|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:24407 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 01-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 25/4349 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Beroep. Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (KOT). Zij heeft een beslissing ontvangen voor de jaren 2014-2016, daartegen heeft zij bezwaar gemaakt. Zij heeft nog geen beslissing ontvangen voor de jaren 2011, 2012, 20213, 2017, 2018 en 2019. De rechtbank overweegt dat in het geval dat verweerder ten onrechte een jaar niet heeft herbeoordeeld, dit moet worden hersteld via de bezwaar- of beroepsprocedure. Verweerder heeft op zitting ook toegezegd dat hij de jaren die nog niet zijn herbeoordeeld, zal herbeoordelen in de bezwaarprocedure die reeds loopt. Eiseres kan met dit beroep niet bereiken wat zij wenst te bereiken. Beroep niet-ontvankelijk. | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4349
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. W. Kort),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. S.R. Busch en mr. J.S.M. Rietveld).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 15 november 2023 voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (KOT) voor de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019.
1.1.
Eiseres heeft op 28 december 2020 een aanvraag gedaan voor herbeoordeling voor de jaren 2014, 2015, 2016.
1.2.
Bij besluiten van 24 augustus 2022 heeft verweerder beslist dat de situatie van eiseres niet wijzigt (UHT-DH5 A) en dat zij niet in aanmerking komt voor compensatie kinderopvangtoeslag (UHT-DC-I-A). Eiseres heeft hiertegen op 19 augustus 2022 bezwaar gemaakt.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar. De rechtbank heeft dit beroep op 12 april 2023 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op het bezwaar.
1.4.
Op 15 november 2023 heeft eiseres verweerder gevraagd of hij ook de jaren 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019 wil herbeoordelen.
1.5.
Eiseres heeft vervolgens nogmaals beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar van 19 augustus 2022. De rechtbank heeft dit beroep op 4 april 2024 gegrond verklaard en verweerder opdragen om binnen een termijn van zes weken na de datum van het verweerschrift een besluit te nemen op het bezwaar.
1.6.
Eiseres heeft hierna wederom beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar. Ook dit beroep heeft de rechtbank op 19 december 2024 gegrond verklaard. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar.
1.7.
Omdat verweerder volgens eiseres nog altijd geen beslissing heeft genomen op haar bezwaar heeft zij ook op 10 juni 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar. In deze zaak heeft de rechtbank nog geen uitspraak gedaan.
1.8.
Op 24 juni 2025 heeft eiseres daarnaast ook beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag voor herbeoordeling van de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019. Dit betreft het onderhavige beroep met zaaknummer SGR 25/4349.
1.9.
Verweerder heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.10.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich vooraf afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (KOT). Verweerder heeft nog geen beslissing genomen voor de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder een aparte beslissing moet nemen voor deze jaren, of dat hij deze jaren moet betrekken bij de bezwaarprocedure die al loopt over de herbeoordeling van de jaren 2014, 2015 en 2016.
Wat vind eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen beslissing heeft genomen op haar aanvraag voor herbeoordeling van de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019. Zij wijst erop dat op grond van artikel 6.2 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) verweerder binnen een termijn van zes maanden een beslissing moet nemen op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste of derde lid, artikel 2.6, eerste of derde lid, artikel 2.13 of artikel 2.14 van de Wht. Deze termijn kan eenmaal worden verlengd met zes maanden. Eiseres heeft op 5 juni 2025 een ingebrekestelling verstuurd. Verweerder heeft nog altijd geen beslissing genomen. Volgens eiseres is er geen regel die voorschrijft dat een nieuwe aanvraag die ziet op andere jaren dan de jaren die reeds zijn beoordeeld niet als aparte aanvraag kan worden behandeld, met zelfstandige beslistermijnen.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij al op de aanvraag van eiseres heeft beslist met de beslissing van 24 augustus 2022. Dat in de beschikking van 24 augustus 2022 niet wordt ingegaan op de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019 doet daar niet aan af. De jaren die nog niet inhoudelijk zijn beoordeeld, zullen worden beoordeeld in de beslissing op het bezwaar dat is gericht tegen het besluit van 24 augustus 2022. Eiseres kan verweerder niet nogmaals in gebreke stellen. Er kan ook niet nogmaals een dwangsom worden verbeurd. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4057.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen voor de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Eiseres heeft dit op 5 juni 2025 ook gedaan. Desalniettemin ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder op te dragen een beslissing te nemen, gelet op het volgende.
5.2.
De rechtbank overweegt onder verwijzing naar uitspraken van de rechtbank Rotterdam en rechtbank Midden-Nederland dat als uitgangspunt geldt dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven. Dienst Toeslagen moet ten aanzien van die jaren onderzoeken of de aanvrager in aanmerking komt voor een herstelaanvraag, tenzij de aanvrager de aanvraag heeft beperkt.
5.3.
De rechtbank verwijst daarnaast net als verweerder naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025. Zij is met de rechtbank Rotterdam van oordeel dat de Wht ervan uitgaat dat op één aanvraag één beslissing volgt. Een tweede aanvraag kent de Wht niet. Als verweerder ten onrechte een jaar niet heeft beoordeeld, moet dit worden hersteld via de bezwaar- of beroepsprocedure.
5.4.
In dit verband kan verweerder niet op straffe van een dwangsom worden opgedragen (alsnog) een besluit te nemen, nu met het besluit van 24 augustus 2022 reeds op de aanvraag is beslist. In de onder ‘Inleiding’ genoemde uitspraken heeft de rechtbank verweerder reeds een opdracht gegeven betreffende het bekend maken van een beslissing op bezwaar. De rechtbank verwijst naar die uitspraken. Verweerder heeft op zitting ook toegezegd dat hij in die beslissing op bezwaar de jaren 2010, 2011, 2012, 2013, 2017, 2018 en 2019 zal herbeoordelen. Nu eiseres met dit beroep niet kan bereiken wat zij wenst te bereiken, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor het vergoeden van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023 in zaak nr. SGR 23/2043, ECLI:NL:RBDHA:2023:4663.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 april 2024 in zaak nr. SGR 24/86, ECLI:NL:RBDHA:2024:4556.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2024 in zaak nr. SGR 24/8487. Deze uitspraak is (nog) niet gepubliceerd.
Zaak nr. SGR 25/4096.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2194, en van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13134.
Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9123, en van 4 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4117. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|