Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2025:1826 
 
Datum uitspraak:25-03-2025
Datum gepubliceerd:01-04-2025
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.340.991/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Arbeidszaak, onrechtmatige daad ex-werkgever? Einde arbeidsovereenkomst dmv vaststellingsovereenkomst met finale kwijting. Daarna vordert werknemer schadevergoeding omdat werkgever onrechtmatig jegens hem zou hebben gehandeld door hem in de aanloop naar die vso te schrijven waarom zij naar ontslag streefde. Die reden zou geen grondslag vinden in de stukken van het personeelsdossier dat werknemer na de vso heeft opgevraagd. Hof wijst, net als kantonrechter, vordering af.
Trefwoorden:vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden, afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.340.991/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen,10460402


arrest van 25 maart 2025


in de zaak van



[appellant]


die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser
hierna: [appellant]
advocaat: mr. E.T. van Dalen

tegen


Stichting Aurelia

die is gevestigd in Emmen
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna: Aurelia
advocaat: mr. R.M. de Bekker




1Het geding in hoger beroep


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 19 maart 2024,
- de memorie van grieven van [appellant] ,
- de memorie van antwoord van Aurelia.





2De kern van de zaak


2.1

[appellant] meent dat Aurelia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door in de brief van 17 april 2018 (inhoudende het voornemen tot ontslag) op te nemen dat hij in geen enkele functie met leerlingen kan werken en dat leerlingen tegen hem beschermd moeten worden. Dit zware verwijt vereist een deugdelijke onderbouwing, die volgens [appellant] in zijn personeelsdossier ontbreekt. Door die mededeling is hij in zijn eer en goede naam aangetast en heeft hij psychische schade geleden. Die schade wil hij van Aurelia vergoed krijgen, naast een verklaring voor recht dat Aurelia onrechtmatig tegen hem heeft gehandeld.



2.2
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat de omstandigheid waar [appellant] zich ter onderbouwing van zijn vordering op beroept, zich heeft voorgedaan voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst die partijen hebben gesloten ter beëindiging van zijn aanstelling. Daarom moet die omstandigheid worden geacht daarin te zijn verdisconteerd. Dit geldt volgens de kantonrechter temeer omdat in de vaststellingsovereenkomst een finaal kwijtingsbeding is opgenomen.



2.3
Het hoger beroep van [appellant] is erop gericht dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen.





3Het oordeel van het hof


de beslissing in het kort



3.1
Het hof is het eens met de beslissing van de kantonrechter en zal deze bekrachtigen. Het hof zal hierna uitleggen waarom Aurelia niet onrechtmatig heeft gehandeld, nadat eerst de achtergrond van het geschil is geschetst.


de achtergrond van het geschil




3.2

[appellant] is op 1 augustus 2000 bij (de voorganger van) Aurelia aangesteld als docent LB (Engels). Omdat [appellant] onvoldoende functioneerde op het gebied van pedagogische en didactische vaardigheden hebben gedurende een lange periode vele gesprekken hierover met hem plaatsgevonden. Vanuit Aurelia is hem ook coaching en begeleiding aangeboden. Mede naar aanleiding van klachten die Aurelia van leerlingen en collega’s over het functioneren van [appellant] had ontvangen, is in overleg met [appellant] besloten dat hij niet langer de functie van docent kon uitoefenen. Met behoud van zijn functie en salaris is [appellant] in 2016 vervangende werkzaamheden (op de ‘Pitstop’) gaan uitoefenen. Aurelia heeft geconstateerd dat [appellant] ook voor deze werkzaamheden de juiste vaardigheden miste om met collega’s en leerlingen samen te werken.



3.3
Aurelia heeft naar aanleiding daarvan [appellant] diverse malen uitgenodigd om in gesprek te gaan over de beëindiging van zijn dienstverband en over de mogelijkheden hem naar passend werk te begeleiden. Omdat [appellant] niet op deze uitnodigingen was ingegaan, heeft (de gemachtigde van) Aurelia hem in een brief van 1 februari 2018 nog één keer de kans gegeven om met elkaar in gesprek te gaan en tot een oplossing voor de ontstane situatie te komen. In deze brief staat onder meer:
‘ Reeds enkele jaren zijn er twijfels over uw functioneren en over de wijze waarop u contacten met leerlingen en collega’s onderhoudt. Mede naar aanleiding van de klachten die de Nieuwe Veste [de voorganger van Aurelia, hof] over uw functioneren ontving van leerlingen en collega’s heeft uw werkgever, uw loyaliteit en inzet erkennend, in goed overleg met u besloten dat u niet langer uw functie als docent kon uitvoeren. In goed overleg heeft uw werkgever toen met u gezocht naar andere passende werkzaamheden voor u binnen de organisatie. Laatstelijk verrichtte u werkzaamheden op de pitstop. Helaas is gebleken dat ook deze werkzaamheden niet passend waren voor u (…).

Uw werkgever heeft vastgesteld dat u al geruime tijd niet meer aan de functie-eisen voldoet en heeft u in dat kader ontheven uit uw functie. Werkgever heeft u in de gelegenheid gesteld om met behoud van salaris ook andere functies uit te oefenen. Samen met u is de conclusie getrokken dat u ook niet geschikt bent voor die werkzaamheden. Gelet op de lange geschiedenis van op- en aanmerkingen op uw functioneren wordt vastgesteld dat deze constateringen geen verband houden met uw ziekte.


Uw werkgever is dan ook voornemens uw dienstverband te beëindigen en heeft u ook bericht dat het de wens is van de werkgever om dat samen met u in goed overleg te doen (…).


Namens uw werkgever laat ik u hierbij weten dat de Nieuwe Veste nog éénmaal een poging wil doen om met u in gesprek te gaan over de ontstane situatie om samen met u tot een oplossing te komen.’



3.4
Omdat [appellant] weigerachtig bleef om gesprekken met Aurelia aan te gaan, heeft Aurelia in een brief van 17 april 2018 aan [appellant] haar voornemen tot ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie en verlies van vertrouwen geuit. Hierin staat onder meer:
‘Aan een docent in het voorgezet onderwijs worden hoge eisen gesteld op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden. De voorgaande jaren is gebleken dat u met name de vaardigheden en reflectie op het eigen handelen mist om nog langer als docent te kunnen functioneren.
Verzorgen van onderwijs

U mist de pedagogische en didactische vaardigheden om leerlingen op een goeie manier instructies te geven over de lesstof. Leerlingen hebben moeite om u te begrijpen en uw lessen en redeneringen te volgen. U communiceert, zowel mondeling als schriftelijk op een zeer indringende en soms onnavolgbare (associatieve) wijze (…)


Verder is vastgesteld dat u eigengereid bent en niet in staat bent gebleken op een goeie manier onderwijs te verzorgen. (…)


Ook in de begeleiding van individuele leerlingen is gebleken dat u te kort schiet. Uw begeleiding van individuele leerlingen in het Excellent-traject en op de Pitstop is ondermaats gebleken. (…)

Samenwerking

Uw manier van communiceren maakt dat u niet meer in staat bent gebleken om samen te werken met collega’s. U communiceert op hoogdravende wijze met uw collega’s waarbij u de indruk wekt boven hen te staan. (…)

Vertegenwoordigen van de school

Ook in de communicatie met ouders is gebleken dat u onvoldoende sensitief kunt communiceren. (…)


Ik heb uit bovenstaande geconcludeerd dat u ongeschikt bent voor de functie van docent en andere functies waarin u met leerlingen en/of gewerkt moet worden. Ter bescherming van de leerlingen, collega’s en de kwaliteit van het onderwijs op De Nieuwe Veste zie ik geen mogelijkheden meer om u nog langer werkzaam te laten zijn op De Nieuwe Veste.’



3.5
Na deze brief zijn partijen met elkaar in gesprek gegaan over de beëindiging van het dienstverband van [appellant] . Daartoe hebben zij op 2 mei 2018 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

’17. Onder verband van een stipte uitvoering van bovenstaande verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting ter zake van al hun eventuele aanspraken, voortvloeiend uit de thans nog bestaande aanstelling, alsmede uit de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de aanstelling op boven omschreven wijze wordt beëindigd. (…)


19. Werknemer is bij de totstandkoming van deze overeenkomst bijgestaan door dhr. Zuidema (advocaat) (…). Werknemer is op de hoogte van de gevolgen van deze overeenkomst en heeft deze uitdrukkelijk aanvaard.’



3.6
Bij besluit van 8 mei 2018 heeft Aurelia [appellant] per 1 oktober 2018 eervol ontslag verleend.



3.7
Partijen hebben nadien diverse procedures gevoerd over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst tot aan de Centrale Raad van Beroep, onder andere over het getuigschrift, de outplacement en de gemaakte kosten door [appellant] . Na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft (de toenmalige advocaat van) [appellant] op 10 november 2021 Aurelia verzocht hem een kopie van zijn volledige personeelsdossier te verstrekken. In het verleden had [appellant] al een deel ervan ontvangen, maar nog niet het volledige personeelsdossier. Dat ontving hij medio 2022.



3.8
In een brief van 14 juni 2022 schreef de (toenmalige) advocaat van [appellant] onder meer het volgende aan Aurelia:
‘Client heeft kennis genomen van uw mededeling dat dit is wat het is. Client gaat er dan ook vanuit dat hij thans het volledige dossier heeft ontvangen. Client is overigens wel verbaasd dat er niet meer stukken in zitten. Ik zal dat toelichten.

In het voornemen tot ontslag d.d. 17 april 2018 is de volgende passage opgenomen:

Ik heb uit het bovenstaande geconcludeerd dat u ongeschikt bent voor de functie van docent en andere functies waarin u met leerlingen en/of gewerkt moet worden. Ter bescherming van de leerlingen, collega’s en de kwaliteit van het onderwijs….

Er wordt cliënt hier nogal wat verweten. Cliënt had verwacht en mocht ook verwachten dat het personeelsdossier een onderbouwing van voornoemde stelling zou geven. Helaas zit in het dossier geen enkel stuk die daarop wijst. (…) Vorenstaande kan 2 dingen betekenen. Ofwel het dossier is niet compleet ofwel er is in het ontslagbesluit een ongefundeerde stelling geponeerd. Gelet op uw mededeling dat “dit is wat het is” zou dat laatste het geval zijn.’


geen onrechtmatige uitlating van Aurelia




3.9

[appellant] komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het finale kwijtingsbeding er aan in de weg staat dat zijn vordering inhoudelijk wordt beoordeeld. Volgens [appellant] haalt de kantonrechter twee zaken door elkaar: zijn (vermeende) disfunctioneren (het niet voldoen aan de functie-eisen) en de onrechtmatige uitlating van Aurelia in haar brief van 17 april 2018 waarin zij schrijft dat hij niet geschikt is voor functies waarin hij met leerlingen moet werken en leerlingen tegen hem beschermd moeten worden. In de vaststellingsovereenkomst is een einde gemaakt aan het verschil van mening tussen partijen over de vraag of hij wel aan de functie-eisen voor een docent voldoet. Aan die discussie is een einde gekomen door middel van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en [appellant] wenst deze discussie ook helemaal niet te heropenen dan wel de vaststellingsovereenkomst aan te tasten. De vaststellingsovereenkomst is als zodanig niet in geschil, behalve dat de kantonrechter het finale kwijtingsbeding te beperkt heeft uitgelegd (zie hierna), aldus [appellant] .
Waar het hem om gaat is dat Aurelia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de gewraakte uitlating in haar brief van 17 april 2018 te doen, terwijl daarvoor geen enkele feitelijke onderbouwing in zijn personeelsdossier is te vinden. Verder had de periode voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst enkel betrekking op zijn vermeende disfunctioneren en niet op de onrechtmatige uitlating van Aurelia. Hij had in die tijd immers nog geen kennis van zijn (gehele) procesdossier. Dat betekent dan ook dat het onrechtmatig handelen van Aurelia niet kan zijn verdisconteerd in de vaststellingsovereenkomst zodat het daarin opgenomen finale kwijtingsbeding niet aan zijn vordering in de weg kan staan, aldus [appellant] .



3.10
Het hof gaat niet mee in het betoog van [appellant] . Het enkele feit dat een onderbouwing van die uitlating in het personeelsdossier zou ontbreken betekent niet dat die uitlating op zichzelf onrechtmatig is. Aurelia heeft de gewraakte uitlating ook op andere wijze kunnen onderbouwen en tot uiting gebracht in gesprekken met [appellant] en in de onder 3.3 genoemde brief. Vaststaat immers dat (de voorganger van) Aurelia al gedurende een lange periode ontevreden was over het functioneren van [appellant] . Partijen hebben veelvuldig met elkaar over het (dis)functioneren gesproken, er is coaching en begeleiding aan [appellant] aangeboden, er heeft een wijziging van werkzaamheden plaatsgevonden die niet tot het gewenste resultaat heeft geleid omdat [appellant] ook voor deze werkzaamheden de vaardigheden miste om met collega’s en leerlingen samen te werken. Uiteindelijk hebben partijen ter beëindiging van het dienstverband een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze context is de uitlating van Aurelia in de brief van 17 april 2018 niet onrechtmatig. Dit geldt temeer nu [appellant] door de gesprekken die hij met (de voorganger van) Aurelia heeft gevoerd bekend was met de reden voor Aurelia om afscheid van hem te nemen, namelijk dat hij niet in staat is gebleken om op juiste wijze met leerlingen en collega’s om te gaan. Dat mag wel van een docent worden verwacht.


finale kwijting




3.11
Daarnaast moet onder het finale kwijtingbeding in artikel 17 van de vaststellingsovereenkomst, waarbij partijen elkaar finale kwijting verlenen voor ‘al hun eventuele aanspraken, voortvloeiend uit de thans nog bestaande aanstelling’ begrepen worden de aanspraak tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad die [appellant] in deze procedure tegen Aurelia heeft ingesteld. Anders dan [appellant] naar voren heeft gebracht is hem de grondslag voor deze vordering niet pas na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bekend geworden (omdat hij naar zijn zeggen pas jaren later zijn personeelsdossier onder ogen kreeg). Zoals hierboven al is overwogen was [appellant] namelijk zowel voorafgaand aan het voornemen tot ontslag, neergelegd in de brief van 17 april 2018, als voorafgaand aan/ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte van de reden van zijn ontslag door de vele gesprekken met Aurelia. Daarom wordt de omstandigheid waar [appellant] zich nu op beroept (een onderbouwing van de gewraakte uitlating in voornoemde brief ontbreekt in zijn personeelsdossier) geacht in de vaststellingsovereenkomst te zijn verdisconteerd en daarmee valt die omstandigheid onder het finale kwijtingsbeding. Inzage in het (gehele) personeelsdossier is toen kennelijk niet nodig geacht door (de advocaat van) [appellant] , nog afgezien van het feit dat de bewuste uitlating gelet op de gehele voorgeschiedenis door Aurelia mocht worden gedaan.



3.12

[appellant] heeft zich er nog op beroepen dat aan het finale kwijtingbeding een ruimere betekenis moet worden toegekend (en dus niet aan zijn vordering in de weg mag staan) omdat hij vanuit een burn-out situatie kwam en het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was bedoeld om rust en ruimte te creëren door niet langer met de school te hoeven discussiëren over zijn functioneren.
Dit beroep faalt. Nog afgezien van het feit dat niet is komen vast te staan dát [appellant] ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst daadwerkelijk in/uit een burn-out situatie zat/kwam, staat wel vast dat hij destijds werd bijgestaan door een (onderwijs)advocaat.


geen schadevergoeding




3.13
Nu het onrechtmatig handelen van Aurelia niet is komen vast te staan, komt het hof niet aan bespreking van de door [appellant] gestelde schade toe. De schade die [appellant] vordert omdat hij door de onterechte beschuldiging in zijn eer en goede naam is aangetast zou overigens niet worden toegewezen. De brief van 17 april 2018 is immers alleen aan hem geadresseerd en verder niet openbaar gemaakt of aan derden toegezonden, terwijl voor een dergelijke schending op grond van artikel 6:106 aanhef en sub b BW wel enige vorm van openbaarheid nodig is om te kunnen stellen dat iemand in zijn eer of goede naam is aangetast.



3.14
Omdat [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan zijn bewijsaanbod.


geen volledige kostenveroordeling




3.15
Het hoger beroep slaagt niet. [appellant] moet de kosten van het hoger beroep van Aurelia betalen. Aurelia heeft gevorderd [appellant] in de volledige kosten van de procedure te veroordelen, zonder die vordering overigens te onderbouwen.
Het hof stelt bij de beoordeling van de vordering voorop dat uit artikel 241 Rv en de toelichting op het daarmee corresponderende artikel 57 lid 6 (oud) Rv volgt dat de artikelen 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij een gerechtelijke uitspraak in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat een volledige vergoedingsplicht (ter zake van proceskosten) denkbaar is, maar alleen in ‘buitengewone omstandigheden’, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.
Het hof ziet indachtig deze maatstaf geen aanleiding om [appellant] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten te veroordelen. [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij aan Aurelia betalen de griffierechten van € 798 en de kosten van de advocaat van € 1.214 volgens het liquidatietarief (1 punt x tarief II).



3.16
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).





4De beslissing

Het hof:


4.1
bekrachtigt het vonnis van 19 december 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen;



4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de kosten van het hoger beroep, aan de
zijde van Aurelia vastgesteld op € 798 voor griffierecht en op € 1.214 voor salaris advocaat;



4.3
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.





Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, M.E.L. Fikkers en M. Willemse, door de rolraadsheer ondertekend en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025.





















Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 36


HR 15 september 2017; ECLI:NL:HR:2017:2366
Link naar deze uitspraak