is gedaan, dan wel die zaak op een andere wijze is beëindigd, het hierboven genoemde gebrek te herstellen. De raad kan dit doen door alsnog te motiveren dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de IOV, bijvoorbeeld door alsnog te motiveren dat er sprake is van aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit in de zin van artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de IOV, voor zover het gaat om de bouwtitel van de woning waarvoor certificaat van de ORR zijn verkregen (hierbij moet ook inzicht worden gegeven in het object dan wel de objecten die zijn gesloopt). De raad kan ook een gewijzigd besluit nemen. De Afdeling geeft de raad hiervoor deze flexibele termijn, zodat duidelijker is waar een eventuele nadere motivering aan moet voldoen. Het staat de raad ook vrij het gebrek eerder te herstellen op een wijze die hij passend acht.
Voor een eventueel herstelbesluit hoeft niet opnieuw toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
10.1.  Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
11.     De raad moet de Afdeling en de andere partijen de uitkomst meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen.
Proceskosten
12.     In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Someren op om uiterlijk binnen 12 weken nadat in de zaak waarin op 9 april 2025 uitspraak is gedaan met nr. ECLI:NL:RVS:2025:1568, opnieuw uitspraak is gedaan, dan wel die zaak op een andere wijze is beëindigd:
- met inachtneming van overweging 5.2 en 10 het gebrek in het besluit van 13 juni 2024 te herstellen en
- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
723-1192
 
BIJLAGE
 
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Artikel 3.77 Ontwikkelingsrichting
Lid 1
Voor de toepassing van de maatwerkbepalingen in deze afdeling geldt dat het bestemmingsplan een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in paragraaf 3.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in afdeling 3.2 Basis op orde, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en
d. op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.
[…]
Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit
[…]
Lid 3
Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als:
a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; of
b. de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie.
Artikel 3.79 Ruimte-voor-ruimtekavel
Lid 1
Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling:
a. door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit;
b. op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.78, derde lid; en
c. past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77.
[…]
Link naar deze uitspraak