|
|
ECLI:NL:RBZWB:2025:1621 | | | Datum uitspraak | : | 20-03-2025 | Datum gepubliceerd | : | 01-04-2025 | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | Zaaknummers | : | BRE 23/10078 | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | Indicatie | : | Beroep ongegrond, bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | heffingsrente | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10078
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. A.J.J. Kreutzkamp),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 september 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (2011) met aanslagnummer [nummer]F.01.1502 (de naheffingsaanslag) en daarbij heffingsrente in rekening gebracht (de heffingsrente).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: mr. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2].
Feiten en omstandigheden en standpunten van partijen
2. Belanghebbende stelt dat hij een bezwaarschrift persoonlijk en in tweevoud heeft afgegeven op 15 juni 2012 aan de balie van het kantoor buitenland van de Belastingdienst te Heerlen. Beide exemplaren zouden gestempeld zijn door de medewerkster van de balie, waarvan belanghebbende één exemplaar heeft gehouden en het andere exemplaar in bezit zou moeten zijn van de Belastingdienst. Wegens het uitblijven van een ontvangstbevestiging heeft belanghebbende zekerheidshalve op 17 juli 2012 nogmaals digitaal bezwaar gemaakt.
2.1.
Het bezwaarschrift van 17 juli 2012 is het eerste bezwaarschrift wat de inspecteur stelt te hebben ontvangen. Op 18 juli 2012 is de ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd. Daarin is te kennen gegeven dat het bezwaarschrift niet tijdig is ontvangen en de inspecteur daarom voornemens is om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Op 26 juli 2012 heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de inspecteur en de intermediair van belanghebbende. In de vastlegging daarvan staat dat de intermediair heeft medegedeeld dat er geen onregelmatigheden hebben plaatsgevonden en dat het bezwaar is ingetrokken.
2.2.
Op 19 oktober 2022 heeft de inspecteur beslist dat geen reden is voor ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslag. Naar aanleiding van correspondentie daarover zijn partijen tot de conclusie gekomen dat de bezwaarprocedure in 2012 niet rechtsgeldig is beëindigd en is overeengekomen dat het bezwaar alsnog wordt beoordeeld.
2.3.
Omdat het bezwaarschrift van 17 juli 2012 niet tijdig was ingediend stond tijdens het hoorgesprek op 23 juni 2023 de ontvankelijkheid centraal. Belanghebbende heeft toen aangevoerd dat hij op 15 juni 2012 tijdig een bezwaarschrift heeft afgegeven en heeft tijdens het hoorgesprek een kopie van het bezwaarschrift van 15 juni 2012 overgelegd. Zowel bij de inspecteurs van de Belastingdienst als bij de gemachtigde van belanghebbende was deze brief niet bekend. Belanghebbende heeft op verzoek van de inspecteur om het origineel aangegeven dat hij het originele bezwaarschrift (waarschijnlijk) nog in zijn eigen administratie heeft zitten, maar dit bleek later toch niet het geval te zijn. De reden hiervoor kan volgens belanghebbende zijn dat hij het exemplaar heeft afgegeven tijdens een hoorgesprek met de Belastingdienst op 21 juni 2022. Belanghebbende is van mening dat het hem niet tegengeworpen kan worden dat de Belastingdienst het bezwaarschrift niet meer kan terugvinden.
2.4.
De inspecteur betwist de ontvangst van het bezwaarschrift van 15 juni 2012 en voert ook aan dat het afschrift die belanghebbende heeft overgelegd met de stempel van de Belastingdienst niet overeenkomt met de werkwijze van de belastingdienst die gebruikelijk is bij het in ontvangst nemen van post. Het document is gestempeld zonder datumstempel en handtekening. Ter onderbouwing heeft de inspecteur een interne werkinstructie uit 2015, een getuigenverklaring van een (receptie)medewerkster van de Belastingdienst en voorbeelden van stempels overgelegd. De inspecteur concludeert dat de stempel op het bezwaarschrift van 15 juni 2012 afwijkt van de stempels die rond die periode bij de Belastingdienst werden gebruikt. Belanghebbende heeft in reactie daarop enkele brieven overgelegd om aan te tonen dat de balie van de Belastingdienst vaker stukken in ontvangst neemt zonder datumstempels. Deze brieven zijn niet voorzien van een datumstempel.
2.5.
Als ervan wordt uitgegaan dat pas op 17 juli 2012 voor het eerst bezwaar is gemaakt, is belanghebbende subsidiair van mening dat er soepeler omgegaan dient te worden met het handhaven van de bezwaar- en beroepstermijnen. Reden hiervoor is dat er sprake was van een beperkte overschrijding en het bezwaarschrift binnen één week na het verstrijken van de termijn was ingediend en dat belanghebbende in die periode niet werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Daarnaast was belanghebbende ook in de veronderstelling dat het door hem afgegeven bezwaarschrift van 15 juni 2012 in behandeling was genomen bij de Belastingdienst.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep ongegrond.
Toetsingskader
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.
4.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
Bezwaarschrift 15 juni 2012
5. Nu de inspecteur voldoende gemotiveerd de ontvangst van het bezwaarschrift betwist, rust op belanghebbende de bewijslast om zijn stelling aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende hier niet in geslaagd.
5.1.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij het bezwaarschrift van 15 juni 2012 heeft ingediend. De wijze van indiening en ontvangst die belanghebbende schetst wijkt af van de gebruikelijke werkwijze van de balie bij van het kantoor van de Belastingdienst in Heerlen destijds. Alleen een kopie van het bezwaarschrift met een stempel, maar zonder een datumstempel en/of paraaf van ontvangst of een afgiftebewijs, is niet voldoende. Dat de balie in het verleden enkele keren zonder datumstempel heeft gewerkt, maakt het niet anders. Op die stukken staat dan wel een datum van ontvangst en een handtekening of paraaf van de medewerker. Het bezwaarschrift dat belanghebbende stelt afgegeven te hebben bij de balie bevat enkel een algemene stempel van de Belastingdienst en geen ontvangststempel, datumstempel of handtekening of paraaf waaruit opgemaakt kan worden dat een medewerker van de Belastingdienst het bezwaarschrift heeft ontvangen.
5.2.
Uit het bezwaarschrift van 17 juli 2012 is ook niet af te leiden dat mogelijk al eerder bezwaar zou zijn gemaakt. Daarin wordt geen enkele melding gemaakt van een eerder bezwaarschrift en de daarin opgenomen tekst komt ook geenszins overeen met de gronden in het bezwaarschrift van 15 juni 2012. Verder heeft belanghebbende niet eerder dan tijdens het hoorgesprek 23 juni 2023 ervan melding gemaakt dat eerder bezwaar zou zijn gemaakt, ondanks dat de Belastingdienst al in de ontvangstbevestiging van 18 juli 2012 heeft vermeld dat te laat bezwaar is gemaakt.
5.3.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het bezwaarschrift van 17 juli 2012 het eerste ingediende en ontvangen bezwaarschrift is.
Bezwaarschift 17 juli 2012
5.4.
Belanghebbende heeft op 17 juli 2012 digitaal bezwaar gemaakt.
5.5.
Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 31 mei 2012 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 12 juli 2012. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
6. Belanghebbende doet een beroep op de conclusie van advocaat-generaal Widdershoven voor de termijnoverschrijding, waarbij er geconcludeerd wordt dat bestuursrechters een minder strikte koers zouden moeten varen bij de handhaving van bezwaar- en beroepstermijnen. Hij heeft betoogd dat een overschrijding van minder dan een week generiek verschoonbaar moet zijn.
6.1.
De Hoge Raad en het CBb hebben het voorstel van A-G Widdershoven om een generieke regeling te treffen niet gevolgd. De enkele omstandigheid dat de overschrijding minder dan een week is, maakt de overschrijding dus niet verschoonbaar. Beoordeeld dient te worden of in het individuele geval de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening gering is, in welk geval de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend. Er is niet gesteld of gebleken van (persoonlijke) omstandigheden waardoor belanghebbende niet in staat was om tijdig bezwaar in te kunnen dienen. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat hij ervan uitging dat hij al op 15 juni 2012 bezwaar had gemaakt, maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De rechtbank gaat er immers van uit dat er op 15 juni 2012 geen bezwaar is afgegeven bij de balie van de Belastingdienst. Verder wist belanghebbende dat hij binnen zes weken bezwaar moest maken en kon hij dat ook, zodat de omstandigheid dat hij geen rechtsbijstand had ook niet leidt tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan hem toe te rekenen is.
6.2.
De rechtbank acht geen sprake van een geringe verwijtbaarheid en ziet in de geschetste omstandigheden geen aanleiding om ruimhartiger om te gaan met de bezwaartermijn. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
7. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de heffingsrentebeschikking in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 20 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CBB:2023:476
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Conclusie A-G Widdershoven 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476.
Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625 en CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625. | Link naar deze uitspraak
|
| |
|
|