|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:5351 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-09-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202402513/1/R2 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Gemert-Bakel het bestemmingsplan "De Haag, kasteel Gemert" vastgesteld. In de dorpskern van Gemert ligt het kasteelcomplex Gemert. Het kasteelcomplex is aangewezen als rijksmonument en bestaat uit het kasteel, het omliggende tuinpark, de ommuurde tuin en een deel van de omliggende landerijen. Initiatiefnemer BL Huisvesting wil kasteel Gemert in stappen herontwikkelen aan de hand van het Masterplan, dat Hylkema Erfgoed in november 2019 heeft opgesteld. Het bestemmingsplan maakt deel uit van die herontwikkeling en voorziet in de bouw van drie woningen binnen twee bouwvolumes op het driehoekig perceel tussen de West-Om, de Jezuïetenlaan en De Haag in Gemert. De locatie behoorde als deel van de landerijen voorheen bij het kasteelcomplex. Omwonenden vrezen onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en de landschappelijke waarden van (de omgeving van) het kasteelcomplex en de verkeersveiligheid. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | geluidhinder | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | planschade | | | rijksmonument | | | subsidies | | | | Uitspraak | 202402513/1/R2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. Stichting Schoorswinkel en Omgeving (SSO), gevestigd in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
2. Heemkundekring De Kommanderij Gemert (De Kommanderij), gevestigd in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
3. [appellant sub 3] en anderen, allen wonend in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Gemert-Bakel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "De Haag, kasteel Gemert" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben SSO, De Kommanderij en [appellant sub 3] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
BL Huisvesting heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht. SSO, de raad en BL Huisvesting hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.
De raad en BL Huisvesting hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 10 november 2025, waar SSO, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], De Kommanderij, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], [appellant sub 3] en anderen, in de persoon van [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.T.H. Branten en M. van den Akker, zijn verschenen. Verder is op zitting BL Huisvesting, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en bijgestaan door mr. L.A. Pronk, advocaat in Helmond, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 9 juni 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. In de dorpskern van Gemert ligt het kasteelcomplex Gemert. Het kasteelcomplex is aangewezen als rijksmonument en bestaat uit het kasteel, het omliggende tuinpark, de ommuurde tuin en een deel van de omliggende landerijen. Initiatiefnemer BL Huisvesting wil kasteel Gemert in stappen herontwikkelen aan de hand van het Masterplan, dat Hylkema Erfgoed in november 2019 heeft opgesteld. Het bestemmingsplan maakt deel uit van die herontwikkeling en voorziet in de bouw van drie woningen binnen twee bouwvolumes op het driehoekig perceel tussen de West-Om, de Jezuïetenlaan en De Haag in Gemert. De locatie behoorde als deel van de landerijen voorheen bij het kasteelcomplex.
4. Uit de statuten van SSO volgt dat zij streeft naar behoud en herstel van het (culturele) erfgoed in Gemert-Bakel en dat binnen dit doel specifieke aandacht is voor de cultuurhistorische waarden van Gemert-kern, waartoe behoort het kasteelcomplex Gemert en gebouwen, de onbebouwde omgeving en het groene erfgoed aan de westzijde van Gemert. SSO is het niet eens met het bestemmingsplan. Zij vreest onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en de landschappelijke waarden van (de omgeving van) het kasteelcomplex en voor geluidsoverlast.
Uit de statuten van De Kommanderij volgt dat zij tot doel heeft het behoud van cultuurhistorische en natuurhistorische waarden en van monumenten en archeologische monumenten in de breedst mogelijke zin en verder het bevorderen van de belangstelling voor en kennis van de lokale geschiedenis in al zijn aspecten. De Kommanderij is het niet eens met het bestemmingsplan. Zij vreest onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en de landschappelijke waarden van (de omgeving van) het kasteelcomplex.
[appellant sub 3] en anderen wonen allen aan De Haag en de Jezuïetenlaan, in de directe nabijheid van het plangebied. [appellant sub 3] en anderen zijn het niet eens met het bestemmingsplan. Zij vrezen onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en de landschappelijke waarden van (de omgeving van) het kasteelcomplex en de verkeersveiligheid.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Goede procesorde
6. BL Huisvesting betoogt dat de beroepsgronden die SSO in haar nadere stuk van 8 januari 2025 naar voren heeft gebracht over de geluidbelasting en strijd met de notitie "Gemeente Gemert-Bakel, de oude akkers" (Notitie Oude Akkers), buiten beschouwing moeten worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
6.1. Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. In deze zaak heeft de Afdeling de STAB verzocht om een deskundigenbericht uit te brengen. Dan is het indienen van nieuwe beroepsgronden later dan drie weken nadat dit verzoek is verzonden in ieder geval in strijd met de goede procesorde. Dit geldt niet voor procedurele beroepsgronden, omdat deze geen aanleiding geven om de STAB in te schakelen.
6.2. De Afdeling heeft de STAB op 23 december 2024 verzocht een deskundigenbericht uit te brengen. Omdat SSO de nadere beroepsgronden op 8 januari 2025 heeft ingediend en daarmee binnen drie weken nadat dit verzoek is verzonden, leidt dit in ieder geval niet tot strijd met de goede procesorde. Daarnaast heeft het stuk met de aanvullende gronden een beperkte omvang van slechts 4 pagina’s, zodat de raad en BL Huisvesting daar binnen de beschikbare tijd voldoende op hebben kunnen reageren. Verder heeft het indienen van deze beroepsgronden ook niet geleid tot onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom inhoudelijk behandelen.
Beroep
- Verdrag van Granada
7. SSO betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met de Overeenkomst inzake het behoud van het architectonisch erfgoed van Europa (Trb 1985, 163; het Verdrag van Granada). Zij voert aan dat op grond van artikel 4, aanhef, tweede lid, aanhef en onder a, artikel 7 en artikel 12 van het Verdrag van Granada de omgeving van beschermde monumenten moet worden beschermd.
7.1. De Afdeling stelt voorop dat toetsing aan een artikel van een verdrag alleen kan plaatsvinden als dit artikel eenieder verbindende bepalingen bevat. Artikel 7 en 12 van het Verdrag van Granada richten zich tot de lidstaten en bevatten, gelet op de formulering, geen normen die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is, aangezien deze bepalingen niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4039), onder 15.1.
7.2. Verder bepaalt artikel 4, aanhef, tweede lid, aanhef en onder a, van het Verdrag van Granada, dat partijen bij het verdrag, om te voorkomen dat beschermde goederen worden ontsierd, vernield of afgebroken, in hun wetgeving moeten bepalen dat een bevoegde autoriteit in kennis wordt gesteld van plannen tot afbraak of verandering van reeds beschermde monumenten en van monumenten waarvoor bescherming wordt overwogen, alsmede van ieder project waarvoor de omgeving van deze monumenten wordt aangetast. Anders dan SSO betoogt, valt hier niet in te lezen dat de omgeving van een monument hoe dan ook niet mag worden bebouwd. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:142) onder 9.1.
Het betoog slaagt niet.
- Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV)
8. SSO, De Kommanderij en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.78, tweede lid, aanhef, onder a en onder 2, van de IOV. SSO en De Kommanderij voeren aan dat het bestemmingsplan niet leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit ter plaatse of van het kasteelcomplex. Verder voeren SSO, De Kommanderij en [appellant sub 3] en anderen aan dat niet is aangetoond dat de ontwikkeling de financiële middelen genereert voor de versterking van de omgevingskwaliteit, omdat er geen concrete bestemming aan de opbrengst van de verkoop van de woningen wordt gegeven. De Kommanderij wijst op de reactie van de provincie Noord-Brabant van 23 september 2022 op het voorontwerp van het bestemmingsplan waarin de provincie constateert dat een specificering van de vereiste fysieke tegenprestatie voor versterking van de omgevingskwaliteit in het bestemmingsplan wordt gemist en evenzo een voldoende borging van de uitvoering daarvan. Verder brengt SSO naar voren dat zij de conclusie in het deskundigenbericht van de STAB onderschrijft dat de vraag opdoemt of er kan worden gesproken van "behoud door ontwikkeling" als een deel van een rijksmonument door economische ondersteuning wordt behouden, terwijl de cultuurhistorische waarde van een ander cultuurhistorisch waardevol gebied voor een groot deel verdwijnt om de benodigde financiën te realiseren. Zij wijst in dit verband ook op het besluit van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant van 4 maart 2025 om de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de herontwikkeling van de Jezuïetenvleugel van het kasteelcomplex te weigeren omdat onvoldoende is onderbouwd dat het voornemen financieel noodzakelijk is om het project te laten slagen. Tot slot voeren [appellant sub 3] en anderen aan dat de aantasting van de cultuurhistorische waarden niet in verhouding staat tot het financiële gewin en dat het aannemelijk is dat de opbrengst van de verkoop van de beoogde woningen lager komt te liggen, bijvoorbeeld vanwege planschade.
8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.78, tweede lid, aanhef, onder a en onder 2, van de IOV. Volgens de raad leidt het bestemmingsplan tot een versterking van de omgevingskwaliteit omdat de ontwikkeling een bijdrage levert aan het behoud van de cultuurhistorische waarden van het kasteelcomplex. De raad wijst erop dat de bouw van de drie woningen nodig is om de totale herontwikkeling van het kasteelcomplex economisch haalbaar te maken. Er is volgens de raad een enorme investering gemoeid met de restauratie van het kasteelcomplex. Het gaat dan om de hoofdburcht, de voorburcht, de donjon, het poortgebouw, het botenhuis, de historische muur rondom de voormalige moestuin en ook herstel en revitalisering van park, tuin, grachten en paden. Om dit de kunnen bekostigen is ontwikkeling nodig. De raad wijst erop dat de kwaliteitsverbetering, die qua omvang gelijk is aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel, € 125.000,00 per toe te voegen woning bedraagt. Voor deze ontwikkeling gaat het dus om een totaalbedrag van € 375.000,00. Deze investering wordt volgens de raad besteed aan het toevoegen van dakkapellen en schoorstenen aan de hoofdburcht en voorburcht en het aanleggen van installaties, eveneens voor de hoofdburcht en voorburcht. De raad brengt verder naar voren dat de kwaliteitsverbetering is geborgd in een anterieure overeenkomst met initiatiefnemer BL Huisvesting.
8.2. Artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV luidt:
"Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als:
a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert;"|
Artikel 3.78, tweede lid, aanhef, onder a en onder 2, van de IOV luidt:
"De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd:
a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft:
[…]
2. is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel;"
8.3. De raad stelt zich terecht op het standpunt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.78, tweede lid, aanhef, onder a en onder 2, van de IOV. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert. Ook heeft de raad inzichtelijk gemaakt wat de bestemming is van de opbrengst. De Afdeling stelt daarbij voorop dat artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV niet vereist dat de versterking van de omgevingskwaliteit alleen kan worden ingezet op de locatie waar de ontwikkeling plaatsvindt. Het is dus mogelijk om een ontwikkeling, in dit geval de drie woningen op een locatie die niet (meer) tot het kasteelcomplex behoort, mogelijk te maken, als deze tot doel heeft om elders, namelijk op het kasteelcomplex, een versterking te geven van de omgevingskwaliteit. De Afdeling verwijst daarvoor naar haar uitspraak van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2845), onder 11.3. De omgevingskwaliteit van het kasteelcomplex wordt versterkt door de restauratie daarvan. Verder zal € 225.000,00 worden besteed aan de toevoeging van dakkappelen en schoorstenen aan de hoofdburcht en voorburcht en de overige € 150.000,00 aan de aanleg van installaties aan de hoofdburcht en voorburcht.
8.4. Voor zover De Kommanderij wijst op de reactie van de provincie Noord-Brabant van 23 september 2022 op het voorontwerp van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat een reactie op het voorontwerp niet doorslaggevend is voor de beoordeling van het bestemmingsplan dat nu voorligt. Overigens vond de provincie Noord-Brabant het kennelijk ook niet meer nodig om te reageren op het bestemmingsplan.
8.5. Over het besluit van 4 maart 2025 van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant om de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het realiseren van nieuwbouw en het uitvoeren van renovatiewerkzaamheden aan de Jezuïetenvleugel van het kasteelcomplex te weigeren, omdat de financiële noodzaak onvoldoende is onderbouwd, overweegt de Afdeling als volgt. In dat besluit staat dat gedeputeerde staten vinden dat niet blijkt dat de uitvoering van het planvoornemen financieel noodzakelijk is om het project "behoud door ontwikkeling van kasteel Gemert" te laten slagen. In dit geval gaat het om een besluit van de raad tot vaststelling van een bestemmingsplan, waarvoor een ander toetsingskader geldt. Artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOV eist alleen een fysieke tegenprestatie. Om die reden zijn deze situaties niet vergelijkbaar.
8.6. Voor zover [appellant sub 3] en anderen aanvoeren dat het aannemelijk is dat de opbrengsten van de beoogde woningen lager komt te liggen, bijvoorbeeld door tegemoetkoming in planschade, overweegt de Afdeling dat behandeling van een eventueel verzoek om tegemoetkoming in planschade losstaat van het bestemmingsplan. Het eventueel toekennen van zo’n tegemoetkoming staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
De betogen slagen niet.
9. SSO betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. Volgens SSO is de versterking van de omgevingskwaliteit al verzekerd in de Erfgoedwet en Monumentenwet, omdat die regelingen al een wettelijke verplichting bevatten voor het onderhouden en in stand laten van monumenten. Daarnaast is volgens SSO de versterking van de omgevingskwaliteit al verzekerd doordat er subsidies zijn verstrekt voor het behoud en herstel van het kasteelcomplex. SSO wijst op de volgende subsidies: een subsidie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in juli 2011 van € 600.000,00 voor de restauratie van het kasteel, een subsidie van de Brainport Regio in januari 2020 van € 500.000,00 voor restauratie, herontwikkeling en openstelling van het kasteel en een principebesluit voor een subsidie van de provincie Noord-Brabant in maart 2023 van € 4,5 miljoen voor de herontwikkeling van het kasteel. Daarnaast zijn er volgens SSO twee subsidieaanvragen gedaan voor de restauratie van de ommuurde tuin.
9.1. Artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV bevat de zogenaamde anti-dubbeltelbepaling. Op grond van dit artikel kan een versterking niet (nogmaals) worden ingebracht voor de toepassing van de regeling als het versterken van de omgevingskwaliteit al is verzekerd vanwege een wettelijke verplichting of vanwege deelname aan een andere regeling. Het artikel luidt:
"Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als:
[…]
b. de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd;
9.2. Naar het oordeel van de Afdeling is het bestemmingsplan niet in strijd met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. De Afdeling legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt.
9.3. Op grond van artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Erfgoedwet, in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen. Deze wettelijke verplichting bevat daarmee een verbod, en dus niet een verplichting om monumenten te behouden en herstellen. Dat betekent dat met deze wettelijke verplichting nog niet is verzekerd dat een versterking van de omgevingskwaliteit plaatsvindt. Gelet hierop is het toevoegen van dakkappelen en schoorstenen aan de hoofdburcht en voorburcht en het aanleggen van installaties, eveneens voor de hoofdburcht en voorburcht, via de maatwerkbepaling in artikel 3.78 van de IOV in zoverre niet in strijd met de anti-dubbeltelbepaling.
9.4. Daarnaast heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat tevens subsidies worden verstrekt om het kasteelcomplex in stand te houden, te restaureren en te ontwikkelen, nog niet wil zeggen dat er strijd is met de anti-dubbeltelbepaling. Er ontstaat pas strijd met de anti-dubbeltelbepaling als de kwaliteitsverbetering die bestaat uit het toevoegen van dakkappelen en schoorstenen aan de hoofdburcht en voorburcht en het aanleggen van installaties, eveneens voor de hoofdburcht en voorburcht, al door middel van verstrekte subsidies is verzekerd. Niet aannemelijk is geworden dat de subsidies verband houden met hetzelfde herstel van dezelfde delen van het complex.
Het betoog slaagt niet.
10. De Kommanderij betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, derde lid, aanhef en onder b, van de IOV. Volgens haar voorziet de ontwikkeling niet in een logische afronding van het stedelijk gebied.
10.1. Artikel 3.78, derde lid, aanhef en onder b, van de IOV luidt:
"Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als:
[…]
b. of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie."
10.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, derde lid, aanhef en onder b, van de IOV. De raad heeft namelijk voldoende onderbouwd waarom de ontwikkeling een logische afronding geeft van het stedelijk gebied. De raad heeft bij die onderbouwing mogen betrekken dat het plangebied een perceel is tussen het stedelijk gebied en het kasteelcomplex en aan de noord-oostzijde wordt omgeven door bebouwing.
Het betoog slaagt niet.
- Gemeentelijk beleid
11. SSO betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. Volgens SSO heeft de raad er namelijk geen rekening mee gehouden dat in de Notitie Oude Akkers de aanduiding "Oude akkers - Beschermd" aan het plangebied is toegekend.
11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij voldoende rekening heeft gehouden met het gemeentelijk beleid. Uit de Notitie Oude Akkers volgt dat het plangebied ligt binnen een beschermd oud akkercomplex, maar volgens de raad is met de aanleg van de West-Om het plangebied afgescheiden van dit akkercomplex. Hierdoor zijn de aanwezige waarden binnen het plangebied al aangetast. Daarnaast behoort het plangebied volgens de raad meer tot het bebouwingscluster aan De Haag dan bij de akkers van het buitengebied, omdat het plangebied aan de noord- en oostzijde wordt omgeven door bebouwing en aan de zuidzijde door de West-Om en omdat het plangebied wordt omringd door een dubbele bomenrij. Volgens de raad functioneert het plangebied dan ook meer als wijkgroen in een stedelijke omgeving.
11.2. De Notitie Oude Akkers is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 31 mei 2016. Op grond van de Notitie Oude Akkers is het plangebied aangeduid als "Oude Akkers - Beschermd". Met de notitie wordt beoogd om oude akkers in toekomstige bestemmingsplannen te beschermen door middel van de dubbelbestemming "Waarde - Oude Akker". In de notitie staat dat de gemeente bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening houdt met de aanwezigheid van cultuurhistorische akkerwaarden.
11.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende rekening gehouden met het beleid van het college. Dat het plangebied in de Notitie Oude Akkers is aangeduid als "Oude Akkers - Beschermd" is namelijk een belang dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan moet meewegen. De raad heeft dat gedaan. Bij de afweging om geen dubbelbestemming "Waarde - Oude Akker" toe te kennen, mocht de raad betrekken dat het plangebied, sinds de realisatie van de West-Om, meer functioneert als wijkgroen in een stedelijke omgeving dan als agrarisch oude akker als onderdeel van het kasteelcomplex. De raad mocht dan ook tot de conclusie komen dat andere belangen dan de bescherming van de oude akker zwaarder wegen.
Het betoog slaagt niet.
- Cultuurhistorische en landschappelijke waarden
12. SSO, De Kommanderij en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat het een onaanvaardbare inbreuk maakt op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. Zij voeren aan dat, ondanks de realisatie van de West-Om in de jaren ’90 van de vorige eeuw, het plangebied nog steeds een cultuurhistorische band heeft met het kasteelcomplex en dat bebouwing op deze locatie die band definitief vernietigt. SSO voert verder aan dat bebouwing op het plangebied leidt tot aantasting van de kernwaarden A "instandhouding van het landgoed", B "functioneel geheel", F "ligging aan het open landschap" en G "sequentie besloten tuinen - open landschap", zoals geformuleerd in het "Ruimtelijk Kader W422 Kasteel Gemert" (Ruimtelijk Kader) van Wessel de Jonge Architecten BNA B.V. van 17 mei 2017. SSO wijst erop dat de aanleg van de West-Om de planlocatie niet minder cultuurhistorisch waardevol maakt en dat van de aanleg van de West-Om ten onrechte een precedentwerking uitgaat, omdat dit aantasting van de overige landerijen die horen bij het kasteelcomplex tot gevolg kan hebben. Verder brengt SSO naar voren dat bebouwing op het plangebied mogelijk is omdat door toedoen van de gemeente de RCE bij de aanwijzing van het kasteelcomplex als rijksmonument op 27 december 2011, het plangebied ten onrechte niet heeft meegenomen als onderdeel daarvan. De Kommanderij wijst er nog op dat het bestemmingsplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de bestaande zichtrelaties tussen het plangebied en de oorspronkelijke landerijen, omdat de bebouwing een afschermende wand vormt. Volgens haar zal er door de bebouwing nauwelijks tot geen zicht meer zijn op het kasteelcomplex. Tot slot brengen [appellant sub 3] en anderen naar voren dat de beoogde woningen het riviertje "De Rips" dat om het plangebied stroomt, aantasten.
12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening wat cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied betreft, omdat het daarop geen onaanvaardbare inbreuk maakt. Volgens de raad is in het Ruimtelijk Kader, dat tot stand is gekomen met inbreng van de RCE, de provincie, de gemeentelijke monumentencommissie en de gemeente, en het daaruit voortvloeiende "Erfgoedkader Kasteel Gemert" (Erfgoedkader) en het "Programma van Eisen Ruimte kasteel Gemert" (Programma van Eisen), die de raad beide op 8 juli 2021 heeft vastgesteld, onderbouwd dat bebouwing binnen het plangebied mogelijk is. Uit die stukken blijkt volgens de raad dat bebouwing op het plangebied denkbaar is omdat sinds de aanleg van de West-Om het plangebied al fysiek en visueel is afgescheiden van de rest van het kasteelcomplex. Hierdoor heeft het plangebied niet meer de kwaliteiten die de andere landerijen van het kasteelcomplex kenmerken. Daarnaast volgt volgens de raad uit deze stukken dat de cultuurhistorische argumentatie bestaat uit het ondersteunen van kernwaarde A "instandhouding van het landgoed", zoals geformuleerd in het Ruimtelijk Kader, door het economisch draagvlak van de herontwikkeling te faciliteren. Verder worden de kernwaarden F "ligging aan het open landschap" en G "sequentie besloten tuinen - open landschap" door deze ontwikkeling niet onaanvaardbaar verstoord omdat het plangebied zich nu al bevindt te midden van de huidige bebouwing aan De Haag en de Jezuïetenlaan en achter een dubbele bomenrij van de West-Om. Uit het Ruimtelijk Kader volgt dat het plangebied ten aanzien van de overige kernwaarden indifferent is. Verder brengt de raad naar voren dat in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de aanwezige landschappelijke waarden en dat belangrijkste structuren behouden blijven. De raad wijst daarvoor naar de positionering en landelijke vormgeving van de beoogde woningen en stelt dat de zichtlijnen voldoende worden gerespecteerd. Voor zover [appellant sub 3] en anderen naar voren brengen dat "De Rips" wordt aangetast, stelt de raad zich op het standpunt dat de omkadering van de landerijen door dit riviertje sinds de aanleg van de West-Om niet meer aanwezig is waardoor dit riviertje ook niet meer wordt ervaren als onderdeel van het kasteelcomplex.
12.2. De STAB heeft op 21 maart 2025 een deskundigenbericht uitgebracht over de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in het plangebied. Volgens de raad en BL Huisvesting treedt de STAB in het deskundigenbericht buiten de vraagstelling door een zelfstandig deskundigheidsoordeel te geven over de in en rondom het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden. De Afdeling stelt voorop dat de STAB feiten en omstandigheden duidt, maar dat de uiteindelijke beoordeling van het geschil aan de Afdeling is.
12.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bestemmingsplan geen onaanvaardbare inbreuk maakt op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. De Afdeling legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
12.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het geen onaanvaardbare inbreuk maakt op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. Hoewel de STAB in het deskundigenbericht constateert dat door de ontwikkeling de zicht- en functionele relatie met de overige landerijen van het kasteelcomplex definitief verloren gaat, heeft de raad bij zijn afweging mogen betrekken dat het plangebied sinds de aanleg van de West-Om al fysiek en visueel is afgescheiden van de rest van het kasteelcomplex. Daarnaast heeft de raad bij de afweging mogen betrekken dat kernwaarde A "instandhouding van het landgoed" met het bestemmingsplan juist wordt ondersteund, omdat de beoogde woningen de middelen genereren voor herstel en restauratie van een deel van het kasteelcomplex. Bovendien heeft de raad voldoende onderbouwd dat de kernwaarden F "ligging aan het open landschap" en G "sequentie besloten tuinen - open landschap", niet verder worden aangetast. Voor zover SSO erop wijst dat kernwaarde B "functioneel geheel" wordt aangetast, overweegt de Afdeling dat de raad er terecht op wijst dat uit het Ruimtelijk Kader volgt dat deze kernwaarde niet aan het plangebied is toegekend. Ook wat betreft de aantasting van het riviertje "De Rips" heeft de raad gemotiveerd waarom deze aantasting niet onaanvaardbaar is. Om de bovengenoemde redenen heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan geen onaanvaardbare inbreuk maakt op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
12.5. Voor zover SSO vreest voor een precedentwerking van de aanleg van de West-Om en de bebouwing die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt, overweegt de Afdeling dat zij alleen een oordeel kan geven over het nu voorliggende bestemmingsplan. Een eventueel toekomstig plan zal op zijn eigen merites worden beoordeeld. Het kan niet leiden tot het oordeel dat het in deze zaak ter beoordeling staande bestemmingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht.
12.6. Voor zover SSO erop wijst dat de RCE door toedoen van de gemeente het plangebied in haar besluit van 27 december 2011 ten onrechte niet heeft aangewezen als onderdeel van het rijksmonument, overweegt de Afdeling dat dit besluit in rechte onaantastbaar is en in deze procedure niet ter beoordeling staat. Dit betekent dan ook dat het plangebied niet kan worden beschouwd als onderdeel van dit rijksmonument. Verder kan aan een beoordeling van de door SSO veronderstelde beweegredenen van de RCE niet worden toegekomen. In het betoog van SSO ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten concluderen dat het plangebied niet mag worden bebouwd.
12.7. Voor zover De Kommanderij aanvoert dat het bestemmingsplan leidt tot een verstoring van het uitzicht op het kasteelcomplex, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat De Kommanderij of omwonenden geen aanspraak kunnen maken op een blijvend vrij uitzicht, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar geen bebouwing toestond.
De betogen slagen niet.
- Geluid
13. SSO betoogt dat het bestemmingsplan leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting op de gevels van de beoogde woningen als gevolg van verkeersbewegingen. Volgens hen worden de richtwaarden van zowel de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) als de World Health Organization (WHO) overschreden. Op de zitting heeft SSO toegelicht dat haar betoog erop ziet dat de Wet geluidhinder niet voorziet in de bescherming tegen geluidbelasting in de tuin van de beoogde woningen, terwijl de normen van de GGD en WHO daar wel op zien.
13.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting op de gevels van de beoogde woningen als gevolg van de verkeersbewegingen. De raad stelt zich terecht op het standpunt dat de richtwaarden van de GGD en WHO geen richtwaarden zijn waaraan de ontwikkeling moet worden getoetst. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3910), onder 49.5, hebben de WHO-advieswaarden geen dwingende status. De raad is daarom niet verplicht de door de WHO aanbevolen maximale geluidsbelasting van 53 dB Lden te hanteren. Ook de norm van de GGD van 50 dB Lden is een advies zonder dwingende status. De raad heeft, onder verwijzing naar het aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde "Akoestisch onderzoek nieuwbouw De Haag, Gemert" van Ingenieursbureau Van Keulen Advies B.V. van 21 februari 2023, onderbouwd dat wordt voldaan aan de normen in de Wet geluidhinder. Op de zitting is gebleken dat dat ook niet in geschil is.
Het betoog slaagt niet.
13.2. Omdat de beroepsgrond niet slaagt, is de Afdeling niet ingegaan op het standpunt van de raad en BL Huisvesting dat SSO het relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen.
- Verkeersveiligheid
14. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het bestemmingsplan leidt tot verkeersonveilige situatie bij de in- en uitrit van het plangebied. Volgens hen ontstaat er een onoverzichtelijke verkeerssituatie door de bomen die aan beide zijden van de in- en uitrit aan De Haag staan.
14.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot verkeersonveilige situatie bij de in- en uitrit van het plangebied. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat de snelheid op De Haag wordt verlaagd naar 30 km/u, dat de toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal ten gevolge van de beoogde woningen per etmaal beperkt blijft tot 25 en dat de in- en uitrit 4 m breed is. Bovendien hebben [appellant sub 3] en anderen de conclusies in de "Rapportage verkeer en parkeren" van RHO Adviseurs van 16 mei 2023 niet bestreden. Daarin staat dat de verkeersgeneratie van de woningen aan De Haag dermate gering is, dat de omliggende wegen (De Haag) het verkeer vlot en veilig kunnen verwerken. Voor zover [appellant sub 3] en anderen aanvoeren dat de bomen aan De Haag leiden tot een verkeersonveilige situatie, overweegt de Afdeling dat het bij het eventueel kappen of rooien van deze bomen niet gaat over het bestemmingsplan zelf maar over de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.
Het betoog slaagt niet.
- Bebouwingstypologie
15. De Kommanderij betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte langgevelboerderijen mogelijk maakt, terwijl dit type bebouwing niet passend is in de omgeving. Volgens haar is het bouwvlak te klein voor langgevelboerderijen en kunnen de boerderijen worden geschakeld, terwijl dat bij langgevelboerderijen nooit voorkomt. Verder brengt zij naar voren dat een schetsontwerp ontbreekt.
15.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de bebouwingstypologie die het bestemmingsplan mogelijk maakt passend is in de omgeving. De borging van de bebouwingstypologie vindt plaats in de verbeelding, de planregels en het beeldkwaliteitsplan. Uit de verbeelding volgt dat binnen het plangebied maximaal drie woningen zijn toegestaan, waarvan één vrijstaande woning en één twee-aaneen-woning. Verder staat in het beeldkwaliteitsplan, dat via artikel 7.1, onder e, van de planregels, deel uitmaakt van het bestemmingsplan, dat de woningen moeten passen bij de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristiek van de landschappelijke bebouwing in het buitengebied. Het betoog van De Kommanderij dat het bestemmingsplan als zodanig langgevelboerderijen mogelijk maakt, mist feitelijke grondslag. De planregeling voorziet in een woonbestemming en maatvoering. Daarbij volgt uit het beeldkwaliteitsplan dat de beoogde woningen bij voorkeur geen kopie van de kort- of langgevelboerderijen zijn, maar moderne woningen geïnspireerd op de architectuur van de karakteristieke streekgebonden boerderijen en schuren in de nabijheid van Gemert. Een schetsontwerp is in deze fase van de ontwikkeling dan nog niet noodzakelijk. Dat komt pas aan de orde bij de beoordeling door het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een concreet bouwplan.
Het betoog slaagt niet.
- Zienswijze
16. SSO heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. SSO heeft in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
17. De beroepen zijn ongegrond.
18. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.
w.g. Van Ravels
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
271-1140
BIJLAGE
Verdrag van Granada
Artikel 4
Iedere Partij verplicht zich ertoe:
[…]
2. te voorkomen dat beschermde goederen worden ontsierd, vernield of afgebroken. Daartoe verplicht iedere Partij zich ertoe, indien dit nog niet is geschied, in haar wetgeving bepalingen op te nemen die erop zijn gericht:
a. een bevoegde autoriteit in kennis te stellen van alle plannen tot afbraak of verandering van reeds beschermde monumenten en van monumenten waarvoor bescherming wordt overwogen, alsmede van ieder project waardoor de omgeving van deze monumenten wordt aangetast;
[…].
Artikel 7
Iedere Partij verplicht zich ertoe ervoor te zorgen dat er maatregelen worden genomen ten einde in de directe omgeving van monumenten en binnen de architectonische eenheden van gebouwen alsmede in de waardevolle gebieden het leefmilieu te verbeteren.
Artikel 12
Erkennend dat het van belang is dat het publiek in staat wordt gesteld beschermde goederen te bezoeken, verplicht iedere Partij zich ertoe alle maatregelen te nemen opdat de gevolgen van dit openstellen voor het publiek, in het bijzonder de nodige voorzieningen voor het toegankelijk maken, geen aantasting betekenen voor de architectonische en historische aard van deze goederen en omgeving.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Erfgoedwet
Artikel 9.1 Omgevingswet
1. Tot het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 16 juni 2014 ingediende voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) (Kamerstukken 33 962) tot wet is verheven en in werking is getreden:
a. blijven de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, van toepassing;
[…].
Monumentenwet 1988
Artikel 11 [Regeling vervallen per 01-07-2016]
1. Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.
[…].
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 21 maart 2023)
Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit
Lid 1
Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als:
a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert;
b. de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd;
c. de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woon- en leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden;
d. de ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77 ;
e. is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt;
f. de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en
g. bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit , onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
Lid 2
De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd:
a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft:
2. wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied;
3. is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en
4. is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort;
b. als de ontwikkeling mede tot doel heeft een milieubelastende activiteit te saneren, moeten alle daarvoor aanwezige rechten en toestemmingen, waaronder de verleende vergunningen, zijn ingetrokken;
c. als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft:
2. heeft het landgoed ten minste een omvang van 10 hectare;
3. bestaat 50% van het landgoed uit gerealiseerde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant;
4. wordt de fysieke tegenprestatie ingezet voor de ontwikkeling van natuur;
5. is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed;
6. wordt de bebouwing geconcentreerd opgericht buiten het Natuur Netwerk Brabant;
7. zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende gebruiksactiviteiten mogelijk, waaronder zorg; en
8. is de openbaarheid van het landgoed verzekerd.
d. als de ontwikkeling plaatsvindt binnen een Cultuurhistorisch waardevol gebied ter behoud van een waardevol cultuurhistorisch complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie gericht op behoud of versterking van de aldaar benoemde waarden en kenmerken.
Lid 3
Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als:
a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;
b. of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie.
Lid 4
Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:
a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a;
b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en
c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste Lid, onder a.
Bestemmingsplan "De Haag, kasteel Gemert"
Artikel 7 Algemene bouwregels
7.1 Algemene bouwregels
[…]
e. Bouwplannen, waaronder tevens wordt verstaan de veranderingen van hoofdgebouwen én veranderingen van gevels van bouwwerken gericht naar het openbaar toegankelijk gebied, dienen te voldoen aan de criteria van het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 1;
[…]. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|