Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2025:25359 
 
Datum uitspraak:27-11-2025
Datum gepubliceerd:09-01-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/678034 / JE RK 25-2
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige 2 Afwijzing verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige 1
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/678034 / JE RK 25-2
Datum uitspraak: 27 november 2025


Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing


in de zaak van


Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over



[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,



[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:



[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. T. Dreiling uit Leiden.

De kinderrechter merkt als informant aan:



[de vader]
,
hierna te noemen: de vader.




1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 augustus 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 28 november 2025 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.



1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 26 augustus 2025 met de daarin genoemde stukken;


het gezinsplan van de gecertificeerde instelling van 25 november 2025;


een briefrapport van de gecertificeerde instelling van 25 november 2025.





1.3.
Op 27 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling;
- de moeder met haar advocaat.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen.



1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.[de minderjarige 1] heeft hierover een brief geschreven die de moeder vlak voor de zitting aan de kinderrechter heeft overgelegd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van de kinderrechter van 13 augustus 2025.





3Het verzoek


3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt thans – na wijziging ter zitting – om de machtiging tot uithuisplaatsing [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor het resterende deel van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling verzoekt thans de machtiging tot uithuisplaatsing [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder af te wijzen.



3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige 1] is recent bij haar vriend in Lelystad opgehaald en verblijft sindsdien bij de moeder en stiefvader. Er is momenteel geen crisisplek beschikbaar en [de minderjarige 1] heeft ook aangegeven weg te zullen lopen als zij daar zou worden geplaatst. Zij kan ergens begin 2026 bij [instelling 1] in [plaats 1] terecht wanneer de verbouwing daar klaar is. Dit wil [de minderjarige 1] zelf ook graag. [de minderjarige 1] is thans zwanger en [instelling 1] heeft aangegeven dat het geen optie is om daar te bevallen. Mogelijk kan een verblijf in een moeder-kind huis een goede tussenstap zijn, omdat [de minderjarige 1] daar de begeleiding krijgen die bij [instelling 1] niet geboden kan worden. Nog onderzocht zal worden of [de minderjarige 1] haar kamer bij [instelling 1] kan behouden wanneer zij tijdelijk in een moeder-kind huis verblijft. Hulpverlening van [instelling 2] kan starten en hoewel zij in [plaats 1] werkzaam zijn, wordt hulpverlening niet vergoed. De gecertificeerde instelling zal op zoek moeten gaan naar vergelijkbare hulpverlening en daar een aanvraag voor indienen. Hoewel op termijn voor de plaatsing bij [instelling 1] een uithuisplaatsing voor [de minderjarige 1] nodig is, zijn de moeder en stiefvader op dit moment goed in samenwerking met de gecertificeerde instelling en is het de wens van [de minderjarige 1] om bij hen te wonen totdat er een plek bij [instelling 1] voor haar beschikbaar is. Dit maakt dat de gecertificeerde instelling op dit moment wonen bij de moeder en de stiefvader ondersteunt. Hierdoor is een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige 1] op dit moment niet aan de orde. Voor [de minderjarige 2] geldt dat niet. Zij verblijft nog steeds op de [straat] en er is geen zicht op een andere plek. [de minderjarige 2] zou graag naar een gezinshuis gaan in [plaats 2] maar de kans dat dit gaat lukken is heel klein. Er is sprake van een lange wachtlijst en de plekken voor 15-jarigen is schaars. Momenteel volgt zij onderwijs in een TOM klas en is zij stap voor stap bezig met het inhalen van gemiste lessen opdat zij uiteindelijk de overstap kan maken naar een reguliere klas. Er zijn pogingen gedaan tot contactherstel tussen de moeder, stiefvader en [de minderjarige 2] gedaan maar dat is niet gelukt. De gecertificeerde instelling heeft benadrukt dat zij daar wel op zullen blijven inzetten. Het gezin is in afwachting van systeemtherapie, de wachtlijst daarvoor is minimaal drie maanden.





4De standpunten


4.1.
Door en namens de moeder is verzocht om afwijzing van het verzoek voor [de minderjarige 1] nu zij bij de moeder en stiefvader verblijft en nog niet duidelijk is wanneer zij bij [instelling 1] terecht kan. De moeder voert geen verweer tegen het verzoek voor [de minderjarige 2] . Wel vindt de moeder het van belang dat onderzocht wordt op welke manier er contactherstel kan plaatsvinden tussen [de minderjarige 2] , de moeder en de stiefvader. De moeder ervaart het als een straf dat er nu geen contact tussen haar en [de minderjarige 2] is. Ook zal de gecertificeerde instelling moeten blijven zoeken naar een betere plek voor [de minderjarige 2] in bijvoorbeeld een gezinsgerichte voorziening.





5De beoordeling


5.1.
In eerdere beschikkingen is de stiefvader [stiefvader] door de kinderrechter als belanghebbende aangemerkt. De stiefvader heeft geen gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en beide meisjes wonen sinds 15 november 2023 niet meer bij de moeder en stiefvader waardoor de stiefvader al twee jaar niet langer betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De kinderrechter zal de stiefvader daarom thans langer als belanghebbende aanmerken. Dat [de minderjarige 1] sinds een aantal dagen bij de moeder en de stiefvader verblijft maakt dit niet anders, mede nu de gecertificeerde instelling tot afwijzing van het verzoek ten aanzien van [de minderjarige 1] concludeert.



5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] niet langer nodig is. Zij is zwanger en verblijft op dit moment bij de moeder en stiefvader nu er nog geen andere plek voor haar beschikbaar is en een langer verblijf bij haar (ex)vriendje niet de meest geschikte plek voor haar is. [de minderjarige 1] wil dat er toegewerkt gaat worden naar zelfstandigheid en de gecertificeerde instelling zal hier nader onderzoek naar gaan doen. Daarbij wordt gekeken of zij (nog) bij [instelling 1] terecht kan wanneer de baby geboren is en zullen de mogelijkheden voor een verblijf in een moeder-kind huis met [de minderjarige 1] worden besproken. De kinderrechter onderschrijft het belang van een moeder-kind huis gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige 1] en haar belaste verleden. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] afwijzen.



5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.



5.4.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van ernstige problematiek tussen [de minderjarige 2] en de moeder en stiefvader. De moeder en stiefvader zijn daarbij beiden recent veroordeeld voor kindermishandeling van onder meer [de minderjarige 2] . De stiefvader is hiervoor gedetineerd geweest. Verder speelt er problematiek bij de moeder en stiefvader op het terrein van alcohol, drugs, emotieregulatie en schulden. [de minderjarige 2] ervaart geen verandering bij de moeder en stiefvader. Door dit alles is de weerstand tussen [de minderjarige 2] en de moeder en tussen [de minderjarige 2] en de stiefvader nog hoog en is een thuisplaatsing niet mogelijk. De komende periode zal er niet alleen oog moeten zijn voor de mogelijkheden van contactherstel maar ook voor een betere verblijfplek voor [de minderjarige 2] . De kinderrechter zal de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] dan ook toewijzen zoals verzocht.



5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing

De kinderrechter:


6.1.
wijst de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] af;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 februari 2026;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.






Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:


degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.
Link naar deze uitspraak