|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2025:1901 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 07-01-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/652 PW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Intrekking en herziening van bijstand. Boete. Schending inlichtingenverplichting. Autohandel. Kasstortingen. Inkomsten. Geen vrijlating. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de voertuigen waar het hier om gaat uitsluitend waren bestemd voor eigen gebruik. Van een vergelijkbare situatie als in ECLI:NL:CRVB:2021:1208 is geen sprake. Zo sluiten o.m. de tenaamstellingen van appellant niet (bijna) naadloos op elkaar aan en zijn de voertuigen ook niet telkens verstrekt en ingenomen door hetzelfde bedrijf of dezelfde persoon. De kasstortingen zijn terecht als inkomsten, alleen al omdat appellanten niet met verifieerbare gegevens aannemelijk hebben gemaakt wat de herkomst daarvan is. De verklaring van de zoon dat het o.m. zo zou kunnen zijn dat de kasstortingen afkomstig zijn van geld dat hij heeft geleend van anderen om dat vervolgens op de bankrekening van zijn vader te storten, is daarvoor in ieder geval niet voldoende. Daarom wordt niet toegekomen aan de beoordeling of de door appellanten ontvangen bedragen moeten worden vrijgelaten. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | inkomstenbelasting | | | levensonderhoud | | | loonbelasting | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 29 februari 2024, 23/2068 (aangevallen uitspraak 1), en 23/6916 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 16 december 2025
SAMENVATTING
In deze zaken gaat het om besluiten van het dagelijks bestuur tot intrekking en herziening van de bijstand van appellanten over een twaalftal maanden, en tot oplegging van een boete aan appellanten. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door transacties met voertuigen en kasstortingen op hun bankrekening niet te melden. Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat de voertuigen waar het om gaat voor consumptief gebruik waren en het bij de kasstortingen gaat om vrij te laten giften. Net als de rechtbank geeft de Raad appellanten hierin geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. B.J.P. Toonen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 augustus 2025. Voor appellanten is mr. Toonen verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door L.S. Derks.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 9 juli 2014 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), ten tijde van het bestreden besluit naar de norm voor gehuwden met drie kostendelende medebewoners.
1.2.
Naar aanleiding van een melding dat appellant mogelijk inkomsten ontvangt, heeft een medewerker van het team handhaving van Werkzaak Rivierenland (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer bankafschriften opgevraagd bij appellanten en via Suwinet gegevens van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. De medewerker heeft op de door appellanten ingeleverde bankafschriften gezien dat in de periode van 25 januari 2021 tot en met 30 maart 2022 vijftien bedragen contant zijn gestort. Ook heeft de medewerker gezien dat in de periode van april 2021 tot en met juni 2022 de registratie van een aantal kentekens van voertuigen op naam van appellant is geëindigd. In verband daarmee heeft de medewerker appellanten om inlichtingen verzocht over onder meer de kasstortingen en de aan- en verkoop van voertuigen, gegevens opgevraagd bij Marktplaats, getuigen gehoord, op 31 maart 2022 en 26 juli 2022 gesprekken gevoerd met appellant en op 13 juli 2022 een gesprek gevoerd met een van zijn zoons. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 4 augustus 2022.
1.3.
Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 2 augustus 2022 de bijstand van appellanten ingetrokken over de maanden april, augustus, oktober en november 2021 en februari en juni 2022, en de bijstand herzien over de maanden januari, maart, mei en december 2021 en januari en maart 2022.
1.4.
Met een besluit van 29 maart 2023 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2022 gedeeltelijk gegrond verklaard, de intrekking van bijstand over de maanden oktober 2021 en februari 2022 herroepen en in plaats daarvan de bijstand over die maanden herzien. Aan bestreden besluit 1 is het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door bij het college geen melding te maken van transacties met voertuigen en kasstortingen. De voertuigen hadden een waarde hoger dan de voor appellanten geldende bijstandsnorm. Omdat zij geen bewijsstukken hebben aangeleverd over de opbrengsten van deze voertuigen gaat het dagelijks bestuur ervan uit dat appellanten in de maanden waarin de kentekenregistraties op naam van appellant zijn geëindigd inkomsten hebben verkregen. In de maanden april, augustus, november 2021 en juni 2022 inkomsten ter hoogte van ten minste de voor appellanten geldende bijstandsnorm. Over die maanden hebben appellanten geen recht op bijstand. In februari 2022 zijn de inkomsten uit de verkoop van een voertuig geraamd op € 400,-. Deze inkomsten zijn op de bijstand over die maand in mindering gebracht. De kasstortingen in de maanden januari, maart, mei, oktober, december 2021, en januari en maart 2022 zijn als inkomsten in mindering gebracht op de bijstand.
1.5.
Met een besluit van 7 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand over de in 1.3 genoemde maanden teruggevorderd tot een bedrag van € 8.626,16. Tegen dit besluit hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.
1.6.
Met een besluit van 6 juli 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 oktober 2023 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur een boete van € 722,98 aan appellanten opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee de intrekking en herziening van bijstand in stand gelaten (aangevallen uitspraak 1). De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard wegens strijd met artikel 10:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat besluit vernietigd en vervolgens de boete zelf vastgesteld op € 722,98 (aangevallen uitspraak 2).
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank de intrekking en herziening van bijstand terecht in stand heeft gelaten, en of de rechtbank de boete terecht heeft vastgesteld op € 722,98 aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking en herziening (aangevallen uitspraak 1)
4.1.
De intrekking en herziening van bijstand zijn voor de betrokkenen belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het dagelijks bestuur aannemelijk moet maken dat en in welk opzicht appellanten gedurende de te beoordelen periodes de op hen rustende inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de PW hebben geschonden.
Transacties met voertuigen
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de maanden april, augustus, november 2021 en februari en juni 2022, steeds de kentekenregistratie van één voertuig op naam van appellant is geëindigd. Evenmin is in geschil dat appellanten van deze transacties geen melding hebben gemaakt bij het dagelijks bestuur. Vast staat dat deze vijf kentekens tussen de anderhalf en iets meer dan vier maanden op naam van appellant hebben gestaan.
4.3.
Degene op wiens naam het kenteken van een voertuig bij de RDW geregistreerd staat of heeft gestaan is direct bij die registratie betrokken. Als een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode en dit het geval is bij verschillende voertuigen, dan is aannemelijk dat met die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Dit is vaste rechtspraak. Voor het recht op bijstand wordt als datum van de handelstransactie de datum beschouwd, waarop de kentekenregistratie op naam van appellant is geëindigd. Dat is de datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling. Dit is ook vaste rechtspraak.
4.4.
Appellanten hebben, kort weergegeven, aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat sprake is van consumptief (eigen) gebruik van de voertuigen en niet van autohandel. Zij beroepen zich in dat kader op een uitspraak van de Raad, waarin volgens appellanten sprake is van een vergelijkbare situatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de voertuigen waar het hier om gaat uitsluitend waren bestemd voor eigen gebruik. De enkele omstandigheid dat een auto gedurende een periode van een paar maanden op naam van appellant stond en hij zelf in de auto reed is daarvoor onvoldoende. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.
4.4.2.
Zoals de rechtbank heeft overwogen verschilt de situatie van appellanten op wezenlijke punten van de situatie die zich in bovengenoemde uitspraak van 25 mei 2021 heeft voorgedaan. Zo sloten in die situatie de tenaamstellingen van de voertuigen naadloos op elkaar aan, waren er geen aanwijzingen dat door de betrokkene aan de voertuigen werd gesleuteld, werden alle voertuigen ter beschikking gesteld en ingenomen door hetzelfde autobedrijf en stond vast dat de betrokkene door dat autobedrijf werd geholpen omdat zij een auto nodig had vanwege haar gezondheid. Een daarmee vergelijkbare situatie doet zich in het geval van appellanten niet voor. Dit wordt hierna toegelicht.
4.4.3.
De tenaamstellingen van appellant sluiten niet (bijna) naadloos op elkaar aan en de voertuigen zijn ook niet telkens verstrekt en ingenomen door hetzelfde bedrijf of dezelfde persoon. Verder is gebleken dat appellant voor advertenties voor auto’s heeft betaald aan Marktplaats en dat op Marktplaats is geadverteerd met voertuigen die op zijn naam geregistreerd waren. Zo is bijvoorbeeld een [auto merk] van appellant te koop aangeboden voor € 3.450,-. Door een van de getuigen is verklaard dat hij die specifieke auto in november 2021 heeft gekocht voor € 2.900,-. In dit geval zijn er bovendien aanwijzingen dat appellant heeft gesleuteld aan zijn auto’s. Dit volgt uit de verklaring van een getuige, die eigenaar is van een autobedrijf en een bekende van appellant, en die onder meer heeft verklaard dat appellant regelmatig langs kwam om zijn auto te poetsen of iets te repareren.
Kasstortingen
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de bankrekening van appellanten in de maanden januari, maart, mei, oktober, december 2021 en in januari en maart 2022 vijftien contante bedragen zijn gestort, variërend van € 50,- tot € 510,- en tot een totaalbedrag van € 3.580,-. Ook is niet in geschil dat appellanten van deze kasstortingen geen melding hebben gemaakt bij het dagelijks bestuur.
4.6.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat de kasstortingen geen inkomen zijn. De gestorte bedragen zijn contante giften van hun kinderen. Het dagelijks bestuur had toepassing moeten geven aan artikel 32, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW en de stortingen als vrij te laten giften moeten aanmerken. Appellanten wijzen in dit verband ook op recent beleid van het dagelijks bestuur over het vrijlaten van giften. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.6.1.
Bedragen die contant zijn gestort op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan Dit is vaste rechtspraak. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen.
4.6.2.
Appellanten zijn hierin niet geslaagd, alleen al omdat zij niet met verifieerbare gegevens aannemelijk hebben gemaakt wat de herkomst is van de contante bedragen die op hun bankrekening zijn gestort. De verklaring van een zoon van appellanten dat het zo zou kunnen zijn dat de kasstortingen afkomstig zijn van geld dat hij heeft geleend van anderen om dat vervolgens op de bankrekening van zijn vader te storten, of dat het door het gezin gespaard contant geld is, is daarvoor in ieder geval niet voldoende. Alleen al om die reden wordt niet toegekomen aan de beoordeling of de door appellanten ontvangen bedragen met toepassing van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW moeten worden vrijgelaten.
Boete (aangevallen uitspraak 2)
4.7.
Het dagelijks bestuur heeft voor de intrekking en herziening aannemelijk gemaakt dat appellanten in de te beoordelen maanden de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van transacties met voertuigen en kasstortingen. Dit volgt uit 4.2 tot en met 4.6.2. Maar dit betekent niet dat ook bij de beoordeling van de opgelegde boete er zonder meer van kan worden uitgegaan dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Als zij in de procedure over de boete bestrijden dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden, dan moet de bestuursrechter daarover een zelfstandig oordeel geven. Dit is vaste rechtspraak. Bij het opleggen van een boete moet de bijstandverlenende instantie namelijk aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden om een boete te kunnen opleggen, waaronder de schending van de inlichtingenverplichting. Deze bewijslast is zwaarder dan die bij de intrekking of herziening.
4.8.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden en dat de rechtbank daarover ten onrechte geen zelfstandig oordeel heeft gegeven voor de boete. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.8.1.
Uit aangevallen uitspraak 2 kan worden opgemaakt dat de rechtbank een zelfstandig oordeel over schending van de inlichtingenverplichting heeft gegeven, alleen al omdat de rechtbank de in 4.7 bedoelde vaste rechtspraak op dit punt heeft benoemd en vervolgens heeft geoordeeld dat in welk op zicht appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat hen daarvan een verwijt valt te maken.
4.8.2.
Uit 4.2 tot en met 4.6.2 volgt dat het dagelijks bestuur heeft aangetoond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de autotransacties en kasstortingen. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het dagelijks bestuur was daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen. Daarbij is terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. De door de rechtbank opgelegde boete van € 722,98 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige gebleken omstandigheden.
Conclusie en gevolgen
4.9.
De hoger beroepen slagen niet. Aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd en aangevallen uitspraak 2 wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat zowel de intrekking en herziening van bijstand als de opgelegde boete in stand blijven.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt aangevallen uitspraak 1;
bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en A.M. Overbeeke en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van S. van Pelt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) W.F. Claessens
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 18a, eerste lid, eerste zin
Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, tweede lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 18a, tweede lid
In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of 36b, tweede lid, of de verplichtingen bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie wek en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.
Artikel 31, eerste lid, eerste zin
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m
Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend giften (…) voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.
Artikel 32, aanhef en onder a en b
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen en voor zover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten 1 januari 2017
Artikel 2, eerste lid
Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
Artikel 2, vierde lid
Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306.
De uitspraak van 25 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1208.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:841.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|