Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2025:3646 
 
Datum uitspraak:16-12-2025
Datum gepubliceerd:09-01-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.343.915
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:in deze zaak is de vraag aan de orde of appellanten onder het toepassingsbereik van het verplichtstellingsbesluit tot deelneming in Bpf MITT valt en verplicht is aangesloten bij Bpf MITT. Het hof ziet aanleiding om de behandeling van deze zaak aan te houden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad op het cassatieberoep van Bpf MITT tegen het arrest van 16 juli 2024 van het gerechtshof Den Bosch, nu in die zaak dezelfde rechtsvraag voorligt. In beide zaken beslaat het bewerken van textielstukgoederen namelijk slechts een gering percentage van de totale omzet van het bedrijf. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te reageren op het te wijzen arrest van de Hoge Raad alsmede over de vraag of de (premie- danwel schadevergoedings)vordering van Bpf MITT al dan niet (deels) is verjaard gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 (Booking II).
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
vrijstelling
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.343.915/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10370503 CV EXPL 23-3169


tussenarrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025


inzake



[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. B.W. Brouwer te Amsterdam,

tegen



[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam.


Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.





1De zaak in het kort

In deze zaak is de vraag aan de orde of [appellant] onder het toepassingsbereik van het verplichtstellingsbesluit tot deelneming in [geïntimeerde] valt en verplicht is aangesloten bij [geïntimeerde] . Het hof ziet aanleiding om de behandeling van deze zaak aan te houden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad op het cassatieberoep van [geïntimeerde] tegen het arrest van 16 juli 2024 van het gerechtshof Den Bosch, nu in die zaak dezelfde rechtsvraag voorligt. In beide zaken beslaat het bewerken van textielstukgoederen namelijk slechts een gering percentage van de totale omzet van het bedrijf. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te reageren op het te wijzen arrest van de Hoge Raad alsmede over de vraag of de (premie- danwel schadevergoedings)vordering van [geïntimeerde] al dan niet (deels) is verjaard gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 (Booking II).




2Het geding in hoger beroep


[appellant] is bij dagvaarding van 18 juli 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 19 april 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven tegen het bestreden vonnis.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte overlegging producties van 30 juli 2024 van [appellant] ;
- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 11 april 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. Brouwer voornoemd, [geïntimeerde] door mr. Lutjens voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

Ten slotte is arrest gevraagd.


[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - alsnog primair: (I) zal verklaren voor recht dat het verzet van [appellant] gegrond is en dat [appellant] niet verplichtgesteld is of is geweest om deel te nemen in het [geïntimeerde] en dat [appellant] uit dien hoofde geen premies, al dan niet verhoogd met rentes en/of boetes en al dan niet met terugwerkende kracht, hoeft en hoefde te voldoen aan [geïntimeerde] ; (II) [geïntimeerde] zal veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, waaronder in ieder geval een bedrag van € 93.179,78, vermeerderd met de wettelijke rente; en bij wijze van vermeerdering van eis (III) zal verklaren voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door het bestreden vonnis aan [appellant] te betekenen en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de schade die [appellant] daardoor heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Subsidiair heeft [appellant] gevorderd: (IV) te verklaren voor recht dat, indien en voor zover wordt geoordeeld dat [appellant] wel verplichtgesteld is om deel te nemen in [geïntimeerde] , deze verplichting pas geldt met ingang van 1 januari 2021, dan wel een andere datum gelegen na 1 januari 2015 en dat [appellant] eerst vanaf die datum gehouden is premies aan [geïntimeerde] te voldoen, doch zonder rente of boetes; (V) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] zonder geldige rechtsgrond het dwangbevel van 20 februari 2023 aan [appellant] heeft betekend; en (VI) [geïntimeerde] te verbieden het dwangbevel (verder) ten uitvoer te leggen, althans voor zover betrekking hebbend op de periode voorafgaand aan de datum met ingang waarvan geoordeeld wordt dat [appellant] verplichtgesteld is om deel te nemen in het [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tot slot heeft [appellant] gevorderd om [geïntimeerde] in haar in eerste aanleg gestelde vorderingen in reconventie alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze vorderingen af te wijzen, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.


[geïntimeerde] heeft geconcludeerd - kort samengevat en naar het hof begrijpt - tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [appellant] in hoger beroep, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met dien verstande dat [geïntimeerde] thans in hoger beroep ter precisering van de veroordeling onder VII van het dictum van het bestreden vonnis de betaling vordert van het bedrag van € 573.392,46 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, alsmede betaling van € 6.347,46 met de wettelijke handelsrente vanaf 15 oktober 2024 voor zover dit bedrag op laatstgenoemde datum niet is betaald door [appellant] .


[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.





3Feiten

De kantonrechter heeft in 1.1. tot en met 1.12. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. De kantonrechter heeft deze feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling tot uitgangspunt genomen. [appellant] heeft met grief III betoogd dat deze feiten onjuist dan wel onvolledig zijn. Voor zover de grief terecht is aangevoerd, zal het hof bij de hierna te noemen feiten hiermee rekening houden. De feiten behelzen, waar nodig aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, het volgende.


3.1.

[appellant] is een onderneming die handelt in veiligheidsproducten voor het luchtvaarttransport, waaronder spanbanden en covers voor vrachtluchtvaart.



3.2.

[geïntimeerde] is een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000). Dat betekent dat werkgevers en werknemers die onder de verplichte werkingssfeer van [geïntimeerde] vallen, aan de door [geïntimeerde] uitgevoerde pensioenregeling moeten deelnemen en de statuten en reglementen van [geïntimeerde] moeten naleven (artikel 4 Wet Bpf 2000).



3.3.
De verplichtstelling is geregeld in het verplichtstellingsbesluit inzake [geïntimeerde] van 7 februari 2018 (hierna: het verplichtstellingsbesluit), waarin onder meer het volgende is bepaald:

“2. Werkgever:


De werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon die in zijn in Nederland gevestigde onderneming of afdeling(en) van zijn onderneming het Mode-, Interieur-, Tapijt- of Textielindustriebedrijf of het Linnenverhuur- en wasserijbedrijf of het Textielreinigingsbedrijf uitoefent.


3. Tapijt- en Textielindustrie: onder Tapijt- en Textielindustrie moet worden verstaan:


I. het vervaardigen en/of doen vervaardigen van ééndimensionale in dikte variërende langgerekte structuren, zoals garens, band, touw en dergelijke door middel van het verwerken van dierlijke, plantaardige, halfsynthetische, synthetische en minerale vezels;


II. het, uitgaande van de onder I bedoelde structuren (bijvoorbeeld garens of vezels), vervaardigen en/of doen vervaardigen van tweedimensionale vlakke structuren, zoals weefsels, breisels, tapijt, netten en dergelijke, met uitzondering van papier;


III. het, uitgaande van de onder I bedoelde structuren (bijvoorbeeld garens of vezels), al dan niet met als tussenstap de onder II bedoelde activiteit, vervaardigen en/of doen vervaardigen van driedimensionale producten, zoals sokken, slangen en dergelijke:


IV. het veredelen en/of doen veredelen van die structuren als bedoeld onder I, II en III, door middel van een bewerking/oppervlaktebewerking (dit is het aanpassen van eigenschappen en/of uiterlijk), zoals bleken, verven, drukken en finishen en coaten;


V. het be- en verwerken en/of doen be- en verwerken van textiele afvallen ten behoeve van hergebruik (recycling);


VI. het bewerken en/of doen bewerken van kapok en dergelijk vezelmateriaal.


4. Mode- en Interieurindustrie: onder Mode- en Interieurindustrie moet worden verstaan: het


vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of het ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of


bewerken van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen of hetgeen ter


vervanging daarvan dient, zoals: gerubberd doek, plastic, leder, bont en dergelijke, tot een ge-


of verbruiksvoorwerp dan wel halffabrikaten daarvan, met inbegrip van in Nederland gevestigde gordijnenateliers, alles met uitzondering van ondernemingen:


I. waarin de verwerking geschiedt door detailhandelsondernemingen, die uitsluitend de in de detailhandel gebruikelijke bewerkingen verrichten;
II. die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen, waarvan de verwerkte textielstukgoederen, of hetgeen ter vervanging daarvan dient, niet een overwegend bestanddeel uitmaken, zoals schoen-, matrassen- en meubelfabrieken;
III. die in hoofdzaak artikelen vervaardigen, ter zake waarvan de algemeen verbindend verklaarde CAO voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie, Stcrt. 2009, nr. 13896, dan wel een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van: zeilmaker; dekkledenvervaardiger; dekkledenverhuur; scheepstuiger; scheepsbenodigdheden handelaar, en/of folieverwerker, dan wel waarop onderdeel 3 van toepassing is;
IV. die in hoofdzaak het maatkledingbedrijf uitoefenen. Van vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken is sprake als een onderneming één of meer van de fasen van de voortbrengingscyclus (van ontwerp tot en met verzendklaar maken) van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen verricht en/of in zijn opdracht door derden laat verrichten. (…)”



3.4.
Op 22 november 2020 heeft [appellant] van [geïntimeerde] een vragenformulier ten behoeve van een onderzoek naar een verplichting tot aansluiting (bij [geïntimeerde] ) ontvangen.



3.5.
Op 4 januari 2021 heeft [appellant] de ingevulde vragenlijst teruggezonden. Daarop heeft [appellant] ingevuld dat zij niet actief is in de in het formulier genoemde bedrijfstakken.



3.6.
Op 3 maart 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een brief met de kop “Registreer een hoofdgebruiker voor Mijn Pensioenregistratie” gezonden.



3.7.
Op 23 maart 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] medegedeeld nog geen gegevens van haar werknemers te hebben ontvangen.



3.8.
Op 12 april 2021 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen aansluiting bij [geïntimeerde] .



3.9.
Bij brief van 21 juli 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] bericht dat op basis van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming en de werkingssfeer van [geïntimeerde] , de onderneming in ieder geval voor wat betreft het vervaardigen van spanbanden onder de werkingssfeer van [geïntimeerde] valt en dat, voordat een definitief besluit op het bezwaar zal worden genomen, een werkingssfeeronderzoek ter plaatse zal worden verricht.



3.10.
Op 30 maart 2022 heeft het bedoelde onderzoek plaatsgevonden. In het door [geïntimeerde] opgestelde verslag staat onder meer het volgende:“Bedrijfsonderzoek(…)


[appellant] is opgericht in 1860. In 2011 is de onderneming overgenomen door de huidige eigenaars. De onderneming produceert goederen voor transport en producten die vracht beschermen. Deze producten voldoen aan de standaarden van [bedrijven] . Ook voor de overname in 2011 werden al geruime tijd dezelfde werkzaamheden verricht.


De onderneming produceert primair: spanbanden (TSO C172) en (thermo)covers. Daarnaast verkoopt de onderneming o.a. plastic sheeting, bebakeningsartikelen, wheel choks en isolatie/beschermingsplastics. De producten worden hoofdzakelijk verkocht aan luchtvaartmaatschappijen en groundhandlers.


Productieprocessen


Spanbanden: De banden en gespen worden op maat aangeleverd. Doormiddel van naaimachines wordt de gesp aan de band gestikt. Vervolgens wordt de spanband door middel van een metalen “nagel” definitief tot een geheel gevormd.


Thermocovers: Bij de (thermo)covers wordt er gebruik gemaakt van lijm- en lastechnieken om plastics in de benodigde vorm te krijgen (…).”




3.11.
Op 5 mei 2022 heeft [appellant] haar bezwaar nader toegelicht.



3.12.
Bij besluit van 30 juni 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven dat haar standpunt ongewijzigd is, dat de onderneming gezien de bedrijfsactiviteiten onder de verplichtstelling van [geïntimeerde] valt en verplicht dient te zijn aangesloten. Tevens is geschreven dat [appellant] verplicht blijft om al haar personeel aan te melden per 1 januari 2015 en dat [geïntimeerde] bij het uitblijven van de verstrekking van werknemersgegevens gerechtigd is de verschuldigde premie ambtshalve vast te stellen en vervolgens, na aanmaning, bij wijze van dwangbevel in te vorderen.



3.13.
Op 11 november 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een ambtshalve opgestelde nota over 2022 gezonden van € 67.084,00.



3.14.
Op 20 februari 2023 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een dwangbevel laten betekenen waarin staat dat een bedrag van € 79.259,75 aan hoofdsom inclusief buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met rente en kosten van het exploot, binnen acht dagen moet zijn betaald.






4Eerste aanleg


4.1.
Trip &Co heeft in eerste aanleg, gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair (I) te verklaren voor recht dat [appellant] niet verplicht gesteld is of is geweest om deel te nemen in het [geïntimeerde] en dat [appellant] uit dien hoofde geen premies, al dan niet verhoogd met rentes en/of boetes en al dan niet met terugwerkende kracht, hoeft te voldoen aan [geïntimeerde] ; en subsidiair (II) te verklaren voor recht dat, indien en voor zover wordt geoordeeld dat [appellant] wel verplichtgesteld is om deel te nemen in het [geïntimeerde] , deze verplichting pas geldt met ingang van 1 januari 2021, dan wel een andere datum gelegen na 1 januari 2015 en dat [appellant] eerst vanaf die datum gehouden is premies aan [geïntimeerde] te voldoen doch zonder rente of boetes. Zowel primair als subsidiair heeft [appellant] de kantonrechter tevens verzocht (III) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] zonder geldige rechtsgrond het dwangbevel van 20 februari 2023 aan [appellant] heeft betekend; (IV) [geïntimeerde] te verbieden het dwangbevel (verder) ten uitvoer te leggen, althans voor zover dat dwangbevel betrekking heeft op de periode voorafgaand aan de datum met ingang waarvan geoordeeld wordt dat [appellant] verplichtgesteld is om deel te nemen in het [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom; alsmede (V) [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.



4.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] . In reconventie heeft [geïntimeerde] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:


een verklaring voor recht dat [appellant] vanaf 1 januari 2015 valt onder de werkingssfeer van de verplichtstelling tot deelneming in [geïntimeerde] , zodat [appellant] vanaf 1 januari 2015 verplicht is tot naleving van de statuten en reglementen van [geïntimeerde] alsmede verplicht is tot naleving van de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van [geïntimeerde] , waaronder begrepen de verplichting voor [appellant] om pensioenpremie te betalen aan [geïntimeerde] ten behoeve van de werknemers die vanaf 1 januari 2015 in dienst zijn (geweest) bij [appellant] ;


dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 79.259,75 (zijnde een bedrag van € 67.084,-- ter zake van verschuldigde premie en € 12.175,75 aan buitengerechtelijke kosten) aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 25 november 2022;


dat [appellant] wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na de datum waarop het vonnis wordt gewezen elektronisch de werknemersgegevens te verstrekken aan [geïntimeerde] omtrent de (gewezen) werknemers die vanaf 1 januari 2015 in dienst zijn (geweest) bij [appellant] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;


dat [appellant] wordt veroordeeld om uiterlijk 42 dagen na de datum waarop het vonnis is gewezen aan [geïntimeerde] een controleverklaring van een registeraccountant te verstrekken, waarin de registeraccountant een goedkeurend oordeel uitspreekt over de juistheid en volledigheid van de werknemersgegevens die [appellant] op grond van veroordeling (3) heeft verstrekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;


een verklaring voor recht dat indien uit de gegevens genoemd in vordering (3) en/of (4) blijkt dat de door [appellant] verschuldigde premie, rente en kosten hoger is dan het in vordering (2) genoemde bedrag, [appellant] verplicht is dat hogere bedrag aan [geïntimeerde] te betalen;


dat [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten, met nakosten wettelijke rente.





4.3.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] onder de bedrijfstak van [geïntimeerde] en onder het toepassingsbereik van het verplichtstellingsbesluit tot deelneming in [geïntimeerde] valt. De kantonrechter heeft - voor zover van belang - als volgt overwogen. Met [geïntimeerde] wordt geoordeeld dat het assembleren van spanbanden door met behulp van naaimachines metalen haken aan kunststof banden te stikken, is aan te merken als bewerken in de zin van de verplichtstelling en als een activiteit die onder artikel 4 van het verplichtstellingsbesluit valt. De omstandigheid dat het gaat om spanbanden van kunststof die uitsluitend in de luchtvaart worden gebruikt en niet aan een private persoon of consument worden verkocht, is niet relevant. Evenmin is de omzet relevant die met alleen het stikken van de spanbanden wordt gegenereerd, aangezien een hoofdzaakcriterium ontbreekt, zodat niet relevant is in welke mate de werkzaamheden bijdragen aan de omzet van [appellant] . Geoordeeld wordt derhalve dat het assembleren van de spanbanden onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt. De verplichtstelling is van rechtswege van toepassing zodra een onderneming door haar activiteiten onder de verplichting valt. De door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. Niet (voldoende) gebleken is van feiten en omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] per 1 januari 2015 wordt aangesloten. Gelet op het door [geïntimeerde] gevoerde verweer, waarvan de juistheid door [appellant] niet afdoende is bestreden, wordt het verjaringsverweer van [appellant] verworpen. [geïntimeerde] was gerechtigd om de premienota over het jaar 2022 ambtshalve op te leggen omdat [appellant] desgevraagd geen informatie over haar werknemers heeft verstrekt. De vorderingen van [geïntimeerde] tot het verstrekken van werknemersgegevens en van een controleverklaring van een registeraccountant worden toegewezen. Ook de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht dat in het geval uit de verstrekte gegevens blijkt dat [appellant] hogere bedragen aan premie en rente verschuldigd is dan het reeds aan ambtshalve premie gevorderde bedrag, [appellant] gehouden is dat hogere bedrag te betalen aan MITT, is toewijsbaar. De kantonrechter ziet aanleiding om de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen van [appellant] in conventie worden afgewezen en de vorderingen in reconventie van [geïntimeerde] worden toegewezen. Tot slot wordt [appellant] in de proceskosten veroordeeld, aldus steeds de kantonrechter.






5Beoordeling


5.1.
Tegen de beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zeven grieven op. Met grief I voert [appellant] aan dat de weergave van het procesverloop in het bestreden vonnis onjuist is omdat daarin niet is vermeld dat [appellant] een conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen. Deze grief faalt omdat de kantonrechter onder “Verloop van de procedure” heeft vermeld dat [appellant] een conclusie van antwoord in reconventie heeft ingediend en blijkens de inhoud van het vonnis de kantonrechter daarop acht heeft geslagen. Grief III is reeds besproken in het kader van de opsomming van de feiten onder 3. [geïntimeerde] bestrijdt de (overige) grieven.


Verplichte aansluiting?




5.2.
Met de grieven II, IV en V betoogt [appellant] dat de kantonrechter het juridisch kader onjuist heeft toegepast en ten onrechte heeft geoordeeld dat zij verplicht is aangesloten bij [geïntimeerde] . [appellant] betwist dat iedere werkgever die onder de werkingssfeer valt vanzelf ook onder de verplichtstelling valt. Ter toelichting voert zij verder het volgende aan. De begrippen bedrijfstak en werkingssfeer zijn niet gelijk aan elkaar. De werkingssfeer die wordt bepaald door de sociale partners, wordt beperkt en begrensd door de bedrijfstak. Bij een bedrijfstak gaat het om gelijkgerichte activiteiten en bedrijfstakbrede solidariteit. De verplichtstelling ziet alleen op bepaalde groepen binnen de bedrijfstak voor Mode, Interieur, Tapijt en Textielindustrie. [appellant] behoort niet tot deze bedrijfstak en valt dus niet onder de verplichtstelling. [appellant] handelt immers niet in mode, kleding of interieurartikelen maar in veiligheidsproducten voor de luchtvaart. [appellant] moet aan allerlei kostbare voorwaarden in de luchtvaartwetgeving voldoen. Zij is daarom geen aan [geïntimeerde] -bedrijven gelijk te stellen onderneming. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid kan geen sprake zijn van een verplichting tot aansluiting, of dient - subsidiair - de duur van de terugwerkende kracht te worden beperkt. De assemblagewerkzaamheden aan de spanbanden maken slechts 3,3% van de omzet uit en [appellant] dient vanwege dit geringe percentage buiten de verplichtstelling te blijven. Dat de verplichtstelling zelf geen hoofdzakelijkheidscriterium bevat, betekent niet dat deze omstandigheid niet van belang is bij de redelijkheidstoets. Bovendien is de tekst van het verplichtstellingsbesluit onduidelijk en verwarrend, heeft [geïntimeerde] in 2020 haar handhavingsbeleid gewijzigd, stond [geïntimeerde] niet open voor overleg met [appellant] , zit er een nieuw verplichtstellingsbesluit aan te komen waarin wel een ondergrens is opgenomen, en heeft [appellant] altijd te goeder trouw gehandeld. Ten slotte betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte alleen heeft vermeld wat de inschrijving in het handelsregister vermeldt onder bedrijfsactiviteiten, terwijl dat geen adequate weergave van de feitelijke activiteiten van [appellant] is, en worden onjuiste, te hoge omzetcijfers gehanteerd.



5.3.
In geschil is het antwoord op de vraag of [appellant] onder de werkingssfeer valt van het verplichtgestelde [geïntimeerde] . De werkingssfeerbepaling in het verplichtstellingsbesluit bepaalt op welke activiteiten van werkgevers of zelfstandigen en op welke in de bedrijfstak werkzame personen het bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is. De werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds wordt vastgesteld door de sociale partners en bevat een omschrijving van (het onderdeel van) de bedrijfstak(ken) waarvoor de verplichtstelling geldt. De werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit moet duidelijk zijn. Werkgevers en werknemers moeten op grond van de tekst van het verplichtstellingsbesluit kunnen begrijpen of zij al dan niet onder de verplichtstelling vallen.



5.4.
De werkingssfeerbepaling in een verplichtstellingsbesluit moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. Een en ander geldt op overeenkomstige wijze voor andere regelingen dan een cao die aan de hand van de cao-norm moeten worden uitgelegd.



5.5.
De beoordeling van de vraag of de bedrijfsactiviteiten van een onderneming onder de werkingssfeer van een verplichtstellingsbesluit vallen, vereist niet alleen een uitleg van de desbetreffende werkingssfeerbepaling, maar ook een feitelijke vaststelling van de activiteiten van de onderneming. Bij de vaststelling van de werkelijke activiteiten van een onderneming zijn de statutaire doelomschrijving of sectorindeling in het handelsregister van de Kamer van Koophandel of bij de Belastingdienst niet van doorslaggevende betekenis. Evenmin is bepalend hoe de onderneming zelf haar werkzaamheden kwalificeert.



5.6.
Uit artikel 2 van het verplichtstellingsbesluit van [geïntimeerde] volgt, voor zover van belang, dat iedere rechtspersoon die in zijn in Nederland gevestigde (afdeling van zijn) onderneming het Mode- of Interieurbedrijf uitoefent, werkgever is in de zin van dit besluit. Vervolgens volgt uit artikel 4 van het verplichtstellingsbesluit van [geïntimeerde] dat onder Mode- en Interieurindustrie in de zin van dit besluit moet worden verstaan het vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of het ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen of hetgeen ter vervanging daarvan dient tot een ge- of verbruiksvoorwerp dan wel halffabrikaten daarvan. [appellant] heeft toegelicht dat haar feitelijke ondernemingsactiviteiten bestaan uit in- en verkoop van veiligheidsproducten voor luchtvrachtvervoer. Zij heeft toegelicht dat de Cargo Restraint Straps spanbanden van industrieel textiel zijn met een specifieke sluitings- en bevestigingsmechanisme waardoor deze straps uitsluitend in het vrachtruim van vliegtuigen kunnen worden gebruikt. Om metalen haken aan de kunststof banden te bevestigen moet er stikwerk met naaimachines plaatsvinden aan de straps. Deze bedrijfsactiviteiten van [appellant] zijn aan te merken als het vervaardigen, verwerken en/of bewerken van textielstukgoederen als bedoeld in artikel 4 van het verplichtstellingsbesluit inzake [geïntimeerde] .



5.7.
Het hof volgt [appellant] niet in haar stelling dat zij als onderneming weliswaar onder de werkingssfeer kan vallen maar niet onder de verplichtstelling omdat zij niet binnen dezelfde bedrijfstak werkzaam is. Voor die stelling biedt het wettelijk systeem immers geen ruimte. Op grond van artikel 111 lid 2 Pensioenwet (hierna: Pw) vindt de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds als [geïntimeerde] plaats door het omschrijven van de bedrijfsactiviteiten van de bedrijfstak. Volgens de Beleidsregels toetsingskader Wet Bpf 2000 geldt dat op wie een besluit tot vrijstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door de sociale partners. Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, benoemen sociale partners de bedrijfsactiviteiten die toebehoren aan de bedrijfstak(ken) waarvoor de verplichtstelling wordt aangevraagd. Het wettelijk systeem van de verplichtstelling gaat er aldus vanuit dat er een verplichting is indien en zodra een werkgever onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt, welke werkingssfeer door de sociale partners wordt bepaald. Daarmee is het aan de sociale partners, bij wie het primaat ten aanzien van arbeidsvoorwaardenvorming ligt, om een bedrijfstak af te bakenen. De Wet Bpf 2000 stelt geen voorwaarden aan wat nog wel en wat niet als een bedrijfstak kan worden gezien. Dergelijke voorwaarden kunnen ook niet worden ontleend aan door [appellant] aangehaalde bewoordingen in de aanhef van het vrijstellingsbesluit, literatuur, rechtspraak en de Parlementaire Geschiedenis. Dit systeem is, anders dan door [appellant] is bepleit, niet in strijd met het doel van de Wet Bpf 2000. De Wet Bpf 2000 heeft immers niet alleen tot doel het voorkomen van concurrentievoordelen voor werkgevers zonder pensioenregeling, maar ook en vooral het terugdringen van het gebied van de werknemers waarvoor door de werkgevers geen of slechts voor een deel van de werknemers een pensioentoezegging is gedaan (het vermijden van witte vlekken) (Kamerstukken II 2000/01 27 073, nr. 3, p. 1). Gelet op het voorgaande is het niet van belang dat [appellant] niet handelt in mode, kleding of interieurartikelen (maar in veiligheidsproducten voor luchtvaart).



5.8.

[appellant] heeft ook aangevoerd dat de assemblagewerkzaamheden aan de spanbanden slechts 3,3% van de omzet van [appellant] uitmaken. Deze stelling heeft [appellant] aangevoerd zowel in het kader van de uitleg van de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit als in het kader van haar beroep op de redelijkheid en billijkheid op grond waarvan de verplichting tot aansluiting volgens [appellant] buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Het hof overweegt dat het verplichtstellingsbesluit van [geïntimeerde] geen hoofdzakelijkheidscriterium of enig ander drempelcriterium kent. Het hof verwijst in dit verband naar een arrest van het gerechtshof Den Bosch van 16 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2339) waarin de vraag centraal staat of een bedrijf in schoonmaak- en hygiëneartikelen onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van [geïntimeerde] valt. Volgens het hof Den Bosch heeft [geïntimeerde] terecht aangevoerd dat het verplichtstellingsbesluit geen “hoofdzakelijkheidscriterium” kent, zodat dit ertoe leidt dat het bedrijf onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt, ondanks de omstandigheid dat de betreffende werkzaamheden maar een klein onderdeel van haar activiteiten betreft. Het hof heeft vervolgens wel geoordeeld dat het, onder andere vanwege de geringe omvang van die werkzaamheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] zich beroept op het verplichtstellingsbesluit. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. In cassatie ligt onder meer de vraag voor of het hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het verplichtstellingsbesluit, daar waar het, kort gezegd, de werkingssfeer heeft aangemerkt als zodanig ruim dat dit – ook met toepassing van de cao-norm – geen enkele ondergrens heeft. Nu in de onderhavige zaak dezelfde rechtsvraag/rechtsvragen voorliggen, ziet het hof aanleiding om de behandeling aan te houden in afwachting van het arrest van het Hoge Raad op het cassatieberoep tegen het arrest van 16 juli 2024 van het gerechtshof Den Bosch. Voor het verdere verloop van de procedure wordt verwezen naar rov. 5.13.


Verjaring




5.9.
Met grief VI bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [geïntimeerde] niet is verjaard. [appellant] stelt dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment dat de vordering opeisbaar is en dat het moment van opeisbaarheid niet ten voordele van [geïntimeerde] kan worden opgeschoven met een niet toelaatbare afwijking van artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in het uitvoeringsreglement. Volgens [appellant] kan het verweer van [geïntimeerde] dat zij haar vordering mede heeft gebaseerd op onrechtmatige daad haar niet baten omdat die grondslag onvoldoende is onderbouwd. [appellant] betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, waarbij ook de goede trouw een rol speelt. Verder betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op haar stelling dat [geïntimeerde] niet de bevoegdheid heeft om in haar uitvoeringsreglement eenzijdig af te wijken van de wettelijke en absolute verjaringstermijnen.



5.10.

[geïntimeerde] heeft haar betalingsvordering gebaseerd op twee juridische grondslagen, te weten op nakoming van de premiebetalingsverplichting op grond van het uitvoeringsreglement van [geïntimeerde] alsmede op onrechtmatige daad. In beide gevallen is volgens [geïntimeerde] geen sprake van verjaring. Indien [geïntimeerde] in oktober 2020 bekend is geworden met het bestaan van [appellant] en in januari 2021 met de aansluitverplichting, dan vangt de opeisbaarheid vanaf dat moment aan en gaat per hetzelfde moment de verjaringstermijn lopen, aldus [geïntimeerde] .



5.11.
Het hof overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR2025:423, Booking II) heeft geoordeeld dat de verjaring van een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van premie wordt beheerst door artikel 3:308 BW en dat de vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode opeisbaar is op het tijdstip van betaling dat in het uitvoeringsreglement (binnen de door artikel 26 Pw gestelde grenzen) voor die vordering is bepaald. Indien dat tijdstip afhankelijk is gesteld van een handeling van de pensioenuitvoerder, zoals het verzenden van een premienota, en die handeling achterwege is gebleven, wordt de vordering voor de toepassing van artikel 3:308 BW geacht opeisbaar te zijn geworden op het uiterste tijdstip van betaling van de premie bedoeld in artikel 26 Pw. De verjaringstermijn van artikel 3:308 BW vangt aan op de dag, volgende op die waarop de vordering van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode opeisbaar is geworden of geacht wordt opeisbaar te zijn geworden, ongeacht of het fonds bekend is of had kunnen zijn met de verplichte deelneming. De verjaringstermijn van artikel 3:308 BW wordt ingevolge artikel 3:320 BW in verbinding met artikel 3:321, aanhef en onder f, BW verlengd indien - kort gezegd - de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor het bedrijfstakpensioenfonds verborgen heeft gehouden. Ook kan onder omstandigheden een beroep van de werkgever op de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW jegens het bedrijfstakpensioenfonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:2 lid 2 BW), aldus de Hoge Raad.



5.12.
Gelet op dit recente Booking II-arrest ziet het hof aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over:
(1) de toepasselijke verjaringstermijn en het aanvangsmoment van deze verjaringstermijn ten aanzien van de betalingsvordering van [geïntimeerde] op beide grondslagen: de vordering tot nakoming van de betalingsverplichting op grond van het uitvoeringsreglement van [geïntimeerde] en de vordering tot betaling van (vervangende) schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad;
(2) de vraag of de betalingsvordering van [geïntimeerde] op beide grondslagen verjaard is;
(3) de vraag of, en zo ja hoe en wanneer, de verjaring gestuit is.


Vervolg procedure




5.13.
Gelet op hetgeen hiervoor in rov. 5.8 is overwogen, zal het hof de behandeling van de onderhavige zaak aanhouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad op het cassatieberoep van [geïntimeerde] tegen het arrest van het hof Den Bosch van 16 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2339). Vervolgens zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te reageren op het te zijner tijd te wijzen arrest van de Hoge Raad. Ook krijgen zij dan de mogelijkheid om tegelijkertijd te reageren op de hierboven genoemde vragen ten aanzien van de verjaring van de verzoeken van [geïntimeerde] (zie rov. 5.12).



5.14.
De overige grieven VII tot en met XII behoeven vooralsnog geen bespreking. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.






6Beslissing

Het hof:

houdt de behandeling van de zaak aan in afwachting van het arrest van de Hoge Raad op het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 16 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2339);

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, M.L.D. Akkaya en N. Kampert en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Link naar deze uitspraak