Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2025:3602 
 
Datum uitspraak:26-06-2025
Datum gepubliceerd:07-01-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:24/3151 t/m 24/3160
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Trefwoorden:inkomstenbelasting
verzamelinkomen
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3151 t/m 24/3160

26 juni 2025


uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. K.H. Zonneveld)

tegen de uitspraak van 26 maart 2024 in de zaak met kenmerken HAA 22/5517, HAA 22/5518, HAA 22/5519, HAA 22/5520, HAA 22/5521, HAA 22/5522, HAA 22/5523, HAA 22/5524, HAA 22/5525 en HAA 22/5526 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en


de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.1.
De inspecteur heeft op 6 februari 2021 belanghebbende voor het jaar 2016 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 35.340 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is een vergrijpboete opgelegd ter hoogte van € 1.439 en is belastingrente in rekening gebracht.



1.1.2.
De inspecteur heeft op 6 februari 2021 belanghebbende voor het jaar 2017 navorderingsaanslagen IB/PVV en bijdrage Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 36.068 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is een vergrijpboete opgelegd ter hoogte van € 517 en is belastingrente in rekening gebracht.



1.1.3.
De inspecteur heeft op 3 februari 2021 belanghebbende voor het jaar 2018 aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 36.498 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is belastingrente in rekening gebracht.



1.1.4.
De inspecteur heeft op 3 februari 2021 belanghebbende voor het jaar 2019 aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 37.286 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft bij brief van 11 december 2021, door de inspecteur ontvangen op 16 december 2021, bezwaar gemaakt tegen bovengenoemde (navorderings)aanslagen.



1.3.
De inspecteur heeft op 9 augustus 2022 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.



1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Desgevraagd heeft geen van beide partijen kenbaar gemaakt een zitting te wensen. Het onderzoek is op 6 juni 2025 gesloten.






2Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, gelijk in beroep, in geschil of het bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen 2016 tot en met 2019 wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslagen allen op juiste wijze bekend zijn gemaakt.





3Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“5. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb).

6. Gelet op het vorenoverwogene en gezien de dagtekeningen 3 februari 2021 en 6 februari 2021 van de betreffende aanslagbiljetten zijn de bezwaartermijnen aangevangen op respectievelijk 4 februari 2021 en 7 februari 2021 en geëindigd op respectievelijk 17 maart 2021 en – in aanmerking genomen het bepaalde in de Algemene termijnenwet – 22 maart 2021. Het bezwaarschrift is door verweerder op 16 december 2021, derhalve ruim na het einde van de termijnen, ontvangen.

7. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn. Niet in geschil is dat de (navorderings-) aanslagen zijn verstuurd naar het adres waar eiseres op de datum van toezending in de Brp stond ingeschreven. Dat de brand een aangrijpende gebeurtenis is geweest en dat de woning vanwege brandschade sinds 22 maart 2020 niet bewoonbaar was kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot de conclusie leiden dat eiseres niet in verzuim is. Eiseres heeft niet toegelicht welke stappen zij heeft ondernomen om te voorkomen dat aan haar geadresseerde poststukken haar niet bereiken. Eiseres heeft ook niet voldoende onderbouwd dat zij in het tijdsverloop van ongeveer een jaar tussen de brand en de toezending van de (navorderings-) aanslagen redelijkerwijs niet in staat was dergelijke stappen te ondernemen. Weliswaar is eiseres op leeftijd en is niet geschil dat zij de Nederlandse taal niet goed machtig is, maar daar staat tegenover dat zij hulp had van haar dochter die op zeker moment de post in de woning is gaan ophalen. Voor zover eiseres bedoelt te betogen dat haar kwetsbare positie op zichzelf voldoende is voor de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is oordeelt de rechtbank dat dit betoog geen steun vindt in het recht.

9. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.


Proceskosten


10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”





4Beoordeling van het geschil


4.1.
Belanghebbende betoogt ook in hoger beroep dat de termijnoverschrijding in bezwaar haar niet kan worden verweten en dat deze verschoonbaar is op grond van artikel 6:11 Awb. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst belanghebbende erop dat zij de Nederlandse taal niet machtig is en dat zij ten gevolge van aangrijpende gebeurtenissen, namelijk de brand in haar woning op 22 maart 2020 en haar opname in het ziekenhuis op diezelfde datum, is verhuisd naar de woning van haar dochter. De post, waaronder de (navorderings)aanslagen, is echter steeds ontvangen op haar oude adres, alwaar belanghebbende vanwege de brand en haar verwondingen niet meer kon wonen. Aldus was zij niet tijdig op de hoogte van de (navorderings)aanslagen en kon zij tevens niet tijdig bezwaar maken, zo begrijpt het Hof belanghebbendes standpunt.



4.2.
De inspecteur meent dat de uitspraak van de rechtbank juist is. De omstandigheid dat de post, waaronder de (navorderings)aanslagen, op het oude adres van belanghebbende is ontvangen, levert zijns inziens geen verschoonbare termijnoverschrijding op.



4.3.
Het Hof sluit zich aan bij overwegingen 7 en 8 van de rechtbank en verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het Hof voegt hier nog het volgende aan toe.



4.4.
Belanghebbende stond tot 28 april 2021 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres [straat] te [gemeente] . Belanghebbende heeft na de brand op 22 maart 2020 geen adreswijziging, zoals het adres van haar dochter alwaar zij tijdelijk verbleef, doorgegeven. In het licht van de afwezigheid van een adreswijziging in het BRP was het aan belanghebbende om ervoor zorg te dragen dat de post ontvangen op dit adres haar wel (tijdig) kon bereiken. Hierbij kan worden gedacht aan het inschakelen van familie en of vrienden, zoals de dochter van belanghebbende, die de post op regelmatige basis hadden kunnen ophalen. Dergelijke maatregelen heeft belanghebbende echter achterwege gelaten en dit kan haar worden toegerekend. Het Hof acht voorts niet aannemelijk dat de psychische gesteldheid waarin belanghebbende destijds verkeerde dermate slecht was dat zij niet in staat kon worden geacht tot het (tijdig) treffen van voornoemde maatregelen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is daarom geen sprake.


Slotsom



4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.






5Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.





6Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.


De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, F.J.P.M. Haas en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 26 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.










De uitspraak is bij verhindering van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, mr. F.J.P.M. Haas.



Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Link naar deze uitspraak