Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2024:2137 
 
Datum uitspraak:08-04-2024
Datum gepubliceerd:12-04-2024
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:23/2851 23/10295 23/12102 23/12103 24/1154 en 24/1155
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:23/2851, 23/10295, 23/12102, 23/12103, 24/1154 en 24/1155. Dividenbelasting internationaal.
Trefwoorden:belastingrecht
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/2851, 23/10295, 23/12102, 23/12103, 24/1154 en 24/1155

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2024 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende
(gemachtigde: mr. M. Sanders),

en



de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).




Inleiding

Belanghebbende heeft beroepschriften ingediend tegen de uitspraken van inspecteur van 10 april 2023 en 6 september 2023 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende jaren, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
2015 (zaaknummer 23/2847);


2016 (zaaknummer 23/12072);


2017 (zaaknummer 23/12073);


2018 (zaaknummer 23/10296);




2019 (zaaknummer 24/1156);


2020 (zaaknummer 24/1157).



Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van de Awb achterwege gebleven. Belanghebbende heeft in de zaken over de jaren 2015 tot en met 2017 bij brief van 7 november 2023 en in de zaken over de jaren 2018 tot en met 2020 bij e-mail van 19 maart 2024 expliciet gemeld dat hij geen gebruik wil maken van het recht om op zitting te worden gehoord.
De inspecteur heeft in de zaken over de jaren 2015 tot en met 2017 bij brief van 24 oktober 2023 en in de zaken over de jaren 2018 tot en met 2020 in het verweerschrift van 29 november 2023 expliciet gemeld dat hij geen gebruik wil maken van het recht om op zitting te worden gehoord.





Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht geen teruggaven van dividendbelasting verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting?

Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).

Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008, is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering van belang.

De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Voor zover belanghebbende aanvoert dat – mede gelet op het doel – de afdrachtvermindering niet in relevante zin (voor de toepassing van de belemmeringsvraag) afwijkt van de oude teruggaafregeling, kan dat belanghebbende evenmin baten. De rechtbank is in enige eerdere uitspraken, voorafgaand aan de HR-beslissing, in de kern uitgegaan van een vergelijkbare opvatting, maar de Hoge Raad heeft anders beslist.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, dit belanghebbende niet zou kunnen baten. In dat geval zou – indien belanghebbende ook overigens vergelijkbaar is met een fbi – het namelijk naar het oordeel van de rechtbank voor de hand liggen dat rechtsherstel plaatsvindt op overeenkomstige wijze zoals de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020 heeft uiteengezet voor – kort gezegd – de teruggaafregeling, dus met inachtneming van een zogenoemde vervangende betaling. Dit overeenkomstige rechtsherstel zou niet tot een teruggaaf kunnen leiden. Voor een fbi is de tegemoetkoming in de vorm van de afdrachtvermindering immers nimmer hoger dan het door haar af te dragen bedrag aan dividendbelasting dat zij heeft ingehouden op de door haar uitgedeelde winst. Gelet daarop zou voor een buitenlands fonds een vergelijkbare tegemoetkoming maar dan in de vorm van een teruggaaf niet hoger kunnen zijn dan de vervangende betaling die op die teruggaaf in mindering zou komen, ook niet indien de grondslag voor de vervangende betaling zou zijn beperkt tot – kort gezegd – de Nederlandse winst. Opmerking verdient daarbij dat – afgezien van de kwestie van de grondslag van de vervangende betaling – de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht voor het oordeel dat sprake is van redelijke twijfel dat de door de Hoge Raad voorgeschreven wijze van rechtsherstel bij de teruggaafregeling, verenigbaar is met het Unierecht.
Ook wat belanghebbende in dit verband aanvoert onder verwijzing naar het arrest L-Fund is geen aanleiding voor een ander oordeel.

In hetgeen Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft overwogen in zijn uitspraken van 26 oktober 2022 en 18 januari 2023, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen, mede gelet op de werking van het Duitse fiscale systeem. De rechtbank ziet geen reden om de zaken – zoals door belanghebbende verzocht – aan te houden in afwachting van de uitkomst van de tegen hiervoor genoemde uitspraken ingestelde beroepen in cassatie.

Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de behandeling van de overige verweren van de inspecteur.

Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.



Conclusie en gevolgen

De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen van belanghebbende ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 8 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.


Bij ontvangst van het beroepschrift over de jaren 2015 tot en met 2017 heeft de rechtbank aan de zaken zaaknummer 23/2851 toegekend. Op een later moment is zaaknummer 23/2851 toegekend aan de zaak over het jaar 2015 en zijn twee nieuwe zaaknummers, 23/12102 en 23/12010 toegekend aan de zaken over respectievelijk de jaren 2016 en 2017.


Bij ontvangst van het beroepschrift over de jaren 2018 tot en met 2020 heeft de rechtbank aan de zaken zaaknummer 23/10295 toegekend. Op een later moment is zaaknummer 23/10295 toegekend aan de zaak over het jaar 2018 en zijn twee nieuwe zaaknummers, 24/1154 en 24/1155 toegekend aan de zaken over respectievelijk de jaren 2019 en 2020.


Stb. 2007, 563.


Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.


ECLI:NL:HR:2021:506.


Bijv. ECLI:NL:RBZWB:2019:5898, rov. 4.4.4 en 4.4.5.


Vgl. in verband met het laatste uitgebreider ECLI:NL:RBZWB:2022:1258.


ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.4.


ECLI:NL:RBZWB:2021:264, rov. 4.2.7 tot en met 4.2.14.


HvJ EU 27 april 2023, C-537/20, ECLI:EU:C:2023:339.


Vgl. de conclusie van AG Ettema van 3 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:988.


ECLI:NL:GHSHE:2022:3770.


ECLI:NL:GHSHE:2023:67.
Link naar deze uitspraak