Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:629 
 
Datum uitspraak:04-02-2026
Datum gepubliceerd:04-02-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202505692/1/A2
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de raad van de gemeente Moerdijk om een onteigeningsbeschikking te bekrachtigen voor zover deze ziet op het perceel kadastraal bekend gemeente Moerdijk, sectie G, nummer 659, grondplannummer 6 (verder: perceel G659), deels afgewezen en deels toegewezen. De rechtbank heeft deze uitspraak, voor zover het betreft de kostenveroordeling ten behoeve van [persoon], hersteld bij uitspraak van 27 november 2025. De gemeente Moerdijk is voornemens om de Randweg Klundert te realiseren. Op het perceel G659 is een (deel van de) weg met aan weerszijden water voorzien. Perceel G659 is in eigendom van de Staat (Rijksvastgoedbedrijf). [persoon] pacht dit perceel (totaal groot 13.074 m2) van het Rijksvastgoedbedrijf en gebruikt het als grasland. De raad heeft op 30 januari 2025 een onteigeningsbeschikking gegeven. Hierin heeft de raad - voor zover in deze procedure van belang - besloten om het volledige perceel G659 ter onteigening aan te wijzen.
Trefwoorden:onteigening
pachtrecht
perceel
 
Uitspraak
202505692/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
de raad van de gemeente Moerdijk (hierna: de raad),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 1 oktober 2025 in zaak nr. 25/1782 op het verzoek om bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking van de raad, waartegen [persoon] uit Klundert bedenkingen heeft ingediend.
Procesverloop
Bij uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de raad om een onteigeningsbeschikking te bekrachtigen voor zover deze ziet op het perceel kadastraal bekend gemeente Moerdijk, sectie G, nummer 659, grondplannummer 6 (verder: perceel G659), deels afgewezen en deels toegewezen. De rechtbank heeft deze uitspraak, voor zover het betreft de kostenveroordeling ten behoeve van [persoon], hersteld bij uitspraak van 27 november 2025.
Tegen de uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de raad hoger beroep ingesteld.
Daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke verklaring van de eigenaar van perceel G659, de Staat (Rijksvastgoedbedrijf), in het geding gebracht. Daarin verklaart de Staat dat hij op de hoogte is van de uitspraak van de rechtbank en het daartegen door de raad ingestelde hoger beroep, en dat hij daarin geen aanleiding ziet om als belanghebbende deel te nemen aan deze procedure. De raad heeft desgevraagd verklaard dat er geen andere belanghebbenden zijn die in de gelegenheid moeten worden gesteld om deel te nemen aan deze procedure.
[persoon] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een opgave van de proceskosten in hoger beroep ingediend.
De raad heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De raad wordt in deze procedure vertegenwoordigd door mr. H.X. Botter, advocaat in Breda, en [persoon] door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat in Tilburg.
Overwegingen
1.       De gemeente Moerdijk is voornemens om de Randweg Klundert te realiseren. Op het perceel G659 is een (deel van de) weg met aan weerszijden water voorzien. Perceel G659 is in eigendom van de Staat (Rijksvastgoedbedrijf). [persoon] pacht dit perceel (totaal groot 13.074 m2) van het Rijksvastgoedbedrijf en gebruikt het als grasland.
2.       De raad heeft op 30 januari 2025 een onteigeningsbeschikking gegeven. Hierin heeft de raad - voor zover in deze procedure van belang - besloten om het volledige perceel G659 ter onteigening aan te wijzen.
3.       Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk heeft namens de raad de rechtbank op 11 februari 2025, op grond van artikel 16.93, eerste lid van de Omgevingswet, verzocht de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen.
4.       [persoon] heeft bedenkingen ingediend tegen de onteigeningsbeschikking.
Aangevallen uitspraak
5.       De rechtbank heeft het verzoek van de raad om de onteigeningsbeschikking die betrekking heeft op het perceel G659 te bekrachtigen toegewezen voor zover de onteigeningsbeschikking betrekking heeft op het pachtrecht op perceel G659, en afgewezen voor zover de onteigeningsbeschikking betrekking heeft op het eigendomsrecht op perceel G659. Volgens de rechtbank is met de Staat als eigenaar van het perceel minnelijke overeenstemming bereikt. Er bestaat daarom geen noodzaak tot onteigening. Het verzoek is in zoverre afgewezen.
Betoog in hoger beroep
6.       De raad betoogt dat de rechtbank ten onrechte alleen het pachtrecht ter onteigening heeft aangewezen. De Omgevingswet biedt slechts de mogelijkheid om onroerende zaken ter onteigening aan te wijzen en niet om een afzonderlijk pachtrecht te onteigenen. De rechtbank miskent dat het vervallen van de pachtovereenkomst over de band gaat van de titelzuiverende werking van de onteigening van de onroerende zaak.
7.       De raad verzoekt de Afdeling de onteigening van het perceel volledig te bekrachtigen. De raad voorziet mogelijk problemen bij inschrijving van de onteigeningsakte in de openbare registers op basis van een bekrachtigingsuitspraak die niet ziet op de onroerende zaak zelf, maar slechts op het pachtrecht.
Beoordeling door de Afdeling
8.       De Omgevingswet kent niet de mogelijkheid van afzonderlijke onteigening van beperkte rechten, of van persoonlijke rechten, zoals huur of pacht. Onteigening ziet in alle gevallen op de onroerende zaak. Zie artikel 11.1 van de Omgevingswet (onteigening van onroerende zaken in het algemeen belang) en artikel 11.3, eerste lid, van de Omgevingswet (de onteigeningsbeschikking wijst de te onteigenen onroerende zaken aan), toegelicht in Kamerstukken II, 2018-2019, 35133, nr. 3, p. 98. Door de onteigening van de onroerende zaak verkrijgt de onteigenaar de eigendom vrij van alle lasten en rechten die met betrekking tot de onroerende zaak bestaan. Zie artikel 11.18, eerste lid, van de Omgevingswet. Door deze zogenoemde titelzuiverende werking van de onteigening wordt de onroerende zaak bevrijd van alle lasten en rechten die op deze zaak rusten. In de situatie dat de onteigenaar overeenstemming heeft bereikt met de eigenaar, maar, zoals in dit geval, de eigenaar de onroerende zaak niet vrij van pacht oplevert en de onteigenaar geen overeenstemming heeft bereikt met de pachter over beëindiging van het pachtrecht, moet, om de onroerende zaak van het pachtrecht te bevrijden, de onroerende zaak ter onteigening worden aangewezen. Daarbij moet aan alle door de Omgevingswet daartoe gestelde vereisten worden voldaan. In een dergelijk geval kan bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking die betrekking heeft op de onroerende zaak niet (gedeeltelijk) worden afgewezen op grond van het ontbreken van de noodzaak voor het onteigenen van het eigendomsrecht op die onroerende zaak. De rechtbank heeft dit, zo volgt uit overweging 7.6 en het dictum van de bestreden uitspraak, niet onderkend, en heeft de verzochte bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking die betrekking heeft op het perceel G659 ten onrechte beperkt tot het op de onroerende zaak rustende pachtrecht, onder afwijzing van de verzochte bekrachtiging voor zover deze betrekking heeft op de eigendom van de onroerende zaak.
Aan het vorenstaande doet niet af dat artikel 16.108, tweede lid, van de Omgevingswet voorziet in de mogelijkheid van gedeeltelijke bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking. Die mogelijkheid ziet niet op een geval als hier aan de orde, maar ziet bijvoorbeeld op het geval waarin de rechtbank oordeelt dat ten aanzien van een deel van de in de onteigeningsbeschikking betrokken onroerende zaak of zaken niet wordt voldaan aan de onteigeningscriteria van artikel 11.5 van de Omgevingswet.
9.       [persoon] voert geen verweer tegen de door de raad in hoger beroep aangevoerde beroepsgrond, maar stelt dat het door de raad gestelde belang van vrees voor problemen bij inschrijving van een onteigeningsakte op basis van de bekrachtigingsuitspraak van de rechtbank niet aan de orde is. Volgens [persoon] is na de uitspraak van de rechtbank alsnog minnelijke overeenstemming bereikt over de beëindiging van het pachtrecht en zal er volgens hem geen onteigeningsakte worden opgemaakt en dus ook niet worden ingeschreven.
De Afdeling overweegt daarover dat de enkele stelling dat na de uitspraak van de rechtbank alsnog minnelijke overeenstemming is bereikt met de pachter het bewerkstelligen van eigendomsovergang via inschrijving van een onteigeningsakte, mede gelet op de titelzuiverende werking ervan, niet uitsluit. Bovendien moet de reactie van de raad op de stelling van [persoon] aldus worden begrepen dat de bereikte minnelijke overeenstemming voor zover het betreft de pachter naar het oordeel van de raad nog niet perfect is. Gelet hierop kan [persoon] niet worden gevolgd in zijn stelling dat de raad geen belang meer heeft bij het zonder problemen kunnen inschrijven in de openbare registers van een daartoe opgestelde onteigeningsakte.
10.     Het betoog van de raad slaagt.
Conclusie
11.     Het hoger beroep van de raad is kennelijk gegrond.
12.     De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover aangevallen. De Afdeling constateert dat de rechtbank in de bestreden uitspraak op de voet van artikel 16.106 en artikel 16.107 van de Omgevingswet geen andere beletselen voor bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking van 30 januari 2025 die betrekking heeft op het perceel G659 heeft geconstateerd, en dat belanghebbenden daartegen in hoger beroep geen (incidentele) gronden hebben aangevoerd.
12.1.  Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling de onteigeningsbeschikking van 30 januari 2025 die betrekking heeft op het perceel G659 bekrachtigen.
12.2.  Deze bekrachtiging heeft tot gevolg dat de onteigeningsbeschikking van 30 januari 2025 die betrekking heeft op het perceel G659 onherroepelijk wordt.
Proceskosten
13.     [persoon] heeft om een volledige proceskostenvergoeding verzocht op grond van artikel 16.120 van de Omgevingswet en heeft een gespecificeerde kostenopgave overgelegd. Deze opgave betreft kosten van door mr. Linssen verleende rechtsbijstand in hoger beroep tot een bedrag van € 961,95 inclusief BTW. De raad heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Afdeling daarover.
13.1.  De Afdeling acht het verzoek toewijsbaar. Het moet redelijk worden geacht dat [persoon] zich in de door de raad aanhangig gemaakte hoger beroepsprocedure juridisch laat bijstaan. De Afdeling acht voorts de omvang van de daartoe feitelijk gemaakte kosten redelijk. De raad heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht om daarover anders te oordelen. De raad zal worden veroordeeld tot vergoeding aan [persoon] van een bedrag van € 961,95 aan proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin de verzochte bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking van de raad van de gemeente Moerdijk van 30 januari 2025 die betrekking heeft op het perceel kadastraal bekend gemeente Moerdijk, sectie G, nummer 659 (grondplannummer 6), met een totale grootte van 1.30.74 ha, niet volledig is toegewezen;
III.      bekrachtigt de onteigeningsbeschikking van de raad van de gemeente Moerdijk van 30 januari 2025 die betrekking heeft op het perceel kadastraal bekend gemeente Moerdijk, sectie G, nummer 659 (grondplannummer 6), met een totale grootte van 1.30.74 ha;
IV.      veroordeelt de raad van de gemeente Moerdijk tot vergoeding van de bij [persoon A] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 961,95.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Planken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
299
Link naar deze uitspraak