|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2025:1886 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 07-01-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 24/2017 PW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Afwijzing herzieningsverzoek. Afwijzing aanvragen. Bijzondere bijstand voor kosten financieel adviseur en dierenarts. Herzieningsverzoek was laattijdig bezwaarschrift. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Voorliggende voorzieningen. Algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Met partijen is ter zitting vastgesteld dat de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de beroepsgrond dat de brief van 16 december 2022 had moeten worden opgevat als een verschoonbaar te laat ingediend bezwaarschrift. Dit is in strijd met art. 8:69 lid 1 Awb. De enkele stelling dat appellante een autismestoornis heeft, maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is aangezien niet duidelijk is of en in hoeverre dit voor haar beperkingen met zich brengt om tijdig een bezwaarschrift in te kunnen dienen. De Raad zal het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk verklaren. | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | inkomstenbelasting | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 juli 2024, 23/2029, 23/3385 en 24/940 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)
Datum uitspraak: 9 december 2025
SAMENVATTING
Deze zaken gaan over een afwijzing van een verzoek een eerdere afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand te heroverwegen, een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een financieel adviseur en een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor dierenartskosten. Het verzoek tot heroverweging heeft het college opgevat als een verzoek om herziening. Dat verzoek heeft het college afgewezen omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De bijzondere bijstand voor de kosten van de financieel adviseur heeft het college afgewezen omdat sprake is van meerdere voorliggende voorzieningen. Het verzoek om bijzondere bijstand voor de dierenartskosten is afgewezen omdat dit algemene kosten van het bestaan betreft die appellante vanuit de bijstand moet voldoen. Appellante voert in hoger beroep aan dat het college het verzoek tot heroverweging had moeten opvatten als een te laat ingediend bezwaarschrift en niet als een verzoek om herziening. Appellante krijgt op dit punt gelijk. In zoverre slaagt het hoger beroep. Dit leidt echter niet tot toekenning van de bijstand. Het bezwaarschrift is te laat ingediend. Het bezwaar wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat de voorliggende voorzieningen voor haar niet passend en toereikend zijn en dat er een medische of psychosociale indicatie was voor het houden van de hond. Op deze punten krijgt appellante geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. Remport Urban, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 september 2025. Voor appellante zijn mr. Remport Urban en M.H.M. Frenken-Ras verschenen. Het college heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. B.H.G. Dautzenberg en A. Horijon.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 22 april 2013 bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 12 september 2022, 19 september 2022 en 22 september 2022 heeft appellante aanvragen op grond van de PW ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van medische behandelingen van haar hond, in totaal tot een bedrag van € 1.599,45. Met een besluit van 6 oktober 2022 heeft het college de aanvragen afgewezen omdat de kosten ten tijde van de aanvragen al waren voldaan. De kosten behoren bovendien tot de algemene kosten van het bestaan. Deze kosten moeten in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau worden voldaan. Niet is gebleken dat de hond van appellante een hulphond is, die zij in verband met een medische of psychosociale indicatie nodig heeft, en dat daardoor sprake is van noodzakelijke meerkosten.
1.2.
Met een brief van 16 december 2022 heeft appellante het college gevraagd het besluit van 6 oktober 2022 te heroverwegen. Appellante wijst er in de brief – voor zover hier van belang – op dat het college haar verzoek tot toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van de dierenarts heeft afgewezen met als reden het ontbreken van de noodzaak. Het college ziet de hond slechts als huisdier en erkent de noodzaak niet, ondanks het medisch advies dat appellante heeft overgelegd, waarin een onderbouwing wordt gegeven van haar autisme. Appellante benoemt in de brief ook dat zij de kosten niet uit haar inkomen kan voldoen. De kosten zijn gestegen en appellante heeft geld moeten lenen omdat zij niet uitkomt. Het college heeft deze brief opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van 6 oktober 2022.
1.3.
Met een besluit van 31 januari 2023 (besluit 1), gehandhaafd met een besluit op bezwaar van 21 juli 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college het verzoek om herziening afgewezen. Het college legt aan deze besluitvorming ten grondslag dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
1.4.
Op 23 april 2023 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een financieel adviseur tot een bedrag van € 85,- in verband met ondersteuning bij het doen van de aangifte inkomstenbelasting.
1.5.
Met een besluit van 26 april 2023 (besluit 2), gehandhaafd met een besluit op bezwaar van 3 oktober 2023 (bestreden besluit 2), heeft het college het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van een financieel adviseur afgewezen. Het college legt aan deze besluitvorming ten grondslag dat sprake is van meerdere passende en toereikende voorliggende voorzieningen in de zin van artikel 15 van de PW.
1.6.
Op 10 augustus 2023 heeft appellante opnieuw een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor dierenartskosten voor haar hond, nu tot een bedrag van € 329,80. Met een besluit van 7 september 2023 (besluit 3) heeft het college deze aanvraag afgewezen omdat de kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan. Niet is gebleken dat sprake is van een hulphond die appellante in verband met een medische of sociale indicatie nodig heeft en dat er sprake is van noodzakelijke meerkosten. Tegen besluit 3 heeft appellante rechtstreeks beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 en tegen besluit 3 ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluit 1 en 2 en besluit 3 in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten 1 en 2, over de afwijzing van een verzoek om herziening en de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een financieel adviseur, en besluit 3, over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor dierenartskosten, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Verzoek om heroverweging
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft namelijk de beroepsgrond dat de brief van 16 december 2022 had moeten worden opgevat als een verschoonbaar te laat ingediend bezwaarschrift onbesproken gelaten. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende van belang.
4.1.1.
Met partijen is ter zitting vastgesteld dat de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de hiervoor onder 4.1 weergegeven en in eerste aanleg uitdrukkelijk aangevoerde en met redenen omklede beroepsgrond. Het onbesproken laten van deze beroepsgrond is in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak zal daarom in zoverre worden vernietigd. De Raad zal bezien welk gevolg hieraan moet worden verbonden en in dat kader deze onbesproken beroepsgrond alsnog beoordelen.
4.1.2.
Appellante heeft in de brief van 16 december 2022, met als onderwerp onder meer “verzoek heroverweging besluit op aanvraag bijzondere bijstand” inhoudelijke gronden aangevoerd op grond waarvan zij het niet eens is met de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de dierenartskosten. Wat zij in de brief aanvoert komt er op neer dat de hond voor haar noodzakelijk is, dat het college in dit verband ten onrechte is voorbijgegaan aan de door haar overgelegde rapportage – waarin een onderbouwing wordt gegeven van haar autisme – en ook dat zij de toegenomen kosten, anders dan waarvan het college uitgaat, niet uit haar inkomen kan voldoen. Als het college na lezing van de brief twijfelde of appellante bezwaar wilde maken, dan wel verzocht om herziening van het besluit van 6 oktober 2022, had het college navraag moeten doen bij appellante. Dat heeft het college ten onrechte niet gedaan. Had het college dat gedaan, dan zou zijn gebleken dat appellante beoogde bezwaar te maken. De brief van 16 december 2022 is een bezwaarschrift.
4.1.3.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, als de brief van 16 december 2022 een bezwaarschrift is, dit bezwaarschrift te laat is ingediend en niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad zal daarom de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift beoordelen. Niet in geschil is dat de brief van 16 december 2022 buiten de bezwaartermijn is ingediend. Ter beoordeling ligt vervolgens voor of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Appellante heeft in dat kader namelijk aangevoerd dat het voor haar, vanwege haar autismestoornis, niet mogelijk is om voor zichzelf op te komen. Om die reden kon zij niet tijdig het bezwaarschrift indienen.
4.1.4.
In zijn uitspraken van 8 mei 2024 heeft de Raad uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, toegespitst op de zaken van de Raad.
4.1.5.
De hiervoor bedoelde uitgangspunten houden onder meer in dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding – in het geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen – een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering wordt gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen. Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan. Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld.
4.1.6.
De enkele stelling dat appellante een autismestoornis heeft, maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Weliswaar is niet in geschil dat appellante een autismestoornis heeft, maar niet duidelijk is of en in hoeverre dit voor haar beperkingen met zich brengt om tijdig een bezwaarschrift in te kunnen dienen. In het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden die er op duiden dat appellante beperkt was in haar mogelijkheden om dat te doen.
4.2.
Uit 4.1.2 volgt dat bestreden besluit 1 wegens strijd met de wet moet worden vernietigd. Omdat de brief van 16 december 2022 geen verzoek om herziening, maar een bezwaarschrift is, zal het besluit van 31 januari 2023 op het verzoek om herziening worden herroepen. Het college had de brief van 16 december 2022 als een bezwaarschrift in behandeling moeten nemen. Dit bezwaar is te laat ingediend en uit 4.1.6 volgt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De Raad zal het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2022 om die reden niet-ontvankelijk verklaren.
Bijzondere bijstand voor de kosten van een financieel adviseur
4.3.
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gelet op haar aard en doel wordt geacht voor de betrokkene passend en toereikend te zijn. Dat volgt uit artikel 15, eerste lid, van de PW. De aanvrager van bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW.
4.4.
Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante voor ondersteuning bij het doen van een aangifte inkomstenbelasting terecht kon bij Sociale Raadslieden, de Belastingdienst of Punt Welzijn. Appellante heeft aangevoerd dat dit voor haar geen passende en toereikende voorliggende voorzieningen zijn. Het geeft haar teveel prikkels en stress om gebruik te maken van de voorliggende voorzieningen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.4.1.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van passende en toereikende voorliggende voorzieningen. Of een voorziening gezien haar aard en doel, passend en toereikend is, is afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden van het individuele geval, en wordt mede bepaald door wat naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar wordt geacht. Niet in geschil is dat Sociale Raadslieden, de Belastingdienst en Punt Welzijn, net als de door appellante beoogde financieel adviseur, die ook financieel adviseur is van de ouders van appellante, ondersteuning kunnen bieden bij het doen van een aangifte inkomstenbelasting en ook niet in geschil is dat appellante daarop een beroep kon doen. Appellante heeft met de enkele verwijzing naar haar autismestoornis niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde voorliggende voorzieningen in haar geval niet passend en toereikend zijn. Zo valt zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet in te zien dat appellante zich met behulp van haar ouders wel zou kunnen wenden tot de financieel adviseur van haar ouders, maar niet tot Sociale Raadslieden, de Belastingdienst of Punt Welzijn.
Bijzondere bijstand voor dierenartskosten
4.5.
Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat er een medische of psychosociale indicatie aanwezig is voor het houden van haar hond, waardoor de kosten niet uit haar inkomen hoeven te worden voldaan. Zij voert aan dat zij de medische of psychosociale indicatie heeft aangetoond aan de hand van de toelichtingen tijdens zittingen en met diverse bewijsstukken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.5.1.
Niet in geschil is dat de hond van appellante, die zij inmiddels heeft moeten laten inslapen, geen hulphond was. De hond is er destijds gekomen vanuit een wens van appellante en niet omdat de hond medisch of psychosociaal geïndiceerd was. In de door appellante overgelegde brief van X, verpleegkundig specialist GGZ, van 29 september 2022, schrijft X weliswaar dat appellante baat had bij de hond, omdat deze zorgde voor emotionele rust, ritme, structuur en ook dat appellante meer naar buiten ging, maar daarmee heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een medische of psychosociale indicatie voor het houden van de hond. Daarover heeft X, die geen arts is, zich niet uitgelaten. Dat de hond een positief effect had op het algehele welzijn en welbevinden van appellante is onvoldoende om aannemelijk te achten dat er een medische of psychosociale indicatie was voor het houden van de hond. Kosten die verband houden met het bezit van een hond als huis- of gezelschapsdier – waaronder kosten van de dierenarts – behoren tot de algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Anders dan appellante aanvoert, zag haar aanvraag op dergelijke algemeen noodzakelijke bestaanskosten.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt voor zover dat ziet op bestreden besluit 1. De aangevallen uitspraak wordt in zoverre vernietigd. De Raad verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond, vernietigt dat besluit, herroept het besluit van 31 januari 2023 en verklaart het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2022 niet-ontvankelijk. De aangevallen uitspraak wordt voor het overige bevestigd. Dit betekent dat de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van een financieel adviseur en dierenartskosten in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt, krijgt appellante, omdat pas in hoger beroep sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, een vergoeding voor de kosten die zij in hoger beroep heeft gemaakt voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De proceskosten worden begroot op € 1.814,- (2 punten voor het indienen van het hoger beroepschrift en het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907,- per punt). Appellante krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 21 juli
2023 ongegrond is verklaard;
verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2023 gegrond en vernietigt dat besluit;
herroept het besluit van 31 januari 2023;
verklaart het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2022 niet-ontvankelijk;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.814,-;
bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) L. van Beelen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Participatiewet
Artikel 15, eerste lid
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
ECLI:NL:CRVB:2024:932, ECLI:NL:CRVB:2024:935 en ECLI:NL:CRVB:2024:972.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2010: ECLI:NL:CRVB:2010:BN3307.
Kamerstukken II, 2002-2003, 28870, nr.3, p. 46. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|