|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:604 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-02-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202400885/1/R2 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 14 december 2023 heeft de raad van de gemeente Land van Cuijk het bestemmingsplan "Buitengebied, Langenboom, Maurikstraat 25/Campagnelaan 10" vastgesteld. De Woonvereniging en [appellanten sub 2] zijn initiatiefnemers van het plan om op het perceel aan de Maurikstraat 25, 25a en 25b in Langenboom een collectieve woonvorm te vestigen voor vier personen in de bestaande woning met bijgebouwen. Daarnaast houdt het plan in om aan de Campagnelaan 10 in Langenboom, tegenover de bestaande woning met bijgebouwen, twee recreatiewoningen te maken in de bestaande landbouwschuur, hier hobbymatig paarden te houden en een atelier voor beroep aan huis te vestigen. De raad heeft het bestemmingsplan vastgesteld om het initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken. [appellant sub 1] woont aan de [locatie] en is het niet eens met het plan, onder meer omdat het meer bewoning en bebouwing mogelijk maakt dan op dit moment op de gronden is toegestaan. [appellanten sub 2] zijn het met name niet eens met de planregel die gaat over de recreatiewoningen als een aan huis gebonden beroep. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | paarden | | | perceel | | | | Uitspraak | 202400885/1/R2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend in Langenboom, gemeente Land van Cuijk,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna: [appellanten sub 2]), wonend in Leiden en Langenboom, gemeente Land van Cuijk,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Land van Cuijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Langenboom, Maurikstraat 25/Campagnelaan 10" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Woonvereniging Maurik Erf (hierna: de Woonvereniging) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De raad, [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 november 2025, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. ir. J.M.M. Kroon, advocaat in Utrecht, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. L. Klaus, advocaat in Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door P. Pesch en K. Gaus-Dalhuisen, zijn verschenen. Verder is op de zitting de Woonvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerp van het bestemmingsplan is op 1 juni 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. De Woonvereniging en [appellanten sub 2] zijn initiatiefnemers van het plan om op het perceel aan de Maurikstraat 25, 25a en 25b in Langenboom een collectieve woonvorm te vestigen voor vier personen in de bestaande woning met bijgebouwen. Daarnaast houdt het plan in om aan de Campagnelaan 10 in Langenboom, tegenover de bestaande woning met bijgebouwen, twee recreatiewoningen te maken in de bestaande landbouwschuur, hier hobbymatig paarden te houden en een atelier voor beroep aan huis te vestigen. De raad heeft het bestemmingsplan vastgesteld om het initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken. [appellant sub 1] woont aan de [locatie] en is het niet eens met het plan, onder meer omdat het meer bewoning en bebouwing mogelijk maakt dan op dit moment op de gronden is toegestaan. [appellanten sub 2] zijn het met name niet eens met de planregel die gaat over de recreatiewoningen als een aan huis gebonden beroep.
2.1. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Collectieve woonvorm
4. [appellant sub 1] betoogt dat artikel 1.27, artikel 6.1, aanhef en onder a, en artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van de planregels in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij voert aan dat de in de planregels opgenomen collectieve woonvorm niet ruimtelijk relevant is. Ook voert [appellant sub 1] aan dat met de formulering van artikel 1.27 van de planregels geen collectieve woonvorm mogelijk wordt gemaakt, terwijl de raad dit wel heeft beoogd. Wanneer vier personen die geen gezamenlijk huishouden voeren wel gaan samenwonen in de woning en bijgebouwen, is het de vraag in hoeverre sprake is van een collectieve woonvorm. Verder voert [appellant sub 1] aan dat met de wijze waarop artikel 1.27, artikel 6.1, aanhef en onder a, en artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn geformuleerd vier woningen zijn toegestaan in de gebouwen op het perceel aan de Maurikstraat 25, 25a en 25b. Daarbij kunnen volgens [appellant sub 1] vier mantelzorgwoningen vergunningvrij bij de woningen worden gebouwd. [appellant sub 1] maakt zich zorgen over deze ontwikkeling en de bijbehorende verkeersbewegingen.
4.1. De Afdeling is van oordeel dat artikel 1.27, artikel 6.1, aanhef en onder a, en artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van de planregels in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. De planregels over de collectieve woonvorm staan het gebruik voor wonen toe aan personen die lid van de woonvereniging en eigenaar van de gronden en opstallen zijn, terwijl deze vereisten niet planologisch relevant zijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3229, onder 2.5.1, kan bijvoorbeeld de invloed op de ruimtelijke uitstraling van het gebruik wel planologisch relevant zijn. De eisen in de planregels dat personen die in de woning en/of bijgebouwen wonen lid van een woonvereniging en gedeeltelijk eigenaar van de gronden en opstallen zijn, hebben echter geen invloed op de ruimtelijke uitstraling van het gebruik.
De Afdeling is verder van oordeel dat artikel 1.27, artikel 6.1, aanhef en onder a, en artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van de planregels in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Op basis van de formulering van deze planregels is het namelijk mogelijk dat de woningen en bijgebouwen aan de Maurikstraat 25, 25a en 25b door vier personen afzonderlijk kunnen worden gebruikt voor wonen en dat er dus planologisch gezien vier woningen zijn toegestaan binnen de beoogde collectieve woonvorm. Artikel 1.27 en artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planregels staan binnen een collectieve woonvorm het bewonen van een woning en/of de bijgebouwen door vier personen toe, maar die personen mogen geen gezamenlijk huishouden voeren, terwijl in artikel 1.94 van de planregels een woning wordt gedefinieerd als een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. Aangezien planologisch vier woningen zijn toegestaan, bestaat ook de mogelijkheid om bij elke woning een bijbehorend bouwwerk vergunningvrij op te richten en die te gebruiken als mantelzorgwoning, op grond van artikel 2, aanhef en onderdelen 3 en 22, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Hoewel de raad op de zitting heeft toegelicht dat is beoogd om één woning met slechts één vergunningvrij op te richten bijbehorend bouwwerk planologisch mogelijk te maken, is de Afdeling van oordeel dat gelet op de formulering van de planregels planologisch meer is toegestaan dan de raad heeft beoogd.
Het betoog slaagt.
Recreatiewoningen
5. Zowel [appellant sub 1] als [appellanten sub 2] betogen dat artikel 6.1, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de planregels in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het interne tegenstrijdigheden bevat. Om te beginnen impliceert deze planregel dat de twee toegestane inpandige recreatiewoningen onder 'specifieke vorm van wonen - 3' aan huis gebonden beroepen zijn, terwijl een recreatiewoning geen aan huis gebonden beroep is. Daarnaast vereist volgens [appellant sub 1] de bedrijfsmatige exploitatie van de recreatiewoningen zoals bedoeld in artikel 1.74 van de planregels tijdelijke bewoning, terwijl de bestemming "Wonen" zelf gaat over permanente bewoning.
5.1. De raad erkent dat artikel 6.1, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de planregels geen recht doet aan de beoogde situatie. De planregel is rechtsonzeker en ongelukkig geformuleerd. De raad verzoekt de Afdeling zelf in de zaak te voorzien en de planregel te splitsen in een onderdeel ‘wonen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - 3’ maximaal twee inpandige recreatiewoningen en een atelier zijn toegestaan’ en een onderdeel ‘aan huis gebonden beroep’.
5.2. De Afdeling is van oordeel dat artikel 6.1, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de planregels in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De planregel is rechtsonzeker, omdat ‘recreatiewoningen’ geen aan huis gebonden beroepen zijn en niet vallen onder de definitie van ‘aan huis gebonden beroepen’ zoals bedoeld in artikel 1.6 van de planregels. Ook vallen deze recreatiewoningen in het bestemmingsplan direct onder de bestemming "Wonen", terwijl uit de definitie in artikel 1.74 van de planregels volgt dat een recreatiewoning is bedoeld voor tijdelijk recreatief verblijf en permanente bewoning niet is toegestaan. Daarnaast volgt uit artikel 1.74 van de planregels dat een recreatiewoning alleen bedrijfsmatig geëxploiteerd mag worden, terwijl de bestemming "Wonen" gaat om niet-bedrijfsmatig gebruik. Dit maakt dat deze planregels onderling tegenstrijdig zijn, zodat het niet duidelijk is welk gebruik is toegestaan aan Campagnelaan 10.
Het betoog slaagt.
5.3. Omdat de hierboven genoemde gebreken niet worden weggenomen met een andere formulering van artikel 6.1, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de planregels en omdat er andere gebreken in het bestemmingsplan zijn geconstateerd, zal de Afdeling hier niet zelf in de zaak voorzien.
5.4. Gelet op de gebreken die hierboven zijn geconstateerd, behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] geen bespreking.
Conclusie beroepen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2]
6. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] zijn gegrond. Het besluit van 14 december 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, Langenboom, Maurikstraat 25 / Campagnelaan 10" wordt vernietigd, omdat het besluit is genomen in strijd met een goede ruimtelijke ordening, het zorgvuldigheidsbeginsel zoals opgenomen in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en het rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling ziet, gelet op de aard van de gebreken, aanleiding om het besluit geheel te vernietigen.
7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 22, zijn op een eventueel nieuw te nemen besluit de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening.
9. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Land van Cuijk van 14 december 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, Langenboom, Maurikstraat 25 / Campagnelaan 10";
III. draagt de raad van de gemeente Land van Cuijk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Land van Cuijk tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.983,18, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Land van Cuijk tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Land van Cuijk aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Land van Cuijk aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
723-1135
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Maurikstraat 25, Langenboom"
Artikel 1.6 aan huis gebonden beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.
Artikel 1.27 collectieve woonvorm
het bewonen van een woning en/of de bijgebouwen door meerdere personen die geen gezamenlijk huishouden voeren, maar wel samenwonen zonder partners en/of kinderen, waarbij de bewoners lid zijn van een woonvereniging en allen gedeeld eigenaar zijn van alle gronden en opstallen en waarbij zij gezamenlijke gebruiksruimten hebben.
Artikel 1.74 recreatiewoning
woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf. Een recreatiewoning mag alleen bedrijfsmatig geëxploiteerd worden. Permanente bewoning is niet toegestaan.
Artikel 1.94 woning
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
Artikel 6.1
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 2' een collectieve woonvorm is toegestaan voor 4 personen;
b. aan huis gebonden beroepen, met dien verstande dat:
1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 3' tevens maximaal 2 inpandige recreatiewoningen en een atelier zijn toegestaan.
(…)
Artikel 6.2.1
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
a. per bestemmingsvlak is niet meer dan één woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 2' een collectieve woonvorm is toegestaan;
(…) | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|