|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2025:15158 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 31-12-2025 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/9320 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo, te weten toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat het verzoekster voldoende zelfredzaam vindt. De hulpvraag van verzoekster beperkt zich tot een huisvestingsprobleem en daar is de Wmo niet voor bedoeld. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college en wijst het verzoek af. | | Trefwoorden | : | kinderbijslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9320
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), te weten toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat het verzoekster voldoende zelfredzaam vindt. De hulpvraag van verzoekster beperkt zich tot een huisvestingsprobleem en daar is de Wmo niet voor bedoeld. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college en wijst het verzoek af.
Procesverloop
1. Verzoekster heeft zich op 30 oktober 2025 bij het college gemeld voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 30 oktober 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. M. Gommans, en de gemachtigde van het college. Als tolk is verschenen E. Gajadhar.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster is geboren in Suriname en heeft de Surinaamse nationaliteit. In juni 2023 is zij samen met haar zoon [naam zoon] (12) naar Nederland gekomen met het doel beter onderwijs voor haar zoon te krijgen en een betere economische situatie voor hen beiden. Haar twee oudste kinderen (17 en 22) zijn achtergebleven in Suriname. De biologische vader van [naam zoon] verblijft in Frankrijk. Hij heeft zijn zoon wel erkend maar zij hebben geen contact meer. [naam zoon] heeft net als zijn vader de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster stelt van rechtswege rechtmatig verblijf te hebben in Nederland op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Dit heeft het college niet weersproken.
2.1.
Vanaf oktober 2023 heeft verzoekster met haar zoon ingewoond bij een neef in Rotterdam. Op 30 oktober 2025 heeft zij zich bij het wijkteam gemeld, naar eigen zeggen omdat zij met haar zoon de woning van de neef heeft moeten verlaten. De neef wil ruimte maken voor zijn eigen kinderen die nog bij hun moeder wonen, maar ook bij hem komen wonen. Hiervoor heeft hij de kamer nodig die door verzoekster en haar zoon werd gebruikt. In de periode vóór 30 oktober 2025 waren er al geregeld spanningen tussen verzoekster en haar neef, onder meer vanwege de woonsituatie.
3. Het college heeft het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen omdat verzoekster volgens het college in staat kan worden geacht zich op eigen kracht, met de gebruikelijke voorzieningen, met mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. De hulpvraag die verzoekster heeft beperkt zich tot een huisvestingsprobleem. De Wmo is hiervoor niet bedoeld. Verzoekster dient daarom zelf in onderdak voor haarzelf en haar minderjarige zoon te voorzien.
4. Verzoekster is het hier niet mee eens. Met haar verzoek wil verzoekster bereiken dat haar een maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke (nood)opvang wordt toegekend tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure voor als iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn of haar bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5.1.
Verzoekster heeft aangevoerd dat haar spoedeisend belang is gelegen in het feit dat zij en haar zoon op korte termijn geheel dakloos dreigen te worden. Nadat zij op 30 oktober 2025 door de neef van verzoekster op straat zijn gezet, hebben verzoekster en haar zoon tijdelijk bij een moeder van school kunnen verblijven en vervolgens een aantal nachten, via het Rode Kruis, in een hotel. Vervolgens zijn verzoekster en haar zoon door het Rode Kruis doorverwezen naar Stichting Binnenslapers, waar zij een tijdelijke noodopvangplek hebben gekregen, tot uiterlijk 11 december 2025. Daarna staan zij in principe weer op straat. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Stappenplan
7. Verzoekster voert aan dat het college het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) niet voldoende zorgvuldig heeft doorlopen. Het college heeft bijvoorbeeld de daadwerkelijke hulpvraag niet juist en niet volledig vastgesteld. Ook is niet voldoende onderzocht welke problemen de zelfredzaamheid en participatie beperken.
7.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat iemand die feitelijk geen onderdak heeft, niet alleen al om die reden voor een maatwerkvoorziening opvang in aanmerking komt. Verder maakt de omstandigheid dat verzoekster, onder meer door haar taalachterstand, voor hulp en bijstand afhankelijk is van instanties als het wijkteam op zichzelf nog niet dat verzoekster niet zelfredzaam is. De voorzieningenrechter moet, zoals volgt uit de vaste rechtspraak van de Raad, beoordelen of het huisvestingsprobleem wordt veroorzaakt doordat verzoekster zich niet (met de gebruikelijke hulp en met hulp vanuit haar sociale netwerk) kan handhaven in de samenleving.
7.2.
Uit de journaalregels en het Toegangsformulier Maatschappelijke Opvang (intakeformulier) van 30 oktober 2025 blijkt dat het college wel een onderzoek in het kader van de Wmo heeft uitgevoerd. Overeenkomstig het stappenplan heeft (de Wmo-adviseur van) het college eerst de hulpvraag in kaart gebracht. Uit het intakeformulier blijkt dat verzoekster zich op 30 oktober 2025 gemeld heeft met (alleen) een opvangvraag. Het college heeft vervolgens vastgesteld dat verzoekster per 30 oktober 2025 dakloos is, dat zij geen sociaal vangnet (meer) heeft in Rotterdam en dat zij onvoldoende financiële middelen heeft. Het college constateert ook dat verzoekster een risico heeft genomen door geen alternatieven te hebben voor als het bij de neef ‘mis’ zou gaan. Daarbij is met verzoekster besproken of terugkeer naar Suriname voor haar tot de mogelijkheden behoort. Verzoekster wil dit niet, gezien haar doel om naar Nederland te komen. Zij wil haar zoon een goede toekomst bieden in Nederland.
7.2.1.
Uit het intakeformulier blijkt dat ook is onderzocht of verzoekster beperkingen of belemmeringen ervaart in het dagelijks leven. Verzoekster heeft aangegeven dat zij veel stress ervaart door de woonsituatie. Het college heeft echter niet kunnen vaststellen dat verzoekster andere geestelijke of fysieke belemmeringen ervaart die haar functioneren beperken. Verzoekster heeft ook geen andere hulpvraag of ondersteuningsbehoefte bij het college naar voren gebracht. Zij werkt 10 uur per week en verdient daarmee €500-€1000 in de maand (afhankelijk van overwerk). Hoewel zij hiermee een inkomen verdient onder de bijstandsnorm, wil verzoekster deze uren niet uitbreiden om meer te kunnen verdienen. Naar eigen zeggen kan zij alleen werken als haar zoon op school zit. Verzoekster heeft geen recht op toeslagen of een kindgebonden budget, omdat haar neef haar toeslagenpartner is en zijn inkomen te hoog is.
7.2.2.
Het college heeft in het intakeformulier ook zorgen geuit over de directe veiligheid van de zoon van verzoekster, omdat zij heeft aangegeven niet te weten waar zij vanaf 30 oktober 2025 moet verblijven. De Loketspecialist Jeugd heeft vervolgens een uitvraag gedaan over de gezondheid, ontwikkeling en dagbesteding van de zoon, en naar de opvoeding door verzoekster. Hieruit blijkt dat de zoon naar school gaat, dat het goed gaat op school, dat hij gezond is en dat er geen hulpvragen zijn rondom de opvoeding.
7.2.3.
Het college komt op grond hiervan tot de conclusie dat geen noodzaak bestaat voor maatschappelijke opvang. Omdat geen andere hulpvragen naar voren zijn gekomen, blijft enkel de huisvestingsproblematiek over.
7.3.
De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het onderzoek in het kader van de Wmo niet zorgvuldig of niet voldoende adequaat is geweest. Uit het intakeformulier blijkt dat het stappenplan middels het stellen van concrete en kritische vragen op zorgvuldige wijze is doorlopen. Er is geen reden om te oordelen dat de hulpvraag niet juist of niet voldoende in kaart is gebracht. Het college heeft ook gekeken naar de psychosociale problematiek en de gevolgen voor verzoekster en haar zoon als het verzoek om toelating wordt afgewezen. Het college heeft zich er tevens van vergewist dat verzoekster financieel en voor onderdak afhankelijk was (en is) van de neef.
7.4.
Het college heeft op basis van het onderzoek tot de conclusie kunnen komen dat verzoekster zelfredzaam is en daarom in staat moet worden geacht om, (desnoods) met de gebruikelijke voorzieningen (zoals het wijkteam) en hulp vanuit haar netwerk, zelf huisvesting te organiseren voor haarzelf en haar minderjarige zoon. Uit de journaalregels blijkt ook dat verzoekster juist met de hulp van het wijkteam in staat is gebleken om praktische zaken te regelen, zoals het vinden van een geschikte school voor haar zoon, het aanvragen van kinderbijslag en haar inschrijving bij Woonnet Rotterdam. Dergelijke hulp is bovendien niet ongebruikelijk in een situatie waarbij iemand nog wegwijs moet worden gemaakt in de Nederlandse samenleving. Dit betekent daarom niet dat verzoekster niet zelfredzaam is in de zin van de Wmo. Dat zij wellicht meer dan in het algemeen gebruikelijk een beroep op het wijkteam heeft gedaan, en dat dit mogelijk iets zegt over haar zelfstandigheid, betekent nog niet dat verzoekster niet zelfredzaam is. Bovendien blijkt uit de journaalregels (pagina 6) dat het wijkteam het dossier van verzoekster op 18 maart 2025 heeft gesloten, omdat de hulpvragen waren afgerond.
IVRK
7.5.
Verzoekster heeft met een beroep op het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) aangevoerd dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van haar zoon. De woonsituatie zoals die nu is, is niet goed voor haar zoon. Ook (de brugfunctionaris van) de school maakt zich zorgen.
7.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de belangen van de zoon voldoende in de beoordeling heeft betrokken. De Loketspecialist Jeugd is ingeschakeld. Deze heeft een uitvraag gedaan over de gezondheid, ontwikkeling, dagbesteding en opvoeding van de zoon en er zijn geen directe zorgen over hem geconstateerd. Verzoekster heeft geen stukken overgelegd waaruit de betrokkenheid van de brugfunctionaris blijkt en waaruit volgt dat die betrokkenheid verband houdt met meervoudige problematiek van verzoekster en/of haar zoon. Ook zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het niet goed gaat met de zoon (op school). Dat de brugfunctionaris al vanaf 2023 in beeld is, betekent nog niet dat sprake is van multi-problematiek. Ter zitting is zijdens verweerder toegelicht dat het inschakelen van een brugfunctionaris gebruikelijk is bij onder meer nieuwe leerlingen die uit het buitenland afkomstig zijn. Het college heeft daarom niet op voorhand aanleiding hoeven zien om contact op te nemen met de school. Hoewel de voorzieningenrechter het zeer onwenselijk acht dat een minderjarige dakloos zou worden, blijkt uit het dossier niet dat sprake is van meer dan een huisvestigingsprobleem. Dat betekent dat een maatwerkvoorziening in de zin van de Wmo niet de juiste route is om dit (schrijnende) huisvestigingsprobleem te ondervangen.
8. Uit het voorgaande volgt dat het college niet is gehouden verzoekster opvang te bieden op grond van de Wmo. Daarmee is het primair de verantwoordelijkheid van verzoekster om de primaire omstandigheden van haar zoon (zoals onderdak, een school en eventuele medicatie) te regelen. Verder biedt het enkele feit dat de zoon van verzoekster de Nederlandse nationaliteit bezit, geen grond voor toelating tot de maatschappelijke opvang omdat verzoekster zelfredzaam is, er voldoende rekenschap is gegeven van de belangen van de zoon en verzoekster de primaire verantwoordelijkheid heeft voor het regelen van de primaire omstandigheden van haar zoon. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoekster niet tot de maatschappelijke opvang hoeft toe te laten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1651; zie ook de uitspraak van de Raad van 10 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:56.
Zie ook: ECLI:NL:CRVB:2024:56. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|