Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2025:11357 
 
Datum uitspraak:17-12-2025
Datum gepubliceerd:07-01-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:11913382 HA VERZ 25-154
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een zieke werkneemster. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en, hoewel niet gebleken is dat er geen verband is tussen de ontbindingsgrond en de ziekte, er wel sprake is van omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst (ook) in het belang van de werkneemster behoort te eindigen. Aan de werkneemster wordt naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
Trefwoorden:arbeidsconflict
arbeidsovereenkomst
levensonderhoud
minimumloon
uitkering
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
GELDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer / rekestnummer: 11913382 \ HA VERZ 25-154


Beschikking van 17 december 2025


in de zaak van



[verzoeker]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
zelfstandig procederend,

tegen



[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. E.F.J. van West (FNV RVH-(Regio)).




De zaak in het kort


In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een zieke werkneemster. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en, hoewel niet gebleken is dat er geen verband is tussen de ontbindingsgrond en de ziekte, er wel sprake is van omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst (ook) in het belang van de werkneemster behoort te eindigen. Aan de werkneemster wordt naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift, met een tegenverzoek;
- de aanvulling op het verzoekschrift aan de zijde van [verzoeker] van 14 november 2025.



1.2.
De zaak is behandeld op 18 november 2025. Namens [verzoeker] zijn verschenen

[naam 1] en [naam 2] . [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Van West. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.



1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 11 juni 2021 in dienst bij [verzoeker] , inmiddels voor onbepaalde tijd. De functie van [verweerder] is CE-chauffeur.



2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de collectieve arbeidsovereenkomst voor het
Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao) van toepassing.



2.3.
Op 12 december 2023 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.



2.4.
Het huidige salaris van [verweerder] (tijdens ziekte) bedraagt € 3.114,07 bruto per periode van vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.



2.5.
Medio februari 2024 heeft de bedrijfsarts [verweerder] weer belastbaar geacht voor het verrichten van aangepaste werkzaamheden. [verweerder] is weer werkzaamheden gaan verrichten, maar heeft zich op 15 maart 2024 weer volledig ziekgemeld.



2.6.
FNV heeft [verzoeker] op 26 maart 2024 en 5 april 2024 namens [verweerder] aangeschreven en verzocht om tot uitbetaling van het salaris periode 2 van 2024 (week 5 tot en met 8) over te gaan.



2.7.
De bedrijfsarts heeft in zijn advies van 5 april 2024 onder meer geschreven:


(…) Arbeidsgeschiktheid: Betrokkene ervaart terugval na overbelasting en de relatie met


werkgever is verder verslechterd.


Prognose: Goed.


Re-integratiedoel: Ik adviseer gezien het beloop de re-integratie te stoppen ter


voorkoming van langer verzuim.


Benutbare mogelijkheden: Ik adviseer haar tot 30 april 2024 rust te nemen en met FNV conform STECR arbeidsconflicten tot een passende oplossing te komen.(…)




2.8.

[verzoeker] heeft op 22 april 2024 naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts de volgende e-mail gestuurd aan FNV:


Om een voorspoedig herstel van mevrouw [verweerder] te kunnen bevorderen willen wij vanuit het advies van de bedrijfsarts om tot beëindiging arbeidsovereenkomst met werknemer te komen het volgende aanbieden;


(…)


Graag vernemen wij zo spoedig mogelijk of we met dit voorstel in een passende oplossing voorzien en of wij conform bovenstaande afspraken een vaststellingsovereenkomst kunnen opstellen.


Wanneer wij voor 26 april as. geen inhoudelijke reactie hebben ontvangen zal mw. [verweerder] dinsdag 30 april geacht worden de auto bij ons in [vestigingsplaats] in te leveren en


met ons in gesprek te gaan om nieuwe afspraken te maken.


In reactie hierop heeft FNV op 25 april 2025 onder meer geschreven:


Het concrete beëindigingsvoorstel is bij mevrouw [verweerder] neergelegd.


(…)


Mevrouw [verweerder] acht het niet realistisch - nadat zij hierover met behandelend sector overleg heeft gepleegd - dat zij binnen 1 maand volledig hersteld zal zijn. Volledig herstel is noodzakelijk in verband met het oog op de UWV-voorwaarden om aanspraak te maken op een WW-uitkering mocht op de einddatum geen andere werkkring zijn gevonden. Zowel mijn collega -zij heeft dit telefonisch onder uw aandacht gebracht- als ik heb u hierop gewezen. U volgt het advies van de bedrijfsarts maar er wordt voorbijgegaan aan de juridische consequenties zodat ik het advies van de bedrijfsarts ook kwalijk vind. Immers, de arbodienst wekt de indruk dat in een beëindiging van het dienstverband de oplossing ligt, echter dat is niet - althans niet op korte termijn - aan de orde.


(…)


Tot slot, mevrouw [verweerder] heeft de afgelopen jaren steeds elke 4 weken loon ontvangen. Nu zij is ziekgemeld ontvangt zij haar periodeloon niet tijdig. Het kan niet zo zijn dat het loon van zieke werknemers een ander betaalmoment kent, dat onderscheid dient niet te worden gemaakt. Mevrouw [verweerder] heeft het loon over de laatste periode nog niet mogen ontvangen. Dit heeft financiële gevolgen en zorgt voor extra stress en dat is i.c. een


zeer ongewenste situatie.(…)





2.9.
FNV heeft op 6 mei 2024 aan [verzoeker] laten weten dat [verweerder] vanwege haar medische situatie geen mogelijkheden ziet om op korte termijn medewerking te verlenen aan een mogelijke beëindiging van het dienstverband. Daarnaast heeft FNV [verzoeker] gesommeerd het achterstallig loon te betalen en te kennen gegeven dat [verweerder] vanwege financiële problemen (geen geld voor benzine en OV-kosten) niet in staat was de bedrijfsauto in te leveren.



2.10.
Op 7 mei 2024 heeft FNV aan [verzoeker] de volgende e-mail gestuurd:


(…) Het loon is opeisbaar en is verschuldigd aan cliënte. De loonbetaling kan en mag niet afhankelijk worden gesteld van een verplichting om medewerking te verlenen aan een vaststellingsovereenkomst. Het keer op keer cliënte - die zich ziek heeft gemeld- trachten te dwingen een regeling te treffen tot beëindiging van het dienstverband in plaats van de focus op herstel en het re-integratietraject te leggen is aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen door [verzoeker] .


De in mijn mail van 6 mei gestelde termijn blijft dan ook gehandhaafd.


(…)


De weigering het loon (tijdig) te betalen terwijl het op 18 april jl. opeisbaar is geworden heeft voor grote financiële problemen bij cliënte gezorgd. Zij is niet in staat om de auto van de zaak in te leveren, dit is door [verzoeker] onmogelijk gemaakt. [verzoeker] kan de auto van de zaak bij het woonadres van cliënte ophalen waarbij nadrukkelijk geen toestemming wordt gegeven enige kosten met het loon dan wel andere emolumenten van cliënte verrekenen. Mogelijke kosten komen volledig voor rekening van [verzoeker] .




2.11.

[verzoeker] heeft hierop als volgt gereageerd:


U geeft aan dat wij de auto kunnen komen ophalen. Ik stel voor dat wij maandag om 12:00 bij het huisadres van mevrouw [verweerder] (…) langs komen waarbij zij dan de sleutel overhandigt. (…)



Wij zullen vandaag het nettoloon overmaken.



Graag zou ik met u een volgende stap willen zetten en beginnen te spreken over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. Eventueel kom ik naar uw kantoor toe om de zaak nader te bespreken (u bent uiteraard ook bij ons van harte welkom).




2.12.
Op 17 mei 2024 heeft [verweerder] afwijzend gereageerd op het voorstel van [verzoeker] om een vaststellingsovereenkomst te sluiten.



2.13.
Op 21 mei 2024 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om gezien de arbeidsverhouding tussen partijen te oriënteren op een spoor 2-traject.



2.14.

[verzoeker] heeft vervolgens conform dat advies op 23 mei 2024 een e-mail aan FNV gestuurd en voorgesteld om een 2e spoor-consulent in te schakelen. Op 28 mei 2024 heeft [verzoeker] nog een e-mail gestuurd waarin zij te kennen heeft gegeven dat zij nog in afwachting is van een reactie op haar e-mail van 23 mei. Verder heeft zij geschreven:


(…) Graag willen wij conform wet poortwachter en advies bedrijfsarts het 2e spoortraject gaan opstarten.


Hiervoor hebben wij onze consulent opdracht gegeven om contact op te nemen met medewerker om een afspraak met haar te plannen voor een bezoek.


Graag ontvangen wij zo spoedig mogelijk uw reactie om dit in gang te zetten.




2.15.
FNV heeft daarop laten weten dat [verweerder] tot en met 3 juni 2024 verlof heeft en daarna zal reageren. Op 4 juni 2024 heeft FNV aan [verzoeker] laten weten dat [verweerder] openstaat voor een oriënterend gesprek omtrent spoor 2 en voorafgaand aan dat gesprek graag informatie over wat zij van een dergelijk gesprek kan en mag verwachten wil ontvangen.



2.16.
Daarop heeft [verzoeker] op 14 juni 2024 [verweerder] en haar gemachtigde uitgenodigd voor een gesprek “om door te spreken waar we nu staan”. Op 18 juni 2024 heeft [verzoeker] [verweerder] per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 20 juni 2024 over het 2e spoor traject. Hierop is geen reactie gekomen van [verweerder] . [verzoeker] heeft vervolgens op 19 juni 2024 een e-mail aan FNV gestuurd waarin zij te kennen heeft gegeven dat, indien op 20 juni 2024 geen reactie van [verweerder] zelf of haar gemachtigde komt, [verzoeker] dat op zal vatten als niet meewerken aan re-integratie en zij eventueel de loonbetaling zal staken.
FNV heeft hierop op 20 juni 2024 gereageerd en onder meer geschreven:


Eind mei heeft u verzocht te bevestigen dat de vervolgstap op basis van het schriftelijke advies van de bedrijfsarts, het opstarten van het 2de spoortraject, doorgang kon vinden. U schreef een consulent opdracht te hebben gegeven om contact op te nemen met mevrouw [verweerder] om een afspraak in te plannen. Namens mevrouw [verweerder] heeft mijn collega, mevrouw [naam 3] , aangegeven dat men openstond voor een oriënterend gesprek.


Nu wenst [verzoeker] voordat dat traject wordt opgestart een gesprek te laten plaatsvinden omtrent waar partijen staan. Onduidelijk waarom [verzoeker] geen concrete stappen in dat traject heeft gezet.



Mevrouw [verweerder] is zich bewust van haar verplichtingen vanuit het re-integratietraject. Van het verzaken van een evt. verplichting is geen sprake. De medische situatie van mevrouw is verslechterd en zij voelt zich niet in staat om op korte termijn in gesprek te gaan.


Voor zover er twijfels zijn over haar medische gesteldheid dan ziet zij graag een uitnodiging voor een consult bij de bedrijfsarts tegemoet zodat hij haar gesteldheid kan beoordelen.(…)




2.17.
De bedrijfsarts heeft [verzoeker] op 8 augustus 2024 geadviseerd het contact met [verweerder] via haar contactpersoon van FNV te laten plaatsvinden gezien de spanning die [verweerder] ervaarde met [verzoeker] en om spoor 2 te starten of “alsnog tot een passende oplossing te komen”.



2.18.
Op 5 september 2024 heeft [verzoeker] aan FNV de volgende e-mail gestuurd:


Hierbij bevestig ik ons gesprek waarbij ik aangaf dat er bij ons bedrijf een vacature is ontstaan voor licht administratieve werkzaamheden. Deze werkzaamheden bestaan uit opruimen en archiveren van vrachtbrieven en andere documenten, cycle-counting en het verwerken van gegevens op de administratie. Deze werkzaamheden


zullen worden verricht onder supervisie van een medewerker van de afdeling planning, een warehousemedewerker of een medewerker van de boekhouding.



Gaarne nodigen wij mw [verweerder] uit voor deze werkzaamheden. U bespreekt dit met haar en wij spraken af dat wij hier dinsdag 10 september om 15:00 uur telefonisch contact met elkaar over hebben.




2.19.

[verzoeker] heeft op 4 oktober 2024 een e-mail aan FNV gestuurd, waarin zij onder meer heeft geschreven:


(…) Afgelopen week heeft onze Arbodienst contact gehad met mevrouw [verweerder] . Uit dit gesprek kwam naar voren dat mevrouw [verweerder] geen contact met ons wil en dat herstel pas mogelijk is als de verhouding met Transportbedrijf [verzoeker] 'genormaliseerd' is. Als er iets is wat de goede relatie in de weg staat dan willen wij de graag oplossen. Wij zouden dan ook graag een mediation willen voorstellen. Dit zou wat ons betreft met een mediator kunnen maar ook in een gesprek op 'neutraal' terrein of bij u of ons op kantoor.



Wij hebben nogmaals de functiemogelijkheden-lijst, welke recentelijk door de bedrijfsarts is opgesteld, bestudeerd. Hieruit concluderen wij dat er een vacature is bij ons bedrijf welke prima aansluit bij de lijst waardoor een 2e spoor traject niet nodig is aangezien wij een passende functie intern hebben.(…)


FNV heeft hierop op 15 oktober 2024 gereageerd en - kort gezegd - te kennen gegeven dat [verweerder] na het advies van de bedrijfsarts van 8 augustus 2024 geen contact met de arbodienst heeft gehad, maar wel met een mediator en dat zij het laatste advies van de bedrijfsarts wenste op te volgen en wilde oriënteren op spoor 2.



2.20.
Op 4 november 2024 heeft FNV de volgende e-mail gestuurd aan [verzoeker] :


Vanmiddag hebben wij elkaar telefonisch gesproken. Ik informeerde bij u waarom het loon van mevrouw [verweerder] van de maand oktober nog niet is overgemaakt en wanneer dat zou gebeuren. Daarop gaf u aan dat u graag eerst in gesprek zou willen met mevrouw [verweerder] . Daarop heb ik aangegeven dat er een advies ligt van de bedrijfsarts dat NIET wordt opgevolgd. Mijn vraag waarom het advies van de bedrijfsarts niet wordt opgevolgd werd niet beantwoord. De reden; wij willen graag eerst in gesprek met mevrouw [verweerder] , snijdt immers geen hout.



Ik wijs u er nogmaals op dat het loon achterhouden omdat u niet in gesprek komt met mevrouw [verweerder] een vorm van chantage is. Cliënte heeft inkomen nodig om te kunnen voorzien in haar levensonderhoud. Helaas heeft u daar maling aan.



U gaf tevens wederom aan dat u een interne passende functie heeft voor mevrouw [verweerder] en dat u daarover in gesprek wil. Ik heb u wederom aangegeven dat dat NIET het advies is van bedrijfsarts. Het advies van de bedrijfsarts is spoor 2 opstarten in oriëntatie. Het advies is niet om intern voor mevrouw [verweerder] een passende functie te vinden. Daarnaast wijs ik u er ook op dat de instelling en houding van [verzoeker] - door onder andere het salaris onterecht in te houden - ertoe leidt dat het herstel van mevrouw [verweerder] stagneert.(…)




2.21.
FNV heeft vervolgens op 15 november 2024 de volgende e-mail aan [verzoeker] gestuurd:


(…) U blijft weigerachtig om mevrouw [verweerder] het aan haar toekomende loon over de maand oktober 2024 te betalen. Ondanks het advies van de bedrijfsarts blijft u aansturen op re-integratie in het eerste spoor. Bovendien schort u het loon van cliënte op zonder dat u voldoet aan de voorwaarden die in de wet aan een loonopschorting gesteld worden. Om die reden ziet cliënte zich genoodzaakt u in rechte te betrekken.



Indien cliënte niet uiterlijk dinsdag 19 november 2024 om 11:00 uur kan beschikken over haar achterstallig loon, dan zal ik de rechtbank verzoeken op zo kort mogelijke termijn een kort geding zitting in te plannen.(…)




2.22.
In reactie op bovenstaande e-mail heeft [verzoeker] op 20 november 2024 geschreven:


In aanvulling op mijn mail van maandag deel ik u mede dat wij per omgaande het loon van mw. [verweerder] willen betalen. Wat wij dan wel willen is een afspraak voor een gesprek uiterlijk 28 november. Een gesprek waar, naast mw [verweerder] , u of een van uw collega’s bij aanwezig is.



Het zou voor beide partijen een hoop tijd, energie en ergernis schelen als we gezamenlijk en met open vizier om tafel zouden kunnen zitten en kunnen komen tot een oplossing.




2.23.
Op 22 november 2024 heeft de bedrijfsarts in zijn advies onder meer geschreven:


Arbeidsgeschiktheid: Betrokkene ervaart nog steeds een verstoorde arbeidsverhouding. Zij wil met werkgever tot een passende oplossing komen. Zij heeft ondersteuning van de FNV. Ik adviseer tot een oplossing te komen en anders een mediator in te schakelen ter ondersteuning.



Prognose: Zij kan m.i. met werkgever tot een passende oplossing komen.



Re-integratiedoel: Hervatting bij een andere werkgever. Terugkeer bij eigen


werkgever is af te raden.(…)


Diezelfde dag heeft [verzoeker] de volgende e-mail aan FNV gestuurd:


Zojuist ontvingen wij het verslag van de bedrijfsarts naar aanleiding van het bezoek van mw. [verweerder] vandaag aan de bedrijfsarts.



De bedrijfsarts schrijft dat mw. [verweerder] een verstoorde arbeidsverhouding ervaart en met ons wil komen tot een passende oplossing. Wij willen ook komen tot een passende oplossing. Graag verneem ik van u of wij een voorstel moeten doen voor een vaststellingsovereenkomst.




2.24.
Op 29 november 2024 heeft FNV de volgende e-mail aan [verzoeker] gestuurd:


In mijn bericht van 15 november jl. sommeerde ik u over te gaan tot betaling van het achterstallig loon. U heeft dit geweigerd en bleef aansturen op een passende oplossing (een vaststellingsovereenkomst), een gesprek en het verrichten van re-integratie-activiteiten bij [verzoeker] . Cliënte staat open voor mediation, maar niet voor het werken bij [verzoeker] . Cliënte heeft nog steeds haar loon niet ontvangen. Om die reden heb ik de rechtbank Gelderland dan ook verzocht om een dagbepaling voor een mondelinge behandeling van de zaak.(…)




2.25.
De op 10 december 2024 geplande zitting in het kader van de door [verweerder] tegen [verzoeker] opgestarte kortgedingprocedure is niet doorgegaan, omdat [verzoeker] kort daarvoor het achterstallig loon heeft betaald.



2.26.
Begin december 2024 is een mediatontraject gestart. Dat heeft niet tot enige oplossing geleid.



2.27.
In het deskundigenoordeel van het UWV (zie hierna onder 2.28) staat dat op 27 december 2024 een voorstel is gedaan voor een driegesprek om daarin te spreken over een mogelijke vaststellingsovereenkomst te bespreken.



2.28.
Op 24 februari 2025 heeft het UWV in een deskundigenoordeel geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van [verzoeker] over de periode van 12 december 2023 tot 8 november 2024 onvoldoende zijn geweest. Het UWV heeft onder meer geschreven:


(…) Vanaf april 2024 had de werkgever concrete acties moeten ondernemen om het


arbeidsconflict op te lossen conform de STECR richtlijnen. Los van de


verzoeken vanuit de werkgever om in gesprek te komen met de werknemer zijn er


geen duidelijke stappen ondernomen conform de STECR richtlijnen om het


arbeidsconflict tijdig op te lossen. Pas in december 2024 wordt is mediation opgestart. Van de werkgever wordt in deze situatie (dus vanaf april 2024) verwacht een deugdelijk plan van


aanpak/interventieplan op te stellen en periodiek te evalueren/bij te stellen. Het plan vergt


overeenstemming tussen de werkgever en werknemer over wat in de nabije toekomst moet gebeuren om het conflict op te lossen waarbij de oplossing van het ene probleem niet afhankelijk wordt gesteld van de oplossing van het andere probleem. Dat het conflict pas concreet in december 2024 wordt besproken is veel te laat. Er is onnodig veel tijd verloren


gegaan om met elkaar in gesprek te komen.



De bedrijfsarts heeft in mei 2024 geadviseerd om spoor 2 op te starten. Met andere woorden was toen re-integratie binnen de organisatie blijkbaar niet een realistisch einddoel. Spoor 2 re-integratie is op dit moment nog altijd niet opgestart.



De werkgever is verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding en re-integratie van zijn zieke


werknemers. Hij moet zich laten bijstaan door een bedrijfsarts of arbodienst. Een conflict binnen de werksfeer is geen reden om niet actief te werken aan re-integratie. Werkgever en


werknemer zijn ook nu aan elkaar verplicht om tot oplossingen en tot re-integratie te komen: bij de eigen of bij een andere werkgever (Spoor 2). Er is sprake van een arbeidsconflict als 1 van de partijen vindt dat de andere partij haar dwarsboomt of ergert.


Oftewel de werkgever had in april concrete acties moeten ondernemen om het conflict op te lossen middels de STECR richtlijnen. En had spoor 2 re-integratie moeten starten vanaf mei 2024.




2.29.
Op 8 mei 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van een arbeidsongeval dat zou hebben plaatsgevonden op 16 november 2023.



2.30.
Op 30 mei 2025 heeft FNV aan [verzoeker] te kennen gegeven dat [verweerder] vanaf de datum van haar indiensttreding niet alle gewerkte uren uitbetaald heeft gekregen en dat ook de betaling van het loon tijdens ziekte niet correct is verlopen.



2.31.

[verzoeker] heeft in reactie op deze loonvordering op 10 juni 2025 laten weten:


(…) Het lijkt erop alsof we steeds verder wegzakken in plaats van dat we komen tot een oplossing. Een oplossing waarbij beide partijen weer vooruit kunnen. Wij zijn gewend bij ziekte of een andere calamiteit rechtstreeks met de werknemer te spreken. In dit geval spreken alleen nog met elkaar via juristen. Wij hebben dan ook het gevoel dat er meer sprake is van een arbeidsconflict dan van een medisch probleem. Een conflict kun je oplossen door het op tafel te leggen, alle problemen te bespreken en wellicht wat water bij de wijn te doen. Voor beide partijen moet er een bevredigende uitkomst zijn, zeker voor mw. [verweerder] .



Vorig jaar heb ik meerdere keren (bijvoorbeeld op 28-6, 4-10, 25-10 en 20-11) verzocht om tot een gesprek te komen. Helaas tevergeefs. Wij zijn ervan overtuigd dat we 'de kou uit de lucht kunnen halen', zeker aan mw. [verweerder] 's kant, door om tafel te gaan zitten. We willen dit dan ook op hele korte termijn voorstellen. De locatie van het gesprek laten we aan u over. Juist omdat wij op korte termijn tot een voor beide partijen bevredigende oplossing willen komen, schorten wij de loonbetaling tot die tijd op.




2.32.
FNV heeft in reactie de volgende e-mail aan de toenmalige gemachtigde van [verzoeker] gestuurd:


(…) Met verbijstering heb ik kennisgenomen van onderstaande e-mail van uw cliënt. Uw cliënt meent een gesprek te kunnen afdwingen door het loon van mijn cliënte op te schorten. De macht die uw cliënt meent te hebben door het loon van mijn cliënte -onterecht-op te schorten is absoluut verwerpelijk.



Los daarvan is uw cliënt van mening dat de arbeidsongeschiktheid van mijn cliënte “opgelost” kan worden. Daar is geen sprake van. Zij is momenteel nog steeds arbeidsongeschikt en werkt volledig mee aan haar re-integratie. Zoals inmiddels al meerdere keren aangegeven kan er op dit moment niet gesproken worden over


een oplossing voor beide partijen aangezien er nog steeds sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit lijkt uw cliënt maar niet te begrijpen.



Daarnaast hamert uw cliënt ook op een persoonlijk gesprek terwijl de bedrijfsarts op 8 augustus 2024 heeft geadviseerd om het contact via FNV te laten verlopen. En dat is - zoals u wellicht kunt merken - niet voor niets geweest. Cliënte heeft tot zover ieder advies van de bedrijfsarts opgevolgd. Dit kan ik van uw cliënt absoluut


niet zeggen.



Enfin, ik ga ervan uit dat de loonopschorting niet uw advies is geweest en dat u dit zeer zeker niet ondersteunt. Ik verzoek u dan ook dringend om uw cliënt te adviseren het loon - zoals genoemd in de brief van 30 mei jongstleden, dus inclusief de gemiddelde overuren - aan mijn cliënte per direct uitte betalen nu er absoluut


geen grondslag is voor het opschorten van haar loon.



Indien cliënte vandaag voor 17.00 uur haar loon niet heeft ontvangen, wordt er een procedure opgestart bij de kantonrechter.




2.33.

[verweerder] heeft vervolgens een kortgedingdagvaarding uitgebracht aan [verzoeker] en een loonvordering ingesteld. Na het uitbrengen van de dagvaarding en vóór de zittingsdatum van 29 juli 2025 heeft [verzoeker] alsnog het reguliere loon betaald, net als een deel van het gevorderde loon ter zake overuren. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft vervolgens bij vonnis van 12 augustus 2025 de loonvordering van [verweerder] afgewezen bij gebrek aan voldoende spoedeisend belang. [verzoeker] is wel in de proceskosten veroordeeld, omdat [verweerder] de procedure niet zonder reden had gevoerd.



2.34.
Op 18 september 2025 heeft een (kort) gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [verweerder] en haar gemachtigde, op het kantoor van FNV. [verzoeker] heeft in dat gesprek (wederom) voorgesteld een vaststellingsovereenkomst te sluiten, welk voorstel [verweerder] heeft afgewezen.



2.35.
Op 30 oktober 2025 heeft het UWV een loonsanctie opgelegd aan [verzoeker] voor de duur van een jaar (tot 8 december 2026).





3Het geschil


Het verzoek van werkgever en het verweer van werkneemster



3.1.

[verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege een, zo begrijpt de kantonrechter ernstig en duurzaam, verstoorde arbeidsverhouding. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd - kort weergegeven - dat [verweerder] in het kader van haar re-integratie herhaaldelijk aangeboden vervangend werk heeft geweigerd en dat directe communicatie met haar nagenoeg onmogelijk is gebleken. [verzoeker] stelt dat zij zich steeds heeft ingespannen om de arbeidsverhouding tussen partijen te verbeteren, maar dat dit door de wijze waarop [verweerder] zich heeft opgesteld, niet is gelukt.



3.2.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert in dat verband aan dat het opzegverbod tijdens ziekte in de weg staat aan de ontbinding, zodat het verzoek om die reden moet worden afgewezen. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Daarom maakt zij, in het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, naast de transitievergoeding van € 8.033,55 bruto aanspraak op een billijke vergoeding van € 135.000,00 bruto. Hiertoe voert [verweerder] - samengevat - aan dat [verzoeker] geen 2e spoortraject heeft ingezet en de adviezen van de bedrijfsarts onvoldoende heeft opgevolgd, onterecht meerdere keren een loonstop heeft opgelegd en herhaaldelijk heeft aangedrongen op een beëindigingsregeling tijdens ziekte.
Voorts verzoekt zij voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] subsidiair en samengevat bij de datum ontbinding rekening te houden met de geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking en

[verzoeker] te veroordelen tot afgifte van een correcte eindafrekening.

Het tegenverzoek van werkneemster




3.3.
Primair en subsidiair verzoekt [verweerder] [verzoeker] te veroordelen tot betaling van:
- een bedrag aan achterstallig loon tijdens ziekte ter hoogte van € 19.880,46 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex. artikel 7:625 BW en de wettelijke rente;


de factuur van de tolkdienst inzake de dienstverlening met betrekking tot de onderhavige procedure;


de kosten van deze procedure.





3.4.

[verzoeker] heeft ter zitting verweer gevoerd.



3.5.
Op de standpunten van partijen, zowel in het verzoek en het tegenverzoek, wordt voor zover van belang, hierna nader ingegaan.





4De beoordeling van het verzoek


Bijlagen mediation blijven buiten beschouwing



4.1.
De kantonrechter zal, zoals namens [verweerder] is verzocht, de bijlagen die [verzoeker] heeft ingediend die zien op de mediation die tussen partijen heeft plaatsgevonden buiten beschouwing laten bij de beoordeling, omdat de informatie in die bijlagen gelet op de geheimhouding die bij mediation is overeengekomen vertrouwelijk is en [verweerder] voor het delen daarvan geen toestemming heeft gegeven.


De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de g-grond, ondanks het opzegverbod omdat ontbinding ook in het belang van werkneemster is




4.2.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.



4.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.



4.4.
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding en zal daarom, ondanks dat [verweerder] arbeidsongeschikt is wegens ziekte en het opzegverbod van toepassing is, tot ontbinding overgaan. Dat wordt als volgt toegelicht.



4.5.

[verzoeker] heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie (g-grond). Hoewel [verweerder] bij verweerschrift heeft verzocht de ontbinding af te wijzen omdat het opzegverbod van toepassing is, heeft zij, node erkend dat de arbeidsrelatie tussen partijen verstoord is. Dat de arbeidsrelatie niet alleen is verstoord, maar ook ernstig en duurzaam is verstoord, blijkt uit genoegzaam uit de overgelegde stukken, waaronder de adviezen van de bedrijfsarts en voorts uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling door partijen is verklaard. Deze verstoring is zodanig, dat de bedrijfsarts rechtstreeks contact tussen partijen in april 2024 vanwege de spanningen die dat voor [verweerder] met zich meebrengt, onwenselijk heeft geacht en daarom heeft geadviseerd het contact met [verzoeker] via (de contactpersoon van [verweerder] van) FNV te laten lopen. In april 2024 adviseerde de bedrijfsarts ook de re-integratie (tijdelijk) stop te zetten, [verweerder] rust te geven en via de STECR richtlijnen “tot een passende oplossing te komen”.
Vervolgens heeft de bedrijfsarts in mei 2024 geadviseerd spoor 2 in te zetten, dit eveneens gezien de verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen, die het herstel van [verweerder] belemmerde. Een mediationtraject is uiteindelijk in december 2024 opgestart, maar is niet geslaagd en heeft de arbeidsrelatie tussen partijen niet verbeterd. Daarbij komt dat [verweerder] in iets meer dan een half jaar tijd twee kortgedingprocedures tegen [verzoeker] heeft moeten aangespannen om haar loon tijdens ziekte betaald te krijgen. De kantonrechter is gelet op dit alles van oordeel dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [verzoeker] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt, gelet op de conclusie van de bedrijfsarts dat terugkeer bij de eigen werkgever niet mogelijk is, niet in de rede.



4.6.
Omdat [verweerder] arbeidsongeschikt is wegens ziekte staat het opzegverbod in beginsel aan ontbinding in de weg. Desalniettemin kan tot ontbinding worden overgegaan als het verzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van [verweerder] of als er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. De kantonrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er geen verband is tussen de reden voor ontbinding (de ontbindingsgrond) en de ziekte maar zal de arbeidsovereenkomst desondanks ontbinden omdat deze in het belang van [verweerder] behoort te eindigen. Dit wordt hierna als volgt gemotiveerd.



4.7.
Voor wat betreft de vraag of er al dan niet sprake is van een verband tussen de ontbindingsgrond en de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, moet beoordeeld worden of, als de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte wordt weggedacht, oftewel als daarvan wordt geabstraheerd, sprake is van een voldragen grond. [verzoeker] , op wie ter zake de stelplicht en bewijslast rust, heeft gesteld dat reeds voordat [verweerder] ziek werd, sprake was van een voldragen ontbindingsgrond omdat toen al sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. [verweerder] heeft dat gemotiveerd betwist. Nu [verweerder] heeft betwist dat van een verband geen sprake is en [verzoeker] ter zake geen onderbouwing heeft gegeven noch bewijs heeft aangeboden, is niet aannemelijk geworden dat van een verband geen sprake is. Daarom wordt de stelling van [verzoeker] ter zake gepasseerd. Dat betekent dat niet kan worden ontbonden met gebruikmaking van het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 onder a BW.



4.8.
Desondanks zal de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaan omdat sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst (ook) in het belang van de werknemer behoort te eindigen. Zoals hiervoor al is overwogen (r.o. 4.6.) blijkt uit diverse verslagen van de spreekuurcontacten van de bedrijfsarts dat direct contact tussen [verzoeker] en [verweerder] vanwege de spanningsklachten van [verweerder] niet mogelijk is, terugkeer bij [verzoeker] niet mogelijk is en het voortduren van het dienstverband feitelijk aan het herstel van [verweerder] in de weg staat. Onder die omstandigheden kan de kantonrechter, ondanks het opzegverbod, toch tot ontbinding overgaan vanwege een ernstig duurzaam verstoorde arbeidsrelatie (de g-grond).



4.9.
Op grond van artikel 7:671b lid 9 onder a BW zal de ontbinding indachtig de geldende opzegtermijn en onder aftrek van de proceduretijd worden uitgesproken per 1 februari 2026.



[verzoeker] moet de transitievergoeding aan [verweerder] betalen




4.10.
Omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoeker] als werkgever wordt ontbonden, heeft [verweerder] recht op de transitievergoeding.



4.11.
Bij de berekening van de transitievergoeding moet uitgegaan worden van 11 juni 2021 als datum indiensttreding en 1 februari 2026 als einddatum. [verweerder] heeft bij de berekening van de transitievergoeding haar basisloon van € 3.114,07 bruto per periode van vier weken plus 8% vakantiegeld en een bedrag van € 1.518,11 bruto per periode aan overuren tot uitgangspunt genomen. Zij berekent de transitievergoeding vervolgens op een bedrag van € 8.033,55 bruto. [verweerder] heeft in haar verweerschrift uitgebreid onderbouwd hoe zij tot deze berekening is gekomen.

[verzoeker] heeft daarop bij het kort daarna ingediende aanvullend verzoekschrift een berekening van de transitievergoeding overgelegd en is daarbij uitgegaan van een salaris van
€ 4.069,00 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Daarbij zijn overuren niet separaat meegenomen. Mogelijk heeft zij die verwerkt in het tot uitgangspunt genomen maandloon maar dat is niet duidelijk. Op geen enkele wijze heeft [verzoeker] haar berekening nader onderbouwd of gemotiveerd, evenmin heeft zij uitgelegd waarom de berekening van [verweerder] niet juist is. Onder die omstandigheden wordt het bedrag zoals [verweerder] dat heeft berekend, als zijnde niet gemotiveerd betwist, toegewezen. [verzoeker] wordt tot betaling van € 8.033,55 bruto ter zake de transitievergoeding veroordeeld. [verzoeker] zal voorts worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026.


Billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]




4.12.
De kantonrechter ziet aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.


4.13.

[verzoeker] heeft bij herhaling aangedrongen op het aangaan van een vaststellingsovereenkomst, ook nadat de gemachtigde van [verweerder] meermaals heeft uitgelegd dat [verweerder] geen vaststellingsovereenkomst wilde en kon sluiten omdat zij niet hersteld uit dienst zou kunnen gaan en dan geen ZW-uitkering zou ontvangen.
Daarnaast heeft [verzoeker] gedraald met het inzetten van de spoor 2 re-integratie, ondanks de herhaalde adviezen van de bedrijfsarts daartoe over te gaan. Ook heeft [verzoeker] bij herhaling aangestuurd op een gesprek met [verweerder] zelf ondanks dat de bedrijfsarts meermaals heeft geschreven dat rechtstreeks contact tussen partijen onwenselijk was. [verzoeker] heeft zelfs in weerwil van deze adviezen van de bedrijfsarts in haar e-mail van 20 november 2024 de loonbetaling afhankelijk gesteld van de bereidheid van [verweerder] tot het aangaan van een rechtstreeks gesprek met [verzoeker] . Meermaals heeft [verzoeker] het loon tijdens ziekte onbetaald gelaten, althans veel te laat en/of pas betaald na het (dreigen met het) aanhangig maken van kortgedingprocedures. [verzoeker] heeft driemaal een loonsanctie toegepast. De eerste loonsanctie heeft zij opgelegd in april 2024 omdat [verweerder] , ondanks het verzoek van [verzoeker] daartoe, de bedrijfsauto niet (tijdig) inleverde toen zij ziek was. [verzoeker] heeft daarbij kennelijk een beroep gedaan op het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW. Hoewel [verzoeker] bij het niet tijdig inleveren van de bedrijfsauto in beginsel gebruik mag maken van het opschortingsrecht, is de kantonrechter van oordeel dat het volledig onbetaald laten van het loon over een of meerdere periode(s) vanwege het niet tijdig inleveren van de bedrijfsauto niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van redelijkheid en billijkheid. Dit was een buitenproportionele maatregel en in volle omvang niet toegestaan.
De tweede en derde loonsanctie (loonopschorting) heeft [verzoeker] opgelegd, omdat [verweerder] weigerde met [verzoeker] in gesprek te gaan. Hoewel een werkgever onder omstandigheden een loonsanctie kan en zelfs moet opleggen als een werknemer niet voldoende meewerkt aan zijn of haar re-integratie, waartoe ook het voeren van gesprekken met de werkgever kunnen behoren, was die mogelijkheid er in dit geval niet omdat de bedrijfsarts nu juist rechtstreeks contact had afgeraden. Onder die omstandigheden was het verzoek van [verzoeker] aan [verweerder] om in gesprek te gaan geen redelijk verzoek. [verweerder] schond door het gesprek te weigeren niet haar re-integratieverplichtingen. De loonsancties die [verzoeker] vanwege de weigering van [verweerder] met haar in gesprek te gaan heeft opgelegd waren daarom niet rechtsgeldig. Deze omstandigheden leiden, zeker in onderlinge samenhang bezien, ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] op. Dat laat overigens onverlet dat ook (de gemachtigde van) [verweerder] adequater had kunnen optreden door te zorgen dat de re-integratie in het tweede spoor adequater werd opgepakt en dat ook bij [verzoeker] af te dwingen. Bij de begroting van de billijke vergoeding hierna, zal daarmee ook rekening worden gehouden.


Begroting van de billijke vergoeding




4.14.
Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] zal de kantonrechter aan [verweerder] een billijke vergoeding toekennen. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak gezichtspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan wel ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.



4.15.

[verweerder] baseert het door haar verzochte bedrag aan billijke vergoeding op het gemiste jaarsalaris over de periode waarop de loonsanctie is opgelegd, te vermeerderen met het gemiste bedrag aan salaris over de periode dat de arbeidsovereenkomst zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] zou hebben voortgeduurd vanaf de datum van ziekmelding en de pensioenschade die [verweerder] als gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst lijdt.



4.16.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 10.000,00 bruto Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. De vraag hoe lang het dienstverband geduurd zou hebben als [verzoeker] niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld is lastig in te schatten. Nu aan [verzoeker] door het UWV een loonsanctie is opgelegd van een jaar zou [verweerder] bij voortzetting van het dienstverband vooralsnog recht hebben op een jaar lang loondoorbetaling bij ziekte (70% met als maximum het minimumloon) en recht hebben op door [verzoeker] betaalde begeleiding bij re-integratie in spoor 2. In plaats daarvan zal [verweerder] mogelijk (deels) moeten terugvallen op een ZW-uitkering, die naar verwacht mag worden aan haar zal worden toegekend, of als zij op enig moment hersteld is op een WW-uitkering of elders te verdienen loon.
Daarnaast is de vraag hoe snel [verweerder] zal herstellen nu de arbeidsovereenkomst die aan herstel in de weg staat wordt beëindigd, alsook de vraag hoe snel zij na herstel elders vervangend werk moet kunnen vinden. Voor chauffeurs lijkt de arbeidsmarkt goed.
Naast deze omstandigheden weegt de kantonrechter de mate van de verwijtbaarheid van [verzoeker] mee, maar ook de omstandigheid dat [verweerder] , althans haar gemachtigde er geen werk van heeft gemaakt om spoedige re-integratie in het tweede spoor af te dwingen. De omstandigheid dat [verzoeker] daaraan telkens de wens koppelde om ook (in bijzijn van haar gemachtigde) met [verweerder] in gesprek te gaan was geen valide reden voor [verweerder] om bij [verzoeker] niet het starten van het tweede spoor af te dwingen, eventueel in een kortgedingprocedure. Dat spoor 2 niet is opgestart is dan ook niet alleen aan [verzoeker] , maar ook mede aan de houding van [verweerder] te wijten. Voorts zal de kantonrechter meewegen dat [verweerder] een transitievergoeding ontvangt van € 8.033,55 bruto. Gelet op het voorgaande en de duur van het dienstverband zal de kantonrechter de billijke vergoeding begroten op een bedrag van € 10.000,00 bruto. [verzoeker] zal tot betaling daarvan worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.



4.17.

[verzoeker] krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden.


Correcte eindafrekening




4.18.
Omdat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 februari 2026 zal het door [verzoeker] niet betwiste verzoek van [verweerder] om [verzoeker] te veroordelen tot het opmaken en afgeven van een deugdelijke eindafrekening waarin ook de mogelijk nog niet genoten vakantiedagen en nog niet betaald vakantiegeld wordt meegenomen, worden toegewezen.



[verzoeker] moet de proceskosten betalen




4.19.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] .
De proceskosten in het verzoek worden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.086,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Als [verzoeker] het verzoek intrekt, zal [verzoeker] ook dan de proceskosten van [verweerder] moeten betalen.


Uitvoerbaar bij voorraadverklaring




4.20.
De beschikking zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.






5De beoordeling van het tegenverzoek


Vermindering verzoek



5.1.
De gemachtigde van [verweerder] heeft ter zitting haar tegenverzoek om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van ter zake achterstallig loon tijdens ziekte, zijnde
€ 19.880,46 bruto, met nevenverzoeken ingetrokken omdat dit verzoek ziet op beweerdelijke inkomensschade als gevolg van het [verweerder] beweerdelijk overkomen bedrijfsongeval, waarover partijen een separaat geschil hebben. [verweerder] zal deze loonvordering meenemen in de afwikkeling van dat geschil. Dit onderdeel van het tegenverzoek wordt daarom niet beoordeeld in deze uitspraak.


De factuur van de tolkdienst




5.2.

[verweerder] heeft verzocht [verzoeker] te veroordelen in de betaling van de factuur van de tolkdienst inzake de dienstverlening met betrekking tot de onderhavige procedure, naar de kantonrechter begrijpt te maken voor bijstand van een tolk tijdens de mondelinge behandeling. Hoewel om een tolk was verzocht door haar gemachtigde is geen tolk op de mondelinge behandeling verschenen, zodat ter zake geen kosten zijn gemaakt door [verweerder] . Dit verzoek wordt daarom afgewezen.


BIK




5.3.

[verweerder] heeft in haar verweerschrift tevens tegenverzoek wel aangekondigd uitbetaling van buitengerechtelijke incassokosten te verzoeken. In het petitum is dat evenwel niet terug te vinden. Wat daarvan zij; dit verzoek lijkt te zien op buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die zijn verricht in het kader van het verzoek tot uitbetaling van overuren op basis van een hoger percentage, welk verzoek ter zitting is ingetrokken en in een ander geschil onderwerp tussen partijen zal zijn. Daarin kunnen partijen dan ook de buitengerechtelijke incassokosten meenemen.


De proceskosten worden gecompenseerd




5.4.

[verweerder] wordt in de proceskosten veroordeeld omdat [verweerder] haar tegenverzoek grotendeels heeft ingetrokken en voor het overige ongelijk krijgt in het tegenverzoek. Vanwege de samenhang met het verzoek worden de kosten van [verzoeker] begroot op nihil en bovendien heeft [verzoeker] geen kosten gemachtigde gemaakt.


Uitvoerbaar bij voorraadverklaring




5.5.
De beschikking zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.






6De beslissing

De kantonrechter,


op het verzoek



6.1.
stelt [verzoeker] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 13 januari 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,


Voor het geval [verzoeker] het verzoek niet uiterlijk op 13 januari 2026 intrekt:




6.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2026,



6.3.
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 8.033,55 ter zake de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot de dag waarop is betaald, en tot betaling van € 10.000,00 bruto ter zake de billijke vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag waarop alles is betaald,



6.4.
veroordeelt [verzoeker] tot het opstellen en verstrekken van een eindafrekening als bedoeld in r.o. 5.9.



6.5.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.086,00 ter zake salaris gemachtigde en € 135,00 ter zake nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



6.7.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.



Voor het geval [verzoeker] het verzoek tijdig intrekt:




6.8.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.086,00 ter zake salaris gemachtigde en € 135,00 ter zake nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



6.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



6.10.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.



op het tegenverzoek




6.11.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van [verzoeker] begroot op nihil,



6.12.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



6.13.
wijst af hetgeen meer of ander is verzocht.











Deze beschikking is gegeven door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op
17 december 2025.


























41245 \ 498



Uit de stukken blijkt niet of en wanneer dit loon alsnog is voldaan.


Kennelijk hebben beide partijen het advies van de bedrijfsarts ‘een passende oplossing te zoeken’ zo begrepen dat deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst adviseerde, al staat dat niet letterlijk in het advies van 5 april 2024.


Dit deel van haar verzoek heeft [verweerder] ter zitting ingetrokken, waarover hierna bij de beoordeling van het tegenverzoek meer.


Artikel 7:669 lid 3 BW.


Artikel 7:669 lid 1 BW.


Artikel 7:671b lid 2 BW.


Artikel 7:671b lid 6 BW.


Artikel 671b lid 6 sub b BW.


Dat zij ook gedurende het eerste jaar ziekte op grond van de cao heeft ontvangen, randnummer 7.2 verweerschrift.


Berekend inclusief cao verhogingen tijdens ziekte


Productie 19 bij aanvullend verzoekschrift.


Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.


Zie HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).


Zie onder de feiten bij 2.8., 2.11. en 2.12.


Zie onder de feiten bij 2.16. en 2.18. tot en met 2.22.


Artikel 7:629 lid 3 BW.


Zie onder meer HR van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).


Artikel 7:686a lid 6 BW.


Randnummer 7:13.
Link naar deze uitspraak