Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2025:1891 
 
Datum uitspraak:16-12-2025
Datum gepubliceerd:07-01-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:23/2234 PW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing aanvragen om bijstand. Buitenbehandelingstelling. Bijstandbehoevende omstandigheden niet aannemelijk. Onduidelijke financiële situatie. Gokactiviteiten. Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg. Geen zakelijke relatie. Geen geslaagd beroep op vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel. Schadevergoeding redelijke termijn. Op de bankafschriften is te zien dat veelvuldig bij- en afschrijvingen hebben plaatsgevonden van en aan diverse (online) gokinstellingen. Appellant heeft geen gegevens over deze gokactiviteiten en de opbrengsten daarvan overgelegd en ook niet over de actuele saldi op zijn gokaccounts. De inkomens- en vermogenssituatie van appellant ten tijde van aanvraag 1 is dan ook niet duidelijk. Niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Niet in geschil is dat appellant in ieder geval de gegevens die betrekking hebben op het account bij TOTO en op de online wallet bij X niet aan het college heeft verstrekt. Het college beschikte dus niet over alle benodigde gegevens die nodig waren voor de beoordeling van de aanvraag. Niet in geschil is dat appellant en zijn oom gedurende hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Uit de gedingstukken volgt dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Van een zakelijke relatie tussen appellant en zijn oom is geen sprake.
Trefwoorden:huurovereenkomst
levensonderhoud
uitkering
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 20 juni 2023, 21/2930 (aangevallen uitspraak 1), 22/115 (aangevallen uitspraak 2) en 22/1150 (aangevallen uitspraak 3) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade





Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)






Datum uitspraak: 16 december 2025

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over besluiten op drie aanvragen om bijstand van appellant. Het college heeft de eerste aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. De tweede aanvraag heeft het college buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet alle gevraagde stukken heeft overgelegd. De derde aanvraag heeft het college afgewezen op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn oom en daarom niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt. Volgens appellant verkeert hij wel in bijstandbehoevende omstandigheden en heeft hij voldoende gegevens verstrekt om de tweede aanvraag te kunnen beoordelen. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat sprake is van een commerciële relatie met zijn oom en geen gezamenlijke huishouding. Appellant krijgt daarin geen gelijk. Appellant krijgt wel een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroepen ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het college heeft verweerschriften ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 4 november 2025. Voor appellant is mr. Schoonbrood verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.
Appellant heeft tot 12 november 2020 een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet. Appellant stond sinds 7 januari 2021 ingeschreven bij zijn oom op adres X te [woonplaats] . Daarvoor woonde appellant op adres Y in [plaatsnaam] , waar hij weg moest in verband met een aangetroffen hennepplantage.


1.2.
Op 2 februari 2021 heeft appellant bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (Pw) (aanvraag 1).


1.3.
Het college heeft appellant naar aanleiding van deze aanvraag in verschillende brieven onder meer verzocht om de volgende gegevens:
- een administratie van de exploitatie van een hennepplantage waaruit onder meer blijkt welke opbrengsten hij daaruit heeft genoten;
- een administratie van zijn gokactiviteiten waaruit onder meer blijkt welke bedragen hij heeft gewonnen, actuele saldi van alle gokaccounts en/of bewijzen waaruit blijkt dat er geen saldo meer staat op de wallets van zijn gokaccounts dan wel dat alle gokaccounts zijn geblokkeerd;
- objectieve en controleerbare bewijsstukken van de herkomst van de kasstortingen en bijschrijvingen op zijn rekening;
- bewijsstukken waaruit blijkt hoe appellant bij zijn oom in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien, met name hoe hij de huur en boodschappen heeft betaald.



1.4.
Appellant heeft in reactie op de brieven van het college, voor zover hier relevant, laten weten dat hij een gokverslaving heeft en de volgende stukken overgelegd:- een overzicht van zijn schulden;- bankafschriften over de periode van 9 november 2020 tot en met 9 februari 2021;- verklaringen van verschillende personen die geld aan appellant hebben geleend;- bewijzen van uitbetaling van TOTO;- een lijst van stortingen met handgeschreven toelichtingen van appellant;- een ongedateerde verklaring van zijn oom dat appellant de huur voor januari, februari en maart heeft betaald.


1.5.
Met de beschikking van 29 maart 2021 van de rechtbank Limburg heeft de kantonrechter alle goederen die (zullen) toebehoren aan appellant onder bewind gesteld en een bewindvoerder benoemd (bewindvoerder).


1.6.
Met een besluit van 8 april 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 september 2021 (bestreden besluit 1), heeft het college aanvraag 1 afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.


1.7.
Op 2 juni 2021 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd (aanvraag 2). Met een brief van 21 juni 2021 heeft het college appellant onder meer verzocht om de volgende gegevens over te leggen:- afschriften van alle bank- en spaarrekeningen, creditcardrekeningen en Paypal-rekeningen over de periode van 2 maart 2021 tot en met 2 juni 2021;- een administratie van zijn gokactiviteiten waaruit onder meer blijkt welke bedragen hij heeft gewonnen, actuele saldi van alle gokaccounts en/of bewijzen waaruit blijkt dat er geen saldo meer staat op de wallets van zijn gokaccounts dan wel dat alle gokaccounts zijn geblokkeerd. In het bijzonder is verzocht om informatie over het saldo van het account bij [X] dat appellant blijkens zijn bankafschriften aldaar heeft;- de eerder gevraagde gegevens over de hennepplantage, en- een verklaring met bewijsstukken waaruit blijkt hoe appellant in de periode vanaf 2 november 2020 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.Daarbij heeft het college erop gewezen dat de door appellant bij de aanvraag verstrekte transactieoverzichten (printscreens) van zijn rekening bij de SNS-bank niet volstaan.


1.8.
Het college heeft met een brief van 5 juli 2021 nogmaals aan appellant verzocht om de onder 1.7 genoemde gegevens over te leggen. Appellant is er hierbij op gewezen dat hij deze stukken uiterlijk 15 juli 2021 moet verstrekken en dat wanneer hij deze gegevens niet tijdig verstrekt de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld.


1.9.
Met een besluit van 16 juli 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 december 2021 (bestreden besluit 2), heeft het college aanvraag 2 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat appellant de gevraagde gegevens, waaronder de bankafschriften over de periode van 2 maart tot en met 2 juni 2021, niet heeft verstrekt. Deze stukken zijn van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand om een volledig beeld te vormen over de financiële situatie van de aanvrager om zo te kunnen vaststellen of recht op bijstand bestaat.


1.10.
Op 20 augustus 2021 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd (aanvraag 3).


1.11.
Met een e-mailbericht van 27 augustus 2021 heeft de bewindvoerder het college bericht dat zij zojuist bewijsstukken via het online portaal heeft ingediend en dat appellant ook bijzondere bijstand wenst aan te vragen voor de kosten van bewindvoering en het griffierecht.


1.12.
In het kader van de beoordeling van deze aanvraag heeft het college nader genoemde gegevens opgevraagd bij appellant en hebben medewerkers van de gemeente Sittard-Geleen op 9 november 2021 een gesprek gevoerd met appellant.


1.13.
Met een besluit van 11 november 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 april 2022 (bestreden besluit 3), heeft het college aanvraag 3 en de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant niet kan worden aangemerkt als een zelfstandig subject van bijstand, omdat hij met zijn oom een gezamenlijke huishouding voert op het uitkeringsadres.


1.14.
Sinds december 2021 staat appellant ingeschreven bij zijn ouders op adres Z te [woonplaats] . Op een daartoe strekkende aanvraag (aanvraag 4) heeft het college appellant met ingang van 10 december 2021 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met toepassing van de kostendelersnorm.


Uitspraken van de rechtbank


2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 met drie afzonderlijke uitspraken ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de afwijzing van aanvragen 1 en 3 en de buiten behandelingstelling van aanvraag 2 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak 1 (afwijzing aanvraag 1)


4.1.
Bestreden besluit 1 wordt getoetst voor de periode van 2 februari 2021, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 8 april 2021, de datum van het eerste afwijzingsbesluit (te beoordelen periode 1).


4.2.
Iemand die bijstand aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.


4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de gokactiviteiten in de periode voorafgaande aan de aanvraag van 2 februari 2021 van belang zijn om het recht op bijstand van hem vast te stellen. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat hij vanaf 2 februari 2021 niet meer heeft gegokt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.

4.3.1.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Dit is vaste rechtspraak.


4.3.2.
Op de door appellant ingeleverde bankafschriften is te zien dat in de periode van 11 november 2020 tot en met 31 januari 2021 veelvuldig bij- en afschrijvingen hebben plaatsgevonden van en aan diverse (online) gokinstellingen. Uit onderzoek naar de bankafschriften is gebleken dat appellant de beschikking heeft gehad over online wallets bij diverse gokinstellingen. Appellant heeft geen gegevens over deze gokactiviteiten en de opbrengsten daarvan overgelegd en ook niet over de actuele saldi op zijn gokaccounts. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de inkomens- en vermogenssituatie van appellant ten tijde van aanvraag 1 niet duidelijk is en dat dus niet kan worden vastgesteld of appellant in de te beoordelen periode bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.


4.3.3.
Het standpunt van appellant dat de gegevens die hij bij de latere aanvragen heeft ingediend ook moeten worden betrokken bij de beoordeling van aanvraag 1 kan hem niet baten. Daartoe is van betekenis dat appellant ook bij de latere aanvragen niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd. Over een deel van de gokaccounts heeft appellant namelijk geen gegevens overgelegd. De wel overgelegde gegevens hebben geen betrekking op de hier te beoordelen periode. Het college heeft deze informatie dan ook terecht niet bij de beoordeling van aanvraag 1 betrokken.


4.3.4.
Gelet op 4.3.2 en 4.3.3 hoeven de overige gronden die appellant tegen aangevallen uitspraak 1 heeft aangevoerd niet te worden besproken.

Aangevallen uitspraak 2 (buiten behandeling stellen aanvraag 2)




4.4.
Een bijstandverlenende instantie, zoals het college, kan besluiten een aanvraag om bijstand niet te behandelen als de gegevens en stukken die de aanvrager heeft verstrekt onvoldoende zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. Maar dan moet de aanvrager wel eerst de gelegenheid hebben gehad om de aanvraag binnen een door de bijstandverlenende instantie gestelde termijn aan te vullen. Dit volgt uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Het gaat daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Dit volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.


4.5.
Een aanvraag kan alleen met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling worden gesteld als de betrokkene erop is gewezen dat dit mogelijk zal gebeuren als hij de gevraagde gegevens of stukken niet binnen de geboden hersteltermijn inlevert. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.


4.6.
Appellant heeft, zoals ter zitting besproken, als enige beroepsgrond aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college ondanks de uitspraak van de Raad van 13 december 2022 de buiten behandelingstelling mocht handhaven, omdat appellant niet alle gevraagde bankafschriften van de SNS bank en geen volledige gegevens over het gokaccount TOTO en [X] zou hebben verstrekt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.6.1.
Als een aanvrager na buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag de gevraagde gegevens in de bezwaarfase alsnog verstrekt, mag de bijstandverlenende instantie de buitenbehandelingstelling handhaven, maar hoeft dat niet te doen. Bij de beslissing om de buitenbehandelingstelling te handhaven moet een belangenafweging worden gemaakt. De gevolgen van het besluit om niet alsnog op de aanvraag te beslissen mogen voor de aanvrager niet onevenredig zwaar zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Dat volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Als op basis van de alsnog overgelegde gegevens komt vast te staan dat de aanvrager al recht op bijstand had vanaf de aanvraag die buiten behandeling is gesteld, heeft de aanvrager een zwaarwegend belang bij het alsnog in behandeling nemen van die aanvraag. Dit volgt uit de door appellant genoemde uitspraak.


4.6.2.
Niet in geschil is dat appellant in ieder geval de gegevens die betrekking hebben op het account bij TOTO en op de online wallet bij [X] niet aan het college heeft verstrekt. Verder is niet in geschil dat deze gegevens voor de beslissing op aanvraag 2 nodig waren en dat appellant daarover redelijkerwijs de beschikking had kunnen krijgen. Gegevens over het account bij TOTO en de online wallet bij [X] heeft appellant ook niet bij de derde aanvraag verstrekt. Ten tijde van het bestreden besluit beschikte het college dus nog steeds niet over alle benodigde gegevens die nodig waren voor de beoordeling van de aanvraag. Onder deze omstandigheden heeft het college zijn besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen, mogen handhaven.

Aangevallen uitspraak 3 (afwijzing aanvraag 3)




4.7.
Het bestreden besluit 3 wordt getoetst voor de periode van 20 augustus 2021, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 11 november 2021, de datum van de afwijzing van de aanvraag.


4.8.
Niet in geschil is dat appellant en zijn oom gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.


4.9.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken.


4.10.
Appellant heeft aangevoerd dat hij geen gezamenlijke huishouding voert met zijn oom. Hij heeft een zakelijke relatie met zijn oom, omdat hij bij hem een kamer huurt. Volgens appellant heeft het college alleen de verklaringen van appellant bij de beoordeling betrokken die kunnen duiden op wederzijdse zorg en de verklaringen die daar niet op duiden buiten beschouwing gelaten. Omdat appellant dakloos was, heeft zijn oom hem van onderdak voorzien. De huur wordt door zijn oma betaald. De familierelatie is van invloed op de hoogte van de huur. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.

4.10.1.
De redenen waarom appellant bij zijn oom is gaan wonen spelen geen rol bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding. De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet namelijk worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.


4.10.2.
De gedingstukken, waarvan in het bijzonder het verslag van het gesprek op 9 november 2022, bieden een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat gedurende de hier te beoordelen periode ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Tijdens dat gesprek heeft appellant onder meer het volgende verklaard. Hij eet meestal drie keer per week ’s avonds met zijn oom. Zijn oom kookt dan altijd, omdat appellant niet kan koken. Zij eten dan samen van het pakket dat appellant van de voedselbank ontvangt. Appellant heeft ook verklaard dat hij denkt dat hij daarom zo weinig huur betaalt. Appellant maakt gebruik van zijn slaapkamer, de woonkamer, de keuken en de badkamer. Zijn kamer is niet afsluitbaar met een sleutel. Hij stofzuigt de woning twee keer per week en doet ook wel huishoudelijke klusjes, zoals een lamp vervangen en het vuilnis buiten zetten. Ook doet hij de afwas.


4.10.3.
Volgens de door appellant overgelegde huurovereenkomst huurt appellant met ingang van 12 januari 2021 een kamer bij zijn oom, mag hij de keuken, de toiletruimte en de badkamer gebruiken en bedraagt de huurprijs € 75,- inclusief alle kosten. Anders dan appellant stelt, blijkt hieruit niet dat sprake is van een zakelijke relatie tussen appellant en zijn oom. Zoals ook ter zitting van de Raad door de gemachtigde van appellant is erkend, is de huur van de gemeubileerde kamer namelijk zodanig laag dat niet kan worden gesproken van een commerciële huurprijs. Verder mag appellant gebruik maken van de gehele woning, met uitzondering van de slaapkamer van zijn oom, terwijl dat niet blijkt uit de huurovereenkomst. De hiervoor vermelde feiten en omstandigheden duiden veeleer op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden.



4.11.
Appellant heeft verder, net als in beroep, aangevoerd dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, door pas bij de derde aanvraag te concluderen dat appellant geen zelfstandig recht op bijstand heeft, terwijl dit bij de eerdere aanvragen niet aan de orde is geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.11.1.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat sprake is van toezeggingen, andere uitlatingen of gedragingen waaruit hij redelijkerwijs kon afleiden dat zijn woonsituatie geen reden zou kunnen zijn voor afwijzing van een eventuele volgende aanvraag en dat hij ondanks zijn woonsituatie recht zou hebben op bijstand voor een alleenstaande. De aanvragen 1 en 2 zijn immers op andere gronden afgewezen dan wel buiten behandeling gesteld. Uit het enkele feit dat de aanvragen 1 en 2 op andere gronden dan de woonsituatie zijn afgewezen, kon hij dat ook niet afleiden. Dit betekent dat appellant niet de gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat hem bijstand naar de norm voor een alleenstaande zou worden toegekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom al niet.



4.12.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Artikel 3, tweede lid, van de PW heeft namelijk een verplichtend karakter en dan is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van het daarop gebaseerde besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Wat appellant heeft aangevoerd is geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn



4.13.
Appellant heeft ten slotte verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


4.14.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.


4.15.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak.


4.16.
De zaken in verband waarmee appellant hoger beroepen heeft ingesteld hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk een beslissing op opeenvolgende aanvragen om bijstand. Er is geen sprake geweest van gezamenlijke behandeling van alle tegen de besluiten aangewende rechtsmiddelen, zodat ter bepaling van de mate van overschrijding uit moet worden gegaan van het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.


4.17.
Het eerst ingediende bezwaarschrift is het bezwaarschrift tegen het besluit tot afwijzing van aanvraag 1. Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door het college op 21 mei 2021 tot aan de uitspraak van heden zijn vier jaar en bijna zeven maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim een half jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Er is dus sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening komt van de Staat.




Conclusie en gevolgen

5. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken worden daarom bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van aanvraag 1, de buiten behandelingstelling van aanvraag 2 en de afwijzing van aanvraag 3 in stand blijven.
6. Het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Dit betekent dat appellant een schadevergoeding van € 1.000,- krijgt.
7. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen tot de kosten die appellant heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De kosten worden vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor het verzoekschrift, met een wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant verder geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep



bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 453,50.




Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.E. Marechal als leden, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.





(getekend) J.T.H. Zimmerman





De griffier is verhinderd te ondertekenen


Tegen deze uitspraak – alleen voor zover deze ziet op 23/2236 PW – kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Algemene wet bestuursrecht


Artikel 4:2

2. De aanvrager verschaft (…) de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 4:5

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

[…]

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.


Participatiewet


Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

Artikel 17, eerste lid

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.


Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden


Artikel 6

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0929.


ECLI:NL:CRVB:2022:2793.


Uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.


Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.


Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2, en de uitspraken van de Raad van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125 en 19 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1254.


Vergelijk de uitspraak van 22 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1124.
Link naar deze uitspraak