Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:6353 
 
Datum uitspraak:28-10-2026
Datum gepubliceerd:28-10-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202504217/1/R2
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 3 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het tijdelijk huisvesten van twee werknemers. [appellante] exploiteert een pluimveehouderij aan de [locatie 1] in Elsendorp en wenst twee tijdelijke werknemers te huisvesten binnen een vergunde loods. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Proeftuin Elsendorp" staat dit niet toe op grond van artikel 4.4.1, aanhef en onder n, van de planregels. Artikel 4.5.4 van de planregels biedt de mogelijkheid om hiervan bij omgevingsvergunning af te wijken. Daarom heeft [appellante] een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend. [appellante] is het niet eens met de herroeping. Hij vindt dat het college het bezwaar van de Stichting niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat zij geen belanghebbende is bij de tijdelijke huisvesting van werknemers. Bovendien geven volgens [appellante] zijn specifieke omstandigheden aanleiding om in dit geval van de advieswaarde in het toetsingskader af te wijken, zodat het college kan toestaan om tijdelijke werknemers te huisvesten.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
pluimveehouderij
varkensbedrijf
veehouderij
wabo
 
Uitspraak
202504217/1/R2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Uden, gemeente Maashorst, als rechtsopvolger van [bedrijf],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 13 juni 2025 in zaak nr. 24/2760 in het geding tussen:
[bedrijf]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2023 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het tijdelijk huisvesten van twee werknemers.
Bij besluit van 4 juni 2024 heeft college het door de Stichting Mens, Dier & Peel daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 3 november 2023 herroepen voor zover de omgevingsvergunning is verleend voor het tijdelijk huisvesten van twee werknemers.
Bij uitspraak van 13 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 september 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J.B.M. Alkemade, zijn verschenen. Ook is op de zitting de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [appellante] exploiteert een pluimveehouderij aan de [locatie 1] in Elsendorp en wenst twee tijdelijke werknemers te huisvesten binnen een vergunde loods. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Proeftuin Elsendorp" staat dit niet toe op grond van artikel 4.4.1, aanhef en onder n, van de planregels. Artikel 4.5.4 van de planregels biedt de mogelijkheid om hiervan bij omgevingsvergunning af te wijken. Daarom heeft [appellante] een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend.
De Stichting is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het besluit op bezwaar heeft het college de omgevingsvergunning voor de huisvesting van de werknemers herroepen wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Omdat de loods is gelegen binnen de endotoxinecontour van de nabijgelegen veehouderij, gevestigd aan de [locatie 2], kan er volgens het college geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Het college heeft hierbij getoetst aan het "Endotoxine toetsingskader 1.0" (toetsingskader), opgenomen in de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid (notitie). Ook wordt volgens het college het naastgelegen bedrijf aan de [locatie 2] belemmerd in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden als de huisvesting wordt toegestaan.
[appellante] is het niet eens met de herroeping. Hij vindt dat het college het bezwaar van de Stichting niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat zij geen belanghebbende is bij de tijdelijke huisvesting van werknemers. Bovendien geven volgens [appellante] zijn specifieke omstandigheden aanleiding om in dit geval van de advieswaarde in het toetsingskader af te wijken, zodat het college kan toestaan om tijdelijke werknemers te huisvesten.
3.       De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van de Stichting terecht ontvankelijk heeft geacht. In artikel 2, onderdeel a, van de statuten stelt de Stichting "het bevorderen van leefbaarheid, welzijn en gezondheid van inwoners en dieren in De Peel, alsmede milieuhygiëne en duurzaamheid (Brundland-definitie) in de meest uitgebreide zin" ten doel. De rechtbank overweegt dat het belang bij het verminderen van stankoverlast voor omwonenden en het welzijn en de gezondheid van inwoners onder artikel 2, onderdeel a, van de statuten vallen.
De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het college de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op goede gronden heeft geweigerd. De rechtbank overweegt hiertoe dat het college terecht heeft overwogen dat er geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen is omdat de beoogde huisvesting is gelegen binnen de endotoxinecontour van de naastgelegen veehouderij. De rechtbank overweegt ook dat het college het belang van de naastgelegen veehouderij, die door de beoogde huisvesting zou kunnen worden beperkt in haar bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden, bij het besluit mocht betrekken.
De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat het college een gemaakte omissie niet in het voordeel van [appellante] hoeft te herhalen. Dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning niet heeft getoetst aan het endotoxine toetsingskader, hoewel dat beleid wel van toepassing was, betekent volgens de rechtbank niet dat het college die omissie in het voordeel van [appellante] moet herhalen.
Het hoger beroep van [appellante]
Heeft het college de Stichting terecht ontvankelijk geacht?
5.       [appellante] betoogt dat het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar van de Stichting terecht ontvankelijk heeft geacht, onjuist is. Hij voert hierover aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het tijdelijk huisvesten van de arbeidsmigranten de doelstellingen van de Stichting, zoals genoemd onder artikel 2, onderdeel a, van de statuten, raakt. Vanwege de tijdelijke en korte duur van bewoning kan een arbeidsmigrant volgens [appellante] niet gelijk worden gesteld aan een inwoner. Daarom past de bescherming van arbeidsmigranten volgens [appellante] niet onder de statutaire doelstellingen van de Stichting.
Daarnaast betoogt [appellante] dat de statutaire doelstellingen van de Stichting niet door de aangevraagde activiteit worden geraakt. Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat hij hiermee betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwen van een loods de statutaire doelstellingen raakt. Volgens [appellante] worden de statutaire doelstellingen van de Stichting niet geraakt omdat de aanvraag niet gaat over het bouwen van een loods.
5.1.    De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college de Stichting terecht ontvankelijk heeft geacht. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.4.1 tot en met 5.4.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
De Afdeling voegt hieraan toe dat, in tegenstelling tot wat [appellante] betoogt, de rechtbank niet heeft geoordeeld dat het bouwen van een loods de statutaire doelstellingen raakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de statutaire doelstellingen van de Stichting worden geraakt, vanwege de belangen die gemoeid zijn met het verminderen van stankoverlast voor omwonenden en het welzijn en de gezondheid van inwoners. In overweging 5.4.3 is de rechtbank juist niet ingegaan op de vraag of het bouwen van een loods de statutaire doelstellingen van de Stichting raakt. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.
Het betoog slaagt niet.
Mocht het college de omgevingsvergunning weigeren?
6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten kon weigeren. Volgens [appellante] betekent de overschrijding van de advieswaarde uit het toetsingskader niet dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd. [appellante] verwijst hiervoor naar bladzijde 13 van de notitie, waarin staat dat zich specifieke omstandigheden kunnen voordoen die aanleiding geven om van de systematiek af te wijken. De werknemers zijn in de pluimveestallen werkzaam en bewoning naast het varkensbedrijf leidt volgens [appellante] tot een aanzienlijk lagere blootstelling dan het werken in het pluimveebedrijf. Daarom geven zijn specifieke omstandigheden aanleiding om in dit geval van de advieswaarde af te wijken. [appellante] betoogt ook dat het naastgelegen bedrijf niet wordt belemmerd door het toestaan van de tijdelijke huisvesting, omdat er ook in dat opzicht sprake is van een specifieke situatie die het afwijken van de advieswaarde rechtvaardigt.
[appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet kan worden gehouden een omissie, namelijk het opnieuw niet toetsen aan de notitie, in het voordeel van [appellante] te herhalen. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte niet overwogen dat de notitie afwijken van het toetsingskader toestaat en dat het college beoordelingsruimte toekomt om de afwijking toe te passen.
6.1.    Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.2.    De rechtbank heeft in haar uitspraak gemotiveerd geoordeeld dat het college de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op goede gronden heeft geweigerd. De rechtbank heeft hierbij terecht de beleidsruimte van het college als uitgangspunt genomen. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 tot en met 10 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
De Afdeling voegt hieraan toe dat [appellante] weliswaar heeft gewezen op de ruimte die de notitie biedt om af te wijken van de advieswaarde, maar het college is niet verplicht hiervan gebruik te maken. De Afdeling constateert in dit geval dat de beoogde huisvesting is gelegen binnen de endotoxinecontour van een veehouderij. Zoals het college op de zitting heeft gesteld, geeft de notitie in een dergelijk geval niet veel ruimte voor een afwijking vanwege de gezondheidsrisico’s. Het oordeel van de rechtbank hierover is juist.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
723-1191
 
BIJLAGE
 
Bestemmingsplan proeftuin Elsendorp
4.4.1 Strijdig gebruik
Onder met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
(…)
n.       het al dan niet tijdelijk huisvesten van werknemers, anders dan passend binnen het begrip 'Huishouden', is niet toegestaan, met uitzondering van:
1.       de huisvesting van werknemers waarvoor ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van dit bestemmingsplan al een omgevingsvergunning was verleend;
2.       de huisvesting van werknemers waarvoor een omgevingsvergunning conform artikel 4.5.4 of 4.5.5 van deze regels is verleend.
4.5.4 Tijdelijke huisvesting werknemers bij werkgever
Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van werknemers in verband met arbeid op een agrarisch bedrijf voor maximaal tien jaar bij een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
a.       de tijdelijke huisvesting vindt plaats binnen de bestaande bebouwing, niet zijnde de bedrijfswoning, of in verplaatsbare stacaravans of woonunits binnen het bestemmingsvlak;
b.       uit een bedrijfsplan blijkt dat in (een) bepaalde periode(n) sprake is van een grote arbeidsbehoefte waarvoor tijdelijk werknemers moeten worden aangetrokken die in de periode dat zij op het bedrijf werken hier ook worden gehuisvest. Hierbij geldt een maximum van 60 personen per agrarisch bedrijf;
c.       in het bedrijfsplan wordt aangegeven in welke periode het gebruik van de bebouwing voor de huisvesting plaatsvindt. Hierbij geldt een maximum van zes maanden per kalenderjaar;
d.       uit het bedrijfsplan blijkt dat de huisvesting alleen ten dienste staat van de tijdelijke huisvesting van werknemers die op het desbetreffende agrarische bedrijf zelf werkzaam zijn;
e.       de voor de huisvesting van werknemers in te zetten bebouwing, stacaravans of woonunits voldoen aan het SNF-keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen;
f.        de voor de huisvesting van werknemers in te zetten stacaravans of woonunits mogen niet worden gestapeld; de huisvesting van werknemers in stacaravans of woonunits mag uitsluitend in één bouwlaag plaatsvinden;
g.       de activiteit een meerwaarde heeft voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of hieraan wordt voldaan wordt beoordeeld aan de hand de beleidsregel 'Meerwaardeplan proeftuin Elsendorp', d.d. 13-04-2023, of diens opvolger;
h.       op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en/of gerealiseerd te worden conform de Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017, zoals opgenomen als Bijlage 13 bij de regels;
i.        er vind geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
j.        in de omgevingsvergunning wordt opgenomen dat deze geldt voor een periode van maximaal 10 jaar na verlening;
k.       er is niet eerder of er wordt niet gelijktijdig omgevingsvergunning verleend voor afwijking van de gebruiksregels ten behoeve van tijdelijke huisvesting van werknemers in de bestaande bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf, conform het bepaalde in 4.5.5 tenzij die eerder verleende vergunning op het moment van de aanvraag omgevingsvergunning niet meer in werking is en ook niet weer in werking kan treden.
Link naar deze uitspraak