|
|
ECLI:NL:GHDHA:2025:377 | | | Datum uitspraak | : | 20-02-2025 | Datum gepubliceerd | : | 03-04-2025 | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | Zaaknummers | : | BK-24/469 | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | Indicatie | : | Art. 225 en 234 Gemeentewet; Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Het Hof verklaart de Parkeerbelastingverordening partieel onverbindend, namelijk uitsluitend ten aanzien van het deel van het in de verordening vastgestelde bedrag van de kosten van de naheffing dat het daarvoor wettelijk vastgestelde maximumbedrag te boven gaat (€ 0,10). Nu de Heffingsambtenaar bij de uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag reeds met € 0,10 heeft verminderd, leidt dit niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep. | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | naheffingsaanslag | | | tarieven | | | wettelijke rente | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/469
Uitspraak van 20 februari 2025
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 april 2024, nummer SGR 23/770.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Leiden opgelegd ter zake van het parkeren door belanghebbende op 22 oktober 2022 van een voertuig met het kenteken [kenteken] (het voertuig) aan de [straat] te [woonplaats] , ten bedrage van € 69,40, bestaande uit € 2,80 parkeerbelasting en € 66,60 aan kosten van de naheffing (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag met € 0,10 verminderd tot € 69,30.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. De griffier heeft partijen bij bericht van 17 juli 2024 meegedeeld dat het Hof voornemens is een zitting achterwege te laten, tenzij partijen uiterlijk binnen twee weken na de dagtekening van het bericht het Hof laten weten dat zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
Op 22 oktober 2022 om 10.46 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de locatie [straat] te [woonplaats] zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Genoemde locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden aangewezen als parkeerplaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. Vervolgens is de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.
2.2.
De naheffingsaanslag bedraagt € 69,40, bestaande uit € 2,80 parkeerbelasting en € 66,60 aan kosten van de naheffing.
2.3.
Belanghebbende heeft zelf tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt en in haar bezwaarschrift aangevoerd dat de gemeente in plaats van het in artikel 3, lid 1 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (tekst 2022; het Besluit) gestelde maximumbedrag van € 66,50, een bedrag van € 66,60 aan kosten in rekening heeft gebracht.
2.4.
De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd met € 0,10 tot € 69,30. De uitspraak op bezwaar luidt:
“Parkeerboete wordt verminderd met € 0,10
Er is geconstateerd dat er teveel kosten zijn gerekend bij het opleggen van de parkeerboete. De kosten van de parkeerboete (uitgezonderd het verschuldigde parkeertarief) bedroegen € 66,60 terwijl landelijk is bepaald dat het toegestane bedrag aan kosten maximaal € 66,50 mag
bedragen. Dit is een verschil van € 0,10. Dit betekent dat ik een vermindering zal toekennen en de kosten van de parkeerboete zal verminderen van € 66,60 naar € 66,50. (…)”
2.5.
De gemachtigde van belanghebbende heeft beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“4. De rechtbank stelt voorop dat aan eiseres niet meer kosten in rekening zijn gebracht dan is toegestaan ingevolge artikel 234 van de Gemeentewet in samenhang met het Besluit. Dat in de Verordening ten onrechte een bedrag van € 66,60 in plaats van € 66,50 staat, bekent niet dat de naheffingsaanslag om die reden alsnog moet worden vernietigd. De beroepsgrond van eiseres dat de Verordening onverbindend is, slaagt niet. Anders dan eiseres stelt, stond het de heffingsambtenaar vrij om over te gaan tot een verlaging van de naheffingsaanslag in de uitspraak op bezwaar.
5. Dat het maximumbedrag aan kosten pas op 13 september 2021 in de Staatscourant is gepubliceerd, heeft niet tot gevolg dat de Verordening op dit punt in strijd is met artikel 3, tweede lid, van het Besluit en om die reden onverbindend zou zijn Uit de tekst van laatstgenoemde bepaling noch uit de nota van toelichting bij de wijziging (Staatsblad 1998, 696) is af te leiden dat het aangepaste maximumbedrag niet geldt voor het daaropvolgende kalenderjaar als het niet vóór, maar op of na 1 september van het voorliggende jaar bekend wordt gemaakt. Gelet op de nota van toelichting is de mogelijkheid om de naheffingskosten te wijzigen bedoeld om gemeenten kostendekkend te kunnen laten werken. Anders dan eiseres betoogt, is de hiervoor bedoelde bekendmakingsdatum uitsluitend bedoeld om gemeenten de gelegenheid te geven het kostenbedrag in hun verordening voor het daaropvolgende kalenderjaar tijdig aan te passen aan het bedrag dat bij het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting maximaal voor de kosten daarvan in rekening mag worden gebracht (zie ECLI:NL:GHDHA:2023:2043). Ook deze beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de Heffingsambtenaar, na de vermindering van de naheffingsaanslag in de bezwaarfase, een bedrag van € 66,50 wegens kosten van de naheffing in rekening mag brengen. Meer in het bijzonder is in geschil of artikel 8 van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen gemeente Leiden 2022 (de Verordening), in combinatie met onderdeel IV van de Tarieven- en kostentabel behorend bij de Verordening (de Tarieventabel) onverbindend is. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend; de Heffingsambtenaar beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2,80. Verder verzoekt belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding, vergoeding van het griffierecht en de Heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding en het griffierecht.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Juridisch kader
5.1.1. Artikel 234, leden 5 en 6, van de Gemeentewet luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
“5. Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. (…)
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het vijfde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.”
5.1.2. Artikel 2, lid 2, van het Besluit luidt:
“2. Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.”
Artikel 3, lid 1, van het Besluit luidt:
“1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, bedraagt met ingang van 1 januari 2022 ten hoogste € 66,50.”
5.1.3. De artikelen 2 en 8 van de Verordening luiden als volgt:
“Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:
a) een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het College van Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
b) een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
Artikel 8 Kosten
1. De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2 zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieven- en kostentabel.”
5.1.4.
In de Tarieventabel is, ten aanzien van de kosten van de naheffing, het volgende opgenomen:
“Onderdeel IV. Kosten van de naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de verordening.
De kosten van de naheffingsaanslag wordt, met inachtneming van het "Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen" vastgesteld op € 66,60”
Beoordeling
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat artikel 8 van de Verordening onverbindend is, nu het bedrag van de kosten van de naheffing dat in de Tarieventabel is opgenomen (€ 66,60), het in artikel 3, lid 1, van het Besluit opgenomen maximumbedrag (€ 66,50) overschrijdt. Anders dan de Heffingsambtenaar meent, kan, aldus belanghebbende, niet worden teruggevallen op het in de wet opgenomen maximumbedrag. Artikel 3, lid 1, van het Besluit richt zich tot de gemeenteraad en regelt hoeveel de gemeenteraad, na het doorlopen van de ramingsprocedure van artikel 2 van het Besluit, maximaal aan kosten in een verordening mag opnemen. Aangezien in dit geval een hoger bedrag door de gemeenteraad is vastgesteld dan toegestaan, is de Verordening op dit punt onverbindend en bestond er geen grondslag om ondanks de vermindering van de naheffingsaanslag in de bezwaarfase, het wettelijke maximum als kosten van de naheffing in rekening te brengen. De naheffingsaanslag komt volgens belanghebbende dan ook in aanmerking voor gedeeltelijke vernietiging.
5.2.2.
De Heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbende gemotiveerd bestreden en voert daartoe het volgende aan. Een kennelijke verschrijving in de Tarieventabel leidt niet tot onverbindendheid van artikel 8 van de Verordening. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de verschrijving hersteld door de te veel in rekening gebrachte kosten van de naheffing te verminderen met het bedrag van de overschrijding (€ 0,10). Hierdoor zijn niet meer kosten in rekening gebracht dan is toegestaan ingevolge artikel 234 Gemeentewet in samenhang met het Besluit. In het geval het Hof oordeelt dat de Verordening op dit punt onverbindend is, verzoekt de Heffingsambtenaar het Hof de Verordening slechts onverbindend verklaren voor zover het de overschrijding van het maximumbedrag betreft (te weten € 0,10).
5.3.
Het Hof oordeelt als volgt. Het in artikel 8 van de Verordening, in verbinding met onderdeel IV van de Tarieventabel, vastgestelde bedrag van € 66,60 overschrijdt het voor het jaar 2022 volgens artikel 3, lid 1, van het Besluit toegestane maximumbedrag van € 66,50 (zie 5.1.1 en 5.1.2) met slechts € 0,10. Gelet op deze verwaarloosbaar kleine overschrijding ten opzichte van het volgens artikel 3, lid 1, van het Besluit toegestane maximumbedrag aan kosten van de naheffing, is er geen aanleiding voor onverbindendverklaring van de Verordening in zijn geheel of ten aanzien van het gehele bedrag van de kosten van de naheffing, maar gaat het Hof over tot partiële onverbindendverklaring (vgl. HR 3 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2917, BNB 1999/448). Dit houdt in dat artikel 8 van de Verordening in verbinding met de in 5.1.4 vermelde passage van onderdeel IV van de Tarieventabel in zoverre onverbindend wordt verklaard dat het bedrag van € 66,60 buiten toepassing blijft en dat daarvoor in de plaats wordt gesteld het in artikel 3, lid 1, van het Besluit vermelde bedrag van € 66,50 (zie 5.1.2). Voor het overige blijven artikel 8 van de Verordening en de Tarieventabel in stand.
5.4.
Nu de naheffingsaanslag bij de uitspraak op bezwaar reeds is verminderd met € 0,10 (de kosten van de naheffing zijn verminderd van € 66,60 naar € 66,50), bestaat er geen aanleiding voor een verdere vermindering van de naheffingsaanslag.
Slotsom
5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door I. Reijngoud, Chr.Th.P.M. Zandhuis en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 20 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| |
|
|