|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:4741 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-08-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202302533/1/R4 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 31 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee aan [appellante] twee lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). [appellante] exploiteert een landbouwbedrijf aan de [locatie] in Dirksland. Aannemingsbedrijf [naam bedrijf] voerde eind 2019 wegwerkzaamheden uit aan het tracé van de provinciale weg N215 tussen Dirksland en Melissant. [bedrijf] gebruikte het landbouwperceel - met toestemming van [appellante] - om vrijgekomen materialen van de wegwerkzaamheden op te slaan. Naar aanleiding van een klacht constateerden toezichthouders van de gemeente dat op het landbouwperceel asfaltschollen en funderingsmateriaal waren opgeslagen. Volgens het verslag van de toezichthouders gaat het om meer dan 45.000 m3 aan bouw- en sloopafval, terwijl [appellante] niet beschikt over de vereiste vergunning om dit te mogen opslaan op haar landbouwperceel. | | Trefwoorden | : | landbouwbedrijf | | | omgevingsvergunning | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | 202302533/1/R4.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd in Dirksland, gemeente Goeree-Overflakkee,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2020 heeft het college aan [appellante] twee lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Bij besluit van 14 december 2020 heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 31 januari 2020 ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten, onder wijziging van last 1. De wijziging houdt in dat last 1 wordt opgelegd vanwege het overtreden van artikel 10.45 van de Wet milieubeheer.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 mei 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. N.J.K. Eijpe en mr. E.H.P. Brans, beiden advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 31 januari 2020 heeft het college aan [appellante] lasten onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en de Wet milieubeheer, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding
2. [appellante] exploiteert een landbouwbedrijf aan de [locatie] in Dirksland. Aannemingsbedrijf [naam bedrijf] voerde eind 2019 wegwerkzaamheden uit aan het tracé van de provinciale weg N215 tussen Dirksland en Melissant. [bedrijf] gebruikte het landbouwperceel - met toestemming van [appellante] - om vrijgekomen materialen van de wegwerkzaamheden op te slaan. Naar aanleiding van een klacht constateerden toezichthouders van de gemeente dat op het landbouwperceel asfaltschollen en funderingsmateriaal waren opgeslagen. Volgens het verslag van de toezichthouders gaat het om meer dan 45.000 m3 aan bouw- en sloopafval, terwijl [appellante] niet beschikt over de vereiste vergunning om dit te mogen opslaan op haar landbouwperceel.
De besluiten
3. Het college heeft in zijn besluit van 31 januari 2020 aan [appellante] twee lasten onder dwangsom opgelegd, omdat zij afvalstoffen (asfaltschollen en funderingsmateriaal) in haar landbouwinrichting opslaat zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning voor het veranderen van haar inrichting. De grondslag van beide lasten is artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Last 1 houdt in dat [appellante] blijvend moet voldoen aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo door per direct geen afvalstoffen in haar inrichting meer in ontvangst te nemen. Last 2 houdt in dat [appellante] blijvend moet voldoen aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo door het opgeslagen afval af te voeren naar een erkend afvalverwerker in overeenstemming met artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.
4. Het college heeft in zijn besluit op bezwaar van 14 december 2020 het besluit van 31 januari 2020 in stand gelaten, maar de grondslag van last 1 gewijzigd naar artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. Last 1 houdt sindsdien in dat [appellante] blijvend moet voldoen aan artikel 10.45 van de Wet milieubeheer door per direct geen afvalstoffen in haar inrichting meer in ontvangst te nemen.
Bevoegdheid Afdeling
5. [appellante] heeft - overeenkomstig de rechtsmiddelenclausule in het besluit op bezwaar - hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. De zaak is op zitting bij de rechtbank behandeld. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 14 april 2023 (zaak nr. 21/415) onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep en het beroep doorgestuurd naar de Afdeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is de Afdeling echter slechts ten dele bevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellante].
5.1. Uit artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 2 van bijlage 2 van die wet, volgt dat de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen een besluit over handhaving op grond van artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. De Afdeling is dus bevoegd om kennis te nemen van het beroep, voor zover dat is gericht tegen last 1.
De rechtbank is op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de Awb bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een besluit over handhaving op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Last 2 heeft deze bepaling als grondslag. Dat [appellante] de last om te voldoen aan de Wabo moet uitvoeren door de afvalstoffen in overeenstemming met artikel 10.37 van de Wet milieubeheer af te voeren naar een erkend afvalverwerker, laat onverlet dat overtreding van de Wabo ten grondslag is gelegd aan last 2. Dit betekent dat niet de Afdeling, maar de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het beroep, voor zover dat is gericht tegen de instandlating van last 2.
Dat last 1 en last 2 in één besluit zijn opgenomen doet hieraan niet af. Het gaat immers om twee afzonderlijke lasten onder dwangsom met elk een eigen grondslag, niet om (bijvoorbeeld) één last die is opgelegd vanwege de overtreding van meerdere wettelijke bepalingen (zoals aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:905). Dat beide lasten zijn gebaseerd op dezelfde feitelijke situatie en dat een oordeel over de ene last een impliciet oordeel zou kunnen inhouden over de andere last, maakt niet dat moet worden afgeweken van de wettelijke regeling van de absolute competentie van bestuursrechters.
5.2. Gezien het voorgaande is de Afdeling onbevoegd om kennis te nemen van het beroep, voor zover dit is gericht tegen last 2. De Afdeling zal het beroepschrift en de daarbij behorende besluiten en stukken in zoverre met toepassing van artikel 6:15 van de Awb terugzenden naar de rechtbank Rotterdam.
Procesbelang
6. Het college stelde zich ter zitting op het standpunt dat [appellante] geen procesbelang heeft en dat haar beroep, voor zover gericht tegen last 1, daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens het college heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden door deze last. Verder is de overtreding beëindigd, heeft [appellante] geen dwangsommen verbeurd en is een inhoudelijk oordeel over last 1 niet van belang voor toekomstige besluiten, aldus het college.
6.1 Niet in geschil is dat [appellante] aan last 1 heeft voldaan. De omstandigheid dat het opleggen van die last het beoogde effect heeft gesorteerd, neemt niet weg dat [appellante] procesbelang heeft (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4294, onder 2.4). Bovendien heeft [appellante] toegelicht dat zij door het voldoen aan last 1 inkomsten heeft misgelopen. Zij heeft dus tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van last 1.
Last 1
7. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. Bij het besluit op bezwaar heeft het college de grondslag van last 1 gewijzigd naar artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 18.2b, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is de minister van Infrastructuur en Milieu (Infrastructuur en Waterstaat) bevoegd om handhavend op te treden tegen overtreding van artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. Het college was dus niet bevoegd om last 1 met als grondslag artikel 10.45 van de Wet milieubeheer aan [appellante] op te leggen. Zoals ter zitting besproken komt het besluit op bezwaar alleen al daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling komt daarom niet toe aan de beroepsgronden die zien op deze last.
Conclusie
8. De Afdeling verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen de instandlating van last 2 in het besluit op bezwaar van 14 december 2020.
Voor het overige is het beroep gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 14 december 2020 voor zover dat ziet op de aan [appellante] opgelegde last 1.
Het college heeft ter zitting meegedeeld dat, als de Afdeling oordeelt dat [appellante] procesbelang heeft en dus toekomt aan vernietiging van het besluit op bezwaar, het besluit van 31 januari 2020 kan worden herroepen, voor zover daarbij last 1 is opgelegd, met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo als grondslag. Gelet op wat onder 6.1 en 7 is overwogen, is die situatie aan de orde. De Afdeling zal daarom zelf in de zaak voorzien en het besluit van 31 januari 2020 herroepen, voor zover daarbij last 1 is opgelegd, en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 14 december 2020.
9. Het college moet de proceskosten voor het bezwaar en het beroep vergoeden. Dit is inclusief de kosten voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank, aangezien die zitting mede heeft plaatsgevonden vanwege de onjuiste rechtsmiddelenclausule in het besluit van 14 december 2020.
10. Ten aanzien van het in deze procedure geheven griffierecht overweegt de Afdeling als volgt. Voor de behandeling van het beroep van [appellante] is een bedrag van € 365,00 als griffierecht geheven, terwijl in 2021, toen [appellante] beroep instelde, het verschuldigde griffierecht € 360,00 bedroeg. De Afdeling zal het college gelasten het verschuldigde griffierecht van € 360,00 aan [appellante] te vergoeden. Verder zal de Afdeling bepalen dat de griffier het te veel betaalde griffierecht van € 5,00 aan [appellante] terugbetaalt.
Overschrijding redelijke termijn
11. [appellante] heeft ter zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling zal in een afzonderlijke uitspraak oordelen over dit verzoek. Het onderzoek zal daartoe worden heropend. Aan deze zaak zal het procedurenummer 202302533/2/R4 worden toegekend.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen, voor zover dit is gericht tegen de instandlating van de aan [appellante] opgelegde last 2 in het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 14 december 2020 met kenmerk 9999169105_9999907740;
II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 14 december 2020 met kenmerk 9999169105_9999907740, voor zover dat besluit ziet op de aan [appellante] opgelegde last 1;
IV. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 31 januari 2020 met kenmerk 9999149069_9999719853, voor zover dat besluit ziet op de aan [appellante] opgelegde last 1;
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 14 december 2020 met kenmerk 9999169105_9999907740;
VI. bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 202302533/2/R4 ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.134,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 360,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt;
IX. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar teveel betaalde griffierecht ten bedrage van € 5,00 terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
912-1142 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|