Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2025:731 
 
Datum uitspraak:13-02-2025
Datum gepubliceerd:01-04-2025
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:24/1777
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:WOZ. Proceskostenvergoeding (pkv) in bezwaar te laag vastgesteld. Rechtbank stelt pkv in bezwaar vast conform ECLI:NL:HR:2024:1060. Pkv in beroep conform artikel 30a Wet WOZ; gemachtigde eiseres is geen “bijzonder geval” i.d.z.v. ECLI:NL:HR:2025:46. Geen discussie over cessieverbod pkv in fiscale procedure (vgl. ECLI:NL:HR:2025:156). Geen schending redelijke termijn. Beroep (kennelijk) gegrond.
Trefwoorden:bpm
ozb
tarieven
wettelijke rente
woz waarde
woz-beschikking
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/1777

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2025 in de zaak tussen



[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),

en



de heffingsambtenaar van de gemeente Waalre, de heffingsambtenaar.




Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.


1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 25 februari 2023 de WOZ-waarde van de woning eiseres vastgesteld. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) is bekendgemaakt.



1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 29 januari 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde verlaagd en het bezwaar van eiseres gegrond verklaard.



1.3.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.



1.4.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.


2.1.
In de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar een vergoeding toegekend voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In de bestreden uitspraak staat dat deze vergoeding is vastgesteld volgens de tarieven uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De heffingsambtenaar heeft een waarde per punt gehanteerd van € 296. Dit tarief staat genoemd in rubriek B2 onder 1 in de bijlage bij het Bpb zoals dat gold vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024. De gemachtigde van eiseres had een bezwaarschrift ingediend en was aanwezig bij de hoorzitting (allebei één punt). Vervolgens heeft de heffingsambtenaar een wegingsfactor van 1 toegepast en de uiteindelijke proceskostenvergoeding (dus) bepaald op € 592.



2.2.
Eiseres heeft in beroep de juistheid van de gehanteerde waarde per punt bestreden. Nu het bestreden besluit is genomen in 2024, heeft de heffingsambtenaar onterecht het tarief uit het Bpb toegepast zoals dat gold in 2023. Daarnaast verwijst eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024. De Hoge Raad oordeelt dat het hanteren van de waarde per punt in rubriek B2 onder 1 in de bijlage bij het Bpb in beginsel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarom moet volgens eiseres de waarde per punt in rubriek B2 onder 2 in de bijlage bij het Bpb worden toegepast. Verder stelt eiseres dat artikel 30a eerste en tweede lid van de Wet WOZ buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het recht.



2.3.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen en nadien (nogmaals) de mogelijkheid gegeven om zijn standpunt ten aanzien van de geschilpunten kenbaar te maken. De heffingsambtenaar heeft van deze mogelijkheden geen gebruikgemaakt.



2.4.
De rechtbank overweegt dat uit het door eiseres genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat het hanteren van de waarde per punt in rubriek B2 onder 1 in de bijlage bij het Bpb in beginsel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De heffingsambtenaar heeft dat in deze zaak niet bestreden en de rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. De bestreden uitspraak is in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel en dat is ook evident. Om die reden kan in redelijkheid geen twijfel zijn over de gegrondheid van het beroep.

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vernietigen voor zover daarbij de hoogte van de aan eiseres toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is vastgesteld. De rechtbank zal vervolgens zelf in de zaak voorzien door deze proceskostenvergoeding vast te stellen en zal bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.



3.1.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op grond van het Bpb als volgt vast. De gemachtigde van eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend (één punt) en deelgenomen aan de hoorzitting (ook één punt). De waarde per punt zoals bedoeld in rubriek B2 onder 2 in de bijlage bij het Bpb bedraagt per 1 januari 2025 € 647. De wegingsfactor is 0,5. Dit brengt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op een totaal van € 647. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift verzocht om dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal dit doen op de in het dictum van deze uitspraak omschreven wijze. De rechtbank merkt volledigheidshalve nog op dat artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ wat betreft de bezwaarfase geen toepassing vindt, omdat de aanslag is opgelegd voor 1 januari 2024.



3.2.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Bpb en artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 113,38 (één punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 907,-, wegingsfactor is 0,5 en vermenigvuldiging is 0,25.). Het standpunt van eiseres dat artikel 30a van de Wet WOZ strijdig is met hoger recht en daarom buiten toepassing moet blijven is onjuist. Verder is niet gebleken dat ten aanzien van de gemachtigde van eiseres sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan laatstgenoemde vermenigvuldiging niet van toepassing is. Eiseres heeft, hoewel zij daartoe door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld, niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht en bewijslast. Haar gemachtigde heeft in zijn reactie slechts summier omschreven hoe hij in algemeen te werk gaat.



3.3.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.


Verzoek om uitbetaling op rekening van de gemachtigde

4. De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om het cessieverbod gerelateerd aan artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ in strijd met de wet en het recht te verklaren en verzocht te bepalen dat de betaling van vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. De belastingrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over het door eiseres opgeworpen punt. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.


Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

5. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.



5.1.
De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 1 maart 2023 zodat de redelijke termijn verstrijkt op 1 maart 2025. De rechtbank doet echter voor die datum uitspraak.



5.2.
Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de bestreden uitspraak voor zover daarbij de hoogte van de aan eiseres toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is vastgesteld;


stelt de aan eiseres te betalen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op


€ 647, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak;


wijst het verzoek om schadevergoeding af;


veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 113,38 aan proceskosten voor de beroepsfase aan eiseres;


draagt de heffingsambtenaar op het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Wintjes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).


Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.


De rechtbank past op grond van onderdeel C.1 van het Bpb wegingsfactor 0,5 toe, omdat het in beroep alleen gaat over de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de proceskosten.


Artikel IV, aanhef en onder a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.


De rechtbank past op grond van onderdeel C.1 van het Bpb wegingsfactor 0,5 toe, omdat het in beroep alleen gaat over de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de proceskosten.


Artikel 30, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet WOZ.


Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, overweging 3.6.6.


Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, overweging 3.5.2.


Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, overweging 5.4.
Link naar deze uitspraak