Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2025:7323 
 
Datum uitspraak:20-11-2025
Datum gepubliceerd:07-01-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.344.643/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Eindbeschikking na tussenbeschikking Verlenging machtiging uithuisplaatsing en vaststellen definitieve zorgregeling.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof
200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799 en 200.349.272
zaaknummers rechtbank Gelderland
437111, 436973, 442606, 443765 en 442171


beschikking van 20 november 2025


inzake



[appellant]
,
wonende te [woonplaats1] ,

in zaaknummers 200.344.643, 200.348.920 en 200.348.799

verzoeker in hoger beroep,

in zaaknummers 200.348.794 en 200.349.272
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,

en



[verweerster]
,
wonende te [woonplaats1] ,

in zaaknummers 200.344.643, 200.348.920 en 200.349.272
verweerster in hoger beroep,

in zaaknummers 200.348.794 en 200.348.799

verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.M.E. Rietjens,

en

de gecertificeerde instelling,

Stichting Jeugdbescherming Gelderland

gevestigd te Arnhem,

in zaaknummers 200.344.643, 200.348.794, 200.348.920, 200.348.799 en 200.349.272
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.





1Het verloop van het geding in hoger beroep


1.1
Voor het verloop van het geding tot 11 maart 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.



1.2
Het verdere verloop blijkt uit:


een brief van 3 oktober 2025 van de GI met producties


een brief van 6 oktober 2025 van mr. Rietjens met producties


een bericht van 15 oktober 2025 van mr. Rietjens met een productie.





1.3
De mondelinge behandeling is op 16 oktober 2025 voortgezet. Deze vond tegelijkertijd plaats met de mondelinge behandeling in de zaken met de nummers 200.355.624 en 200.357.535 (waarop bij afzonderlijke beschikking zal worden beslist). Hierbij waren aanwezig:


de vader met zijn advocaat


twee vertegenwoordigers van de GI


de moeder met haar advocaat


een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad) als adviseur.








2De motivering van de beslissing


2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 11 maart 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.



2.2
Het gaat in deze procedure over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] , [minderjarige2] , [minderjarige3] en [minderjarige4 1] die tot 28 november 2025 loopt en over de zorgregeling tussen de ouders en de kinderen. In de tussenbeschikking heeft het hof een voorlopige zorgregeling vastgesteld. De beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en de zorgregeling is verder aangehouden in afwachting van het verloop van de zorgregeling, het verloop van de therapie van [minderjarige2] , [minderjarige3] en [minderjarige4 1] , de inzet van de therapie/ hulp aan [minderjarige1] en onderzoek bij/ hulp aan ouders.


Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




2.3
Het hof is van oordeel dat er gronden zijn voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderen hebben forse problematiek, die onder meer voortkomt uit de slechte relatie die de ouders met elkaar hadden, de gebrekkige opvoedvaardigheden van de ouders en de kind-eigen problematiek. In het verslag van de therapeut van [minderjarige1] staat dat er aanwijzingen zijn voor traumagerelateerde klachten, dat hij moeite heeft met het reguleren van zijn emoties en beperkt gebruik maakt van gezonde, effectieve strategieën om met boosheid, angst en verdriet om te gaan. Over [minderjarige2] , [minderjarige3] en [minderjarige4 1] schrijft de orthopedagoog-generalist dat bij alle drie de kinderen sterke aanwijzingen zijn voor hechtingsproblematiek en traumagerelateerde klachten. Er wordt gezien dat ze alle drie een verminderd vertrouwen hebben in de volwassenen om hen heen, zij lijken geleerd te hebben dat zij vooral goed voor zichzelf moeten zorgen omdat iemand anders dit niet doet.



Uit de verslagen van de gezinshuisouders lijkt het (nog) niet beter te gaan met de kinderen sinds zij uit huis zijn geplaatst De traumatherapie voor de jongste drie kinderen is nog niet gestart – ondanks dat de GI op de vorige mondelinge behandeling heeft gezegd dat in februari 2025 een intake zou zijn – en de GI lijkt de ouders weinig vooruitzicht te bieden. De zorgen die de ouders over de kinderen hebben en hun frustratie over de gang van zaken is in zoverre wel te begrijpen. Dat betekent naar het oordeel van het hof niet dat de kinderen op dit moment weer bij de moeder en/of de vader kunnen gaan wonen. Gezien de voorgeschiedenis tussen de ouders, de dynamiek waarin de kinderen met de ouders geruime tijd hebben geleefd en de trauma’s die de kinderen hebben, vindt het hof het – zoals de GI heeft aangevoerd – noodzakelijk dat eerst onderzocht wordt wat er voor nodig is om de kinderen weer thuis te laten wonen. Dat de relatie tussen de ouders al geruime tijd geleden is beëindigd, maakt het oordeel van het hof niet anders.
De moeder heeft inmiddels haar medewerking toegezegd aan het NIFP-onderzoek, zodat het hof ervan uitgaat dat na dit onderzoek duidelijk is wat de kinderen nodig hebben en wat de moeder hen kan bieden. De moeder heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat zij (tijdelijk) met haar partner en hun jongste kind [minderjarige5] bij haar schoonvader woont. Volgens de moeder zouden de kinderen ook bij haar in de woning van de schoonvader kunnen gaan wonen, maar het hof is van oordeel dat over de (woon)situatie van de schoonvader onvoldoende bekend is. Als dit een bestendige (woon)situatie van de moeder is, dan zou dat ook in het onderzoek moeten worden betrokken. De moeder heeft verder verteld dat zij bereid en in staat is om direct hulp (vanuit school, logopedie en fysiotherapie en ambulante hulpverlening) in te zetten als de kinderen weer bij haar wonen. Het hof vindt het goed dat de moeder laat zien dat zij hulp voor de kinderen wil, maar het hof vindt het noodzakelijk dat eerst vast komt te staan wat voor hulp de kinderen nodig hebben.
De vader heeft (nog) geen medewerking aan het NIFP-onderzoek gegeven. Op zichzelf is te begrijpen dat de vader, vanuit de zorgen en frustraties die spelen, heeft willen afwachten wat de uitkomst van deze procedures zou zijn. Het hof gaat ervan uit dat de vader, nu de beslissingen waarom is gevraagd in deze uitspraak worden gegeven, alsnog in het belang van de kinderen zal meewerken aan het onderzoek, zodat kan worden bepaald wat de kinderen nodig hebben en hoe dat het beste kan worden vormgegeven. Het hof vindt het noodzakelijk dat gedurende het NIFP-onderzoek de jongste kinderen in het gezinshuis blijven en [minderjarige1] op de groep. Het hof zal de beschikking van de rechtbank van 27 november 2024 (zaaknummers 200.348.799 en 200.349.272) over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in stand laten (bekrachtigen).


De zorgregeling




2.4
In de tussenbeschikking heeft het hof de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld:



de kinderen hebben elke week met één van de ouders (dus om en om) fysieke, begeleide omgang gedurende anderhalf uur;


waarna aansluitend een videobelmoment van maximaal een half uur mogelijk is met de andere ouder voor de kinderen die dat willen, gedurende in totaal maximaal een half uur waarbij voor de duur wordt aangesloten bij de behoefte van het betreffende kind;





2.5
Volgens de GI gaat het sinds de vaststelling van de voorlopige zorgregeling niet goed met de kinderen. De GI vraagt het hof in de brief van 3 oktober 2025 om de zorgregeling (tijdelijk) te verminderen naar eenmaal per maand per ouder. Volgens de GI is deze tijdelijke vermindering van de omgang noodzakelijk om de kinderen de ruimte te geven voor therapie en verwerking, en vormt daarmee de minst ingrijpende maatregel die het perspectief op duurzaam herstel waarborgt.



2.6
De vader en de moeder hebben aangevoerd dat dit (gewijzigde) verzoek in dit lopende hoger beroep niet aan het hof kan worden voorgelegd. De GI heeft namelijk ditzelfde verzoek in een andere procedure aan de rechtbank voorgelegd, waarna de rechtbank dit verzoek heeft afgewezen. Als de GI het hiermee niet eens was, dan had de GI tegen die beslissing los hoger beroep moeten instellen, aldus de vader en de moeder.
Anders dan de vader en de moeder is het hof van oordeel dat de GI de mogelijkheid heeft om in dit lopende hoger beroep het oorspronkelijke verzoek te wijzigen. Het oorspronkelijke verzoek van de GI bij de kinderrechter is gebaseerd op artikel 1:265g lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hierin staat dat bij een wijziging van omstandigheden de zorgregeling kan worden gewijzigd. Het hof is van oordeel dat dit artikel de ruimte geeft om, ook in hoger beroep, het verzoek aan te passen, zoals de GI heeft gedaan, ook omdat het hof bij de beslissing over de zorgregeling rekening moet houden met de meest recente omstandigheden. Het hof neemt daarom het gewijzigde verzoek van de GI mee in zijn beoordeling.



2.7
Het hof overweegt als volgt. Volgens de GI moet er een zorgregeling vastgesteld worden waarbij de kinderen eenmaal in de maand contact hebben met beide ouders in dezelfde week, voor de duur van twee uur, zodat er drie weken achtereenvolgens therapiesessies kunnen plaatsvinden zonder bezoeken, waarna in de vierde week een contactmoment met beide ouders kan worden ingeroosterd. De GI verwijst hiervoor naar brieven van de GGZ en van de orthopedagoog-generalist. Anders dan de GI is het hof van oordeel dat uit deze brieven niet blijkt dat de vermindering van de zorgregeling, zoals door de GI is verzocht, een voorwaarde is voor het starten van de traumatherapie. In de brief van 17 april 2025 van de GGZ staan twee voorwaarden voor het aanbieden van traumabehandeling, namelijk de expliciete toestemming van de ouders voor de behandeling en de vermindering van ontregelende factoren. In de aanvullende brief van de GGZ van 9 september 2025 schrijft de GGZ onder meer dat een periode van relatieve rust en voorspelbaarheid noodzakelijk is, waarin de kinderen niet wekelijks fors ontregelen. Ook staat er dat het vooralsnog minimaal nodig lijkt dat er telkens ten minste drie aaneengesloten weken wekelijks sessies plaatsvinden, waarbinnen hooguit eens per vier weken een ‘pauzeweek’ zonder therapie kan worden ingelast. Het hof is van oordeel dat hieruit niet expliciet blijkt dat het voor de traumabehandeling noodzakelijk is dat de zorgregeling in die mate wordt teruggebracht, zoals de GI verzoekt. Vermindering van de zorgregeling vindt het hof daarom niet aangewezen. Het hof weegt hierin mee dat uit de omgangsverslagen blijkt dat de zorgregeling tussen de ouders en de kinderen goed verloopt. Het hof vindt het belangrijk dat deze zorgregeling wordt gecontinueerd, ook omdat de kinderen daar nu aan gewend zijn. Deze regeling zal ook voor [minderjarige1] gelden, omdat het hof het niet in zijn belang vindt als er een andere regeling voor hem geldt als voor de andere drie kinderen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de ervaring van de gezinsouders, dat er rondom de zorgregeling onrust bij de kinderen te merken is. Bij de afweging van alle factoren kent het hof toch het meeste gewicht toe aan het belang bij de voortzetting van de (als voorlopig vastgestelde) zorgregeling, waaraan iedereen nu in enige mate gewend is. Dat betekent dat ook de verzoeken van de vader en de moeder om een meer uitgebreide zorgregeling met de kinderen te hebben, zullen worden afgewezen.



2.8
Het hof zal de beschikkingen van 4 juli 2024 en 14 november 2024 (zaaknummers 200.344.643, 200.348.794 en 200.348.920) vernietigen en de zorgregeling, zoals die voorlopig is vastgesteld in de tussenbeschikking van 11 maart 2025, als definitieve zorgregeling vaststellen.






3De beslissing

Het hof beschikkende in hoger beroep:


verlenging machtiging uithuisplaatsing (zaaknummers 200.348.799 en 200.349.272)


bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 27 november 2024;


zorgregeling (zaaknummers 200.344.643, 200.348.794 en 200.348.920)


vernietigt de beschikking van 4 juli 2024 van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, voor zover deze de beslissing over de omgangsregeling betreft;

vernietigt de beschikking van 14 november 2024 van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen; en

stelt de volgende zorgregeling vast:



de kinderen hebben elke week met één van de ouders (dus om en om) fysieke, begeleide omgang gedurende anderhalf uur;


waarna aansluitend een videobelmoment van maximaal een half uur mogelijk is met de andere ouder voor de kinderen die dat willen, gedurende in totaal maximaal een half uur waarbij voor de duur wordt aangesloten bij de behoefte van het betreffende kind; en



wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have, en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
Link naar deze uitspraak