Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2025:25422 
 
Datum uitspraak:24-12-2025
Datum gepubliceerd:09-01-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:680719
Rechtsgebied:Intellectueel-eigendomsrecht
Indicatie:Intellectueel eigendom. Kwekersrecht. Schriftelijke licentieovereenkomst niet van toepassing op de relevante rassen. Mondelinge licentieovereenkomst niet rechtsgeldig ontbonden en dus nog steeds van kracht. Geen inbreuk op kwekersrechten. Reconventionele vorderingen grotendeels toegewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
tarieven
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/680719 / HA ZA 25-174



Vonnis van 24 december 2025


in de zaak van



[partij A], tevens handelend onder de naam [handelsnaam 1],
te [woonplaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. P.W.M. Steenbergen,

tegen



[partij B], tevens handelend onder de naam [handelsnaam 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. L. Koning.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 februari 2025, met producties EP01 t/m EP19;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie, met producties GP01 t/m GP17;
- de definitieve (na wijziging) conclusie van antwoord in reconventie;
- de aanvullende productie EP20 van de zijde van [partij A];
- de aanvullende productie GP18 van de zijde van [partij B].



1.2.
Op 25 september 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.





2De feiten


2.1.

[partij A] is veredelaar (uitvinder van nieuwe rassen), teler en verkoper van planten en snijheesters in de volle grond, waaronder diverse astrantia- en astilbe-rassen.



2.2.

[partij A] is houder van diverse communautaire kwekersrechten, waaronder die ten aanzien van de rassen met de benamingen [ras 1], [ras 2], [ras 3], [ras 4], [ras 5] en [ras 6].


2.3.

[partij B] drijft een handelskwekerij in planten en snijbloemen. Hij houdt zich onder meer bezig met de teelt en verkoop van stekken, planten en bloemen.



2.4.
Begin van de eeuw zijn [partij A] en [partij B] gaan samenwerken. Uitgangspunt voor de samenwerking was het ontwikkelen en exploiteren van (met name) nieuwe astrantia-rassen. [partij A] was verantwoordelijk voor de veredelingswerkzaamheden en zorgde voor nieuwe rassen. [partij B] verzorgde de teelt op zijn teeltlocatie te [plaats] (hierna: de tuin). Uit de teelt verkocht [partij B] planten. Hiervoor betaalde hij royalty’s aan [partij A]. Verder vroeg [partij B] op zijn kosten maar op naam van [partij A] kwekersrechten aan. [partij B] betaalde de jaarlijkse instandhoudingskosten daarvan. [partij A] betaalde aan [partij B] een vergoeding voor onderhoudskosten voor de tuin.



2.5.
In 2003 hebben partijen afspraken neergelegd in een licentieovereenkomst met [nummer 1] (hierna te noemen: de Licentieovereenkomst). In het kader van die overeenkomst trad [partij A] op als licentiegever en [partij B] als licentienemer.



2.6.
In de Licentieovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

“OVERWEGENDE:



dat Licentiegever doorlopend nieuwe soorten van het gewas astrantia en astilbe ontwikkelt;


dat Licentiegever en Licentienemer een samenwerking wensen aan te gaan waarbij Licentienemer een deel van de nieuw ontwikkelde rassen van het gewas astrantia en astilbe in productie zal nemen;


dat Licentiegever en Licentienemer in de toekomst diverse astrantia en astilbe rassen onder de werkingssfeer van dit licentiecontract zullen brengen middels een telkens opnieuw vast stellen en te ondertekenen bijlage I bij dit licentiecontract;


at in bijlage I bij dit licentiecontract derhalve alle astrantia en astilbe rassen die deel uitmaken van dit licentiecontract zijn gespecificeerd, hierna te noemen ‘De Rassen’;



(…)


VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:


1. LICENTIE



1.1
Licentiegever verleent hierbij aan Licentienemer uitsluitend voor de landen en territoria die per ras in bijlage I bij dit contract zijn gespecificeerd, hierna: ‘Het Territorium’, een niet-overdraagbare exclusieve licentie, zonder het recht tot verlening van enige sublicentie, om:


zelf op het eigen bedrijf van licentienemer of middels contractvermeerdering op bedrijven van derden een moederbestand van De Rassen op te bouwen en te onderhouden;


zelf op het eigen bedrijf van licentienemer of middels contractvermeerdering op bedrijven van derden, jonge planten van de Rassen te produceren;


de geproduceerde jonge planten te verhandelen aan kwekers binnen het Territorium bestemd voor de teelt van eindproducten te weten planten in container.



(…)



1.4
De onderhavige licentie is uitsluitend bedoeld voor de productie en verkoop van planten van De Rassen voor de consumptie als plant in container of als vaste plant in de tuin door de consument. Licentienemer noch diens afnemers, mogen snijbloemen van De Rassen produceren of verhandelen. Indien Licentienemer of enige teler snijbloemen van De Rassen wenst te produceren, dan dient eerst een bloementeeltcontract voor De Rassen te worden aangegaan met Licentiegever. In het geval van bloementeelt, levert Licentienemer het plantmateriaal van de Rassen uit aan de desbetreffende kweker ten behoeve van de bloementeelt, exclusief royalty's.

(…)
3. NIEUWE CONTRACTUELE RASSEN

(…)



3.2
In het geval proeven succesvol zijn, en partijen een nieuw ras onder de werkingssfeer van het onderhavige licentiecontract wensen te brengen, dan stelt Licentiegever daartoe een nieuwe bijlage I bij dit licentiecontract op. Het nieuwe ras komt dan definitief onder de werkingssfeer van dit licentiecontract te vallen, op het moment dat de nieuwe bijlage I door beide partijen is ondertekend, en het door beide partijen ondertekende origineel in het bezit van Licentiegever is.

(…)

5. SCHRIFTELIJKE OPGAVE



5.1
Licentienemer is verplicht om jaarlijks in de maand mei aan Licentiegever een gespecificeerde schriftelijke opgave te doen van de aantallen planten van De Rassen welke hij in de afgelopen periode van 12 maanden, lopend van 1 april van het vorige kalenderjaar tot en met 30 april van het huidig kalenderjaar, heeft verkocht.

(…)

6. ROYALTY VERGOEDING EN WIJZE VAN AFREKENEN

(…)



6.4
Licentienemer is verplicht elk door hem krachtens dit licentiecontract verschuldigd geworden bedrag te betalen uiterlijk binnen één maand na dagtekening van de betreffende hem toegezonden nota. Bij gebreke van tijdige voldoening wordt Licentienemer aan Licentiegever, zonder dat sommatie en ingebrekestelling daartoe vereist zal zijn, verschuldigd een rente van 1% per maand of gedeelte van een maand over al het aan 'Licentiegever' verschuldigde vanaf 1 maand na factuurdatum en voorts alle buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten tot incassering van het verschuldigde, welke buitengerechtelijke kosten tenminste zullen bedragen 15% van al het verschuldigde, incl. B.T.W.

(…)

13. BUITENGERECHTELIJKE ONTBINDING



13.1
Dit licentiecontract kan zonder rechterlijke tussenkomst na sommatie met een redelijke termijn en ingebrekestelling met ogenblikkelijke ingang buiten rechte worden ontbonden:
- door Licentiegever op grond van wanbetaling door Licentienemer,
- door één der beide partijen in het geval van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van enige (andere) verbintenis uit dit licentiecontract door de wederpartij, welke ontbinding rechtvaardigt.

(…)

14. BOETEBEDING



14.1
Licentienemer verbeurt voor elke keer, dat zij enige uit dit licentiecontract voor haar voortspruitende verplichting niet nakomt een onmiddellijk opeisbaar boetebedrag van euro 10.000,00 (zegge: tienduizend euro's) ten gunste van Licentiegever, onverminderd diens recht om van Licentienemer algehele vergoeding voor de schade, welke uit de wanprestatie voor hem voortvloeit, te vorderen.”



2.7.
Bij de Licentieovereenkomst zijn vijf Bijlages 1 aangehecht. In ieder van die Bijlages 1 staat: “Onderstaande soort valt onder bovenstaand licentiecontract [nummer 1]”, In de verschillende Bijlages 1 worden de volgende rassen genoemd:



[ras 7];



[ras 8];



[ras 9];



[ras 10]; en



[ras 11].





2.8.
De rassen die [partij B] teelt voor [partij A] zijn [ras 1], [ras 2], [ras 3], [ras 4]’, [ras 5] en [ras 6] (hierna: de Rassen).



2.9.
Vanaf 2013 heeft [partij A] [partij B] toestemming gegeven om ook snijbloemen te gaan produceren en te verkopen, tegen betaling van royalty’s aan [partij A].



2.10.
Bij facturen van [partij A] van 1 maart 2019 en 14 augustus 2021 heeft [partij A] royalty’s bij [partij B] in rekening gebracht voor de aantallen en verkopen met betrekking tot de periode 2016 tot en met 2020.



2.11.
Op 8 februari 2021 heeft de heer [naam] (hierna: [naam]), de accountant van [partij B], voor zover relevant, het volgende per e-mail gestuurd aan [partij A]:

“[partij B] gaat akkoord met een royaltiebedrag van 18,8 cent over de achterliggende periode.

Wij gaan bij de eerste gelegenheid om tafel om de afrekening uit het verleden definitief af te ronden en nieuwe afspraken te maken voor de toekomst.”



2.12.
Bij e-mail van 15 oktober 2022 heeft [partij A] de Licentieovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Volgens [partij A] heeft [partij B] de Licentieovereenkomst op diverse punten overtreden, door royaltyfacturen en boetefacturen niet te betalen en door het niet-tijdig aanleveren van cijfers voor de royaltyberekening. Volgens [partij A] bedroeg zijn vordering op [partij B] op dat moment € 284.688,08. Bij aangetekende brief van 18 oktober 2022 heeft [partij A] de buitengerechtelijke ontbinding van de Licentieovereenkomst herhaald.



2.13.
Bij e-mail van 20 oktober 2022 heeft [partij B] gereageerd. Volgens [partij B] voldeed hij aan al zijn verplichtingen en heeft de ontbinding geen effect gehad. De licentie is volgens [partij B] in stand gebleven. [partij B] betwistte een bedrag verschuldigd te zijn aan [partij A] en stelde dat hij nog een bedrag van [partij A] tegoed heeft.



2.14.

[partij B] is nadien doorgegaan met de verkoop van de Rassen.



2.15.
Bij brief van 29 november 2022 heeft de advocaat van [partij A] [partij B] gewezen op de ontbinding en gesommeerd een bedrag van € 439.083,22 aan [partij A] te betalen.



2.16.
Bij brief van 22 december 2022 heeft de advocaat van [partij B] hierop gereageerd. Hij heeft aansprakelijkheid van de door [partij A] gestelde schade van de hand gewezen, [partij A] aansprakelijk gesteld voor het bedrag van € 134.506,29 en medegedeeld dat [partij B] zijn royaltyverplichtingen en de kosten van het kwekersrecht zou verrekenen met voornoemde vordering.



2.17.
Partijen, althans hun advocaten, hebben daarna over en weer met elkaar gecorrespondeerd.



2.18.

[partij A] heeft na daartoe verleend verlof van de voorzieningenrechter op 31 december 2024 beslag laten leggen op de bankrekeningen van [partij B]. Dit beslag heeft geen doel getroffen.





3Het geschil


in conventie



3.1.

[partij A] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

A. [partij B] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis veroordeelt tot:


het staken en gestaakt houden van elke vorm van uitvoering en/of gebruik van de Licentieovereenkomst;


het staken en gestaakt houden van elke vorm van exploitatie van alle kwekersrechten en andere rechten van intellectuele eigendom van [partij A] met betrekking tot de rassen, in elk geval voor zover opgesomd in productie EP04;


het staken en gestaakt houden van elke vorm van gebruik van de moederplanten en andere plantmaterialen, zoals stekken, van de rassen van [partij A];


een en ander op straffe van verbeurte van een boete van € 25.000,- per overtreding en € 5.000,- per dag dat die overtreding voortduurt;




[partij B] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis veroordeelt tot:
5. het doen van een schriftelijke mededeling per brief en e-mail aan de derde-ondernemingen, waar [partij B] in het verleden bloemen en/of planten en/of stekken van de rassen van [partij A] aan heeft geleverd, met de inhoud dat [partij B] is veroordeeld zoals gevorderd onder 1 en 2;
6. afgifte van een lijst van de derde-ondernemingen waar [partij B] snijbloemen en/of planten en/of stekken van de rassen van [partij A] aan heeft geleverd en afgifte van een kopie van de brieven aan die derde-ondernemingen zoals bedoeld in het onder 5) gevorderde;
7. het doen van een volledige schriftelijke opgave aan [partij A] van alle door [partij B] sinds 1 januari 2015 verkochte snijbloemen en/of planten en/of stekken van de rassen van [partij A], alsmede van alle berekeningen van aan [partij A] verschuldigde royalty’s en andere bedragen, alsmede van alle hiermee verband houdende facturen en reeds verrichte betalingen;
8. het meewerken door [partij B] en zijn accountant / boekhouder aan een accountantscontrole namens [partij A] en afgifte aan [partij A] van de resultaten van deze controle;
9. het meewerken aan de vernietiging van alle moederplanten en ander plantmateriaal van de rassen van [partij A] op het bedrijf en de locaties van [partij B];
10. één en ander op straffe van verbeurte van een boete van € 25.000,- per overtreding en € 5.000,- per dag dat die overtreding voortduurt;

voor recht verklaart dat:
11) de Licentieovereenkomst tussen partijen door buitengerechtelijke ontbinding met onmiddellijk effect is beëindigd per 15 oktober 2022, althans per 18 oktober 2022, althans per 1 januari 2023 althans per 1 januari 2024;
11) [partij B] inbreuk heeft gemaakt op de kwekersrechten van [partij A] door de rassen en de kwekersrechten op die rassen na de (datum van de) buitengerechtelijke ontbinding te (blijven) exploiteren;
11) [partij B] inbreuk heeft gemaakt op de kwekersrechten van [partij A] als hij gedurende de Licentieovereenkomst met [partij A] tot aan de buitengerechtelijke ontbinding de aan [partij A] verschuldigde royalty’s met betrekking tot die kwekersrechten niet volledig aan [partij A] heeft betaald;
11) [partij B] inbreuk heeft gemaakt op de kwekersrechten van [partij A] door gedurende de Licentieovereenkomst tot aan de buitengerechtelijke ontbinding geen en/of niet tijdige en/of onvolledige opgave aan [partij A] heeft gedaan van de door [partij B] verkochte aantallen snijbloemen en/of planten en/of stekken van de Rassen van [partij A], terwijl hij de Rassen en de kwekersrechten op die Rassen wel heeft geëxploiteerd;
11) [partij A] als gevolg van de handelingen van [partij B] schade heeft geleden, nader op te maken bij staat, in het kader waarvan de rechtbank deze zaak verwijst naar een schadestaatprocedure;
11) De door [partij A] op te stellen schadestaat mede kan bestaan uit althans een nader te bepalen aantal boetes van € 10.000,- conform artikel 14 van de Licentieovereenkomst, alsmede uit de integrale juridische onkosten c.q. de advocaatkosten van [partij A] op grond van artikel 1019h Rv alsmede een vordering tot afdracht van omzet dan wel winst, alsmede uit de contractuele rente per factuur van [partij A] vanaf de vervaltermijn op basis van artikel 6.4 van de Licentieovereenkomst, alsmede uit de werkelijk door [partij A] geleden en nog te lijden schade conform artikel 14 van de Licentieovereenkomst, althans dat [partij A] in de schadestaatprocedure bij zijn schadevordering deze onderdelen kan adresseren.


[partij B] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [partij A] te betalen alle proceskosten, inclusief de kosten van het beslag, en de nakosten.



3.2.

[partij A] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. [partij B] voldeed niet aan zijn verplichtingen onder de Licentieovereenkomst. Hij deed consequent te laat opgave van de door hem verkochte planten en snijbloemen, terwijl dit op grond van artikel 5 van de Licentieovereenkomst binnen een maand na afsluiting van het seizoen moest gebeuren. Bovendien deed [partij B] vaak onvolledige opgaven van aantallen planten en snijbloemen. Het gevolg daarvan was dat [partij B] structureel te weinig royalty’s aan [partij A] heeft betaald. Ook betaalde [partij B] de royalty’s in strijd met het bepaalde in artikel 6.4 van de Licentieovereenkomst structureel te laat. Bovendien heeft hij meerdere boetefacturen en royaltyfacturen ten onrechte onbetaald gelaten. Door de voortdurende overtredingen van de Licentieovereenkomst heeft [partij B] meerdere contractuele boetes van € 10.000,- verbeurd op grond van artikel 14 van de Licentieovereenkomst. Ook deze boetes heeft [partij B] niet betaald. [partij A] heeft door dit alles schade geleden. Vanwege de voortdurende wanprestatie van [partij B] heeft [partij A] de Licentieovereenkomst op grond van artikel 13 daarvan rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden. Met de verkoop van de rassen na de ontbinding heeft [partij B] inbreuk gemaakt op de kwekersrechten van [partij A] ten aanzien van de relevante rassen.



3.3.

[partij B] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met veroordeling van [partij A] in de proceskosten ex artikel 1019h Rv vermeerderd met wettelijke rente.



3.4.

[partij B] voert het volgende aan. De Licentieovereenkomst is niet van toepassing op de Rassen die [partij B] voor [partij A] teelt en in het recente verleden heeft geteeld. Die Rassen zijn immers nooit onder de werking van de Licentieovereenkomst gebracht. Met betrekking tot de Rassen hebben partijen geacteerd op basis van een mondelinge samenwerkingsovereenkomst, onder andere inhoudende een mondelinge licentie ten aanzien van de Rassen. [partij B] heeft dan ook geen verplichtingen onder de Licentieovereenkomst geschonden en de ontbinding van diezelfde overeenkomst heeft dan ook geen effect gehad. [partij B] is dus geen boetebedragen verschuldigd en is ook overigens geen bedragen aan [partij A] verschuldigd; het is juist [partij B] die geld van [partij A] heeft te vorderen.



3.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.


in reconventie




3.6.

[partij B] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [partij A] veroordeelt tot betaling van € 86.499,51, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, proceskosten ex artikel 1019h Rv, nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten.



3.7.

[partij B] legt aan deze vordering het volgende ten grondslag. [partij A] heeft meerdere facturen en overige vorderingen van [partij B] ten onrechte onbetaald gelaten.



3.8.

[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.



3.9.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


Bevoegdheid



4.1.
Voor zover de vorderingen van [partij A] in conventie gebaseerd zijn op de Licentieovereenkomst, is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 16 daarvan. Dat artikel bepaalt immers dat de rechtbank Den Haag bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die zijn ontstaan uit de Licentieovereenkomst. Voor zover de vorderingen van [partij A] gebaseerd zijn op zijn communautaire kwekersrechten is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 101 lid 2 onder a en lid 4 GKVo in verbinding met artikel 78 lid 2 sub a ZPW. [partij B] heeft de bevoegdheid van deze rechtbank ook niet bestreden.



4.2.
Met betrekking tot de vorderingen van [partij B] in reconventie is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 7 lid 2 Rv. Tussen de vorderingen in reconventie en de vorderingen in conventie bestaat voldoende samenhang. [partij A] heeft de bevoegdheid ook niet bestreden.


in conventie




4.3.

[partij A] baseert zijn vorderingen in belangrijke mate op (de toepasselijkheid van) de Licentieovereenkomst. [partij B] betwist niet dat partijen de Licentieovereenkomst zijn aangegaan, maar wel dat de Rassen onder de werkingssfeer van de Licentieovereenkomst vallen. De rechtbank zal daarom eerst ingaan op de vraag of de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen.


Is de Licentieovereenkomst van toepassing op de Rassen?




4.4.
Doordat [partij A] zich beroept op de rechtsgevolgen van de stelling dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen, rust op hem op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van die stelling.



4.5.

[partij A] heeft daartoe aangevoerd dat de Licentieovereenkomst per nieuw ras wordt aangevuld met een bijlage I. Als productie EP06 heeft [partij A] enkele voorbeelden van dergelijke bijlages I in het geding gebracht. Op de bijlages I staan steeds fantasienamen, maar die zijn in een later stadium gewijzigd in de definitieve namen beginnend met [rasnaam] conform die van de Rassen. Ter zitting heeft [partij A] desgevraagd toegelicht dat ‘[ras 9]’ de fantasienaam is voor [ras 12] en ‘[ras 10]’ de fantasienaam is voor [ras 1]. Voor zover er voor de Rassen geen bijlages I zijn overgelegd, geldt dat partijen wel bedoeld hebben om die rassen onder de werking van de Licentieovereenkomst te brengen. Omdat het om kwekersrechtelijk beschermde rassen gaat, moet de Licentieovereenkomst wel van toepassing zijn, immers [partij B] mag zonder een licentieovereenkomst geen (planten van de) rassen van [partij A] gebruiken, telen, verkopen en in sub-licentie geven, aldus steeds [partij A].



4.6.

[partij B] betwist dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen. Voor de Rassen zijn geen bijlages I overgelegd. De wel overgelegde bijlages I betreffen andere rassen, die [partij B] niet teelt of in het recente verleden heeft geteeld voor [partij A]. Ter zitting heeft [partij B] desgevraagd toegelicht dat ‘[ras 7]’ de [ras 13] was, dat voor zowel de ‘[ras 8]’ en ‘[ras 11]’ kwekersrechten zijn aangevraagd maar dat die zijn afgewezen, dat ‘[ras 10]’ de [ras 14] is geweest maar dat die nooit is doorgezet en dat de ‘[ras 9]’ de [ras 12] geweest zou kunnen zijn, maar dat die al 15 jaar niet meer in productie is.



4.7.
Voor de beantwoording van de vraag of de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen komt het mede aan op een uitleg van de Licentieovereenkomst. De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding tussen partijen is geregeld kan volgens vaste jurisprudentie niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.



4.8.
De rechtbank constateert dat de Licentieovereenkomst het volgende bepaalt:


i) Astrantia- en astilberassen worden onder de werkingssfeer van de Licentieovereenkomst gebracht door een telkens opnieuw vast te stellen en te ondertekenen bijlage I bij de Licentieovereenkomst (considerans onder c),


ii) In bijlage I bij de Licentieovereenkomst zijn derhalve alle astrantia- en astilberassen die deel uitmaken van de Licentieovereenkomst gespecificeerd (considerans onder d); en


iii) een nieuw ras gaat pas definitief onder de werkingssfeer van de Licentieovereenkomst vallen op het moment dat de nieuwe bijlage I door beide partijen is ondertekend, en het door beide partijen ondertekende origineel in het bezit is van [partij A] als licentiegever (artikel 3.2).





4.9.
Uit deze bepalingen in de Licentieovereenkomst leidt de rechtbank af dat alleen die rassen onder de werkingssfeer van de Licentieovereenkomst vallen, waarvoor bijlages I bestaan die door beide partijen zijn ondertekend en in bezit zijn gebracht van [partij A]. Dat partijen bedoeld hebben om ook rassen waarvan geen ondertekende bijlages I bestaan onder de werkingssfeer van de Licentieovereenkomst te laten vallen, zoals door [partij A] betoogd, volgt de rechtbank niet. Dit is in tegenspraak met de expliciete bewoordingen van de Licentieovereenkomst en [partij A] heeft dit standpunt niet onderbouwd.



4.10.

[partij A] heeft als productie EP06 vijf bijlages I overgelegd voor rassen met de namen ‘[ras 7]’, ‘[ras 8]’, ‘[ras 9]’, ‘[ras 10]’ en ‘[ras 11]’. Dit zijn andere namen dan de namen van de Rassen die [partij B] – zoals hij onbetwist naar voren heeft gebracht – op dit moment voor [partij A] teelt en in het recente verleden heeft geteeld, te weten de [ras 1], [ras 2], [ras 3], [ras 4]’, [ras 5] en [ras 6]. De rechtbank volgt [partij A] in zijn stelling dat de in de bijlages I genoemde namen in een later stadium zijn omgezet in namen beginnend met [rasnaam]. Deze stelling heeft [partij B] niet betwist en voor een aantal van de in bijlages I genoemde namen ook erkend. Echter, naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] niet althans onvoldoende duidelijk gemaakt dat de namen genoemd in de bijlages I uiteindelijk zijn omgezet naar de namen van de Rassen, en dus dat de bijlages I betrekking hebben op de Rassen. Weliswaar heeft [partij A] zich ten aanzien van de ‘[ras 10]’ op het standpunt gesteld dat deze later is omgezet naar [ras 1], maar deze stelling heeft hij niet onderbouwd met berichten of stukken waaruit dit blijkt en/of verklaringen die dat bevestigen. Dit had, gezien de gemotiveerde betwisting van deze stelling door [partij B], die er juist op heeft gewezen dat ‘[ras 10]’ de [ras 14] betrof die nooit in productie is genomen, wel op zijn weg gelegen.



4.11.
De rechtbank volgt [partij A] ten slotte niet in zijn betoog dat de Licentieovereenkomst wel van toepassing moet zijn op de Rassen, omdat de Rassen kwekersrechtelijk beschermd zijn en [partij B] zonder licentieovereenkomst geen (planten van de) rassen van [partij A] mag gebruiken, telen, verkopen en in sub-licentie geven. Het is juist dat [partij B] zijn activiteiten met betrekking tot de Rassen niet mag verrichten zonder licentie, nu de Rassen kwekersrechtelijk zijn beschermd ten gunste van [partij A] (vgl. artikel 27 GKVo). Dit betekent echter niet automatisch dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen. Partijen kunnen ten aanzien van de Rassen ook gehandeld hebben – en dit is ook het standpunt van [partij B] – op basis van een mondelinge licentieovereenkomst en tegen andere voorwaarden dan zoals die zijn neergelegd in de Licentieovereenkomst.


4.12.
De conclusie uit het voorgaande is dat [partij A] ten aanzien van de stelling dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe. Daarmee is niet komen vast te staan dat de Rassen onder de werkingssfeer van de Licentieovereenkomst vallen. De rechtbank volgt daarmee het standpunt van [partij B] dat partijen met betrekking tot de Rassen hebben gehandeld op basis van een mondelinge (samenwerkings-)overeenkomst, onder andere inhoudende een mondelinge licentieovereenkomst ten aanzien van de Rassen.


Is de buitengerechtelijke ontbinding rechtsgeldig?




4.13.

[partij A] heeft de Licentieovereenkomst bij e-mail van 15 oktober 2022 buitengerechtelijk ontbonden op grond van het bepaalde in artikel 13 daarvan. Deze ontbinding heeft hij bij brief van 18 oktober 2022 herhaald. [partij A] vordert nu een verklaring voor recht dat deze buitengerechtelijke ontbinding rechtsgeldig is geweest (vordering 11). [partij B] betwist de rechtsgeldigheid van de ontbinding en stelt dat de mondelinge licentie nog altijd van kracht is.



4.14.
Zoals hiervoor in 4.11 is geoordeeld, is niet komen vast te staan dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen. Ten aanzien van de Rassen komt [partij A] dus geen beroep toe op de bepalingen in die Licentieovereenkomst, waaronder artikel 13, de bepaling die voorziet in de buitengerechtelijke ontbinding van de Licentieovereenkomst. Nu [partij A] de ontbinding in zijn berichten van 15 en 18 oktober 2022 op dat artikel heeft gebaseerd, heeft die ontbinding voor zover het de Rassen betreft geen effect gehad.



4.15.
Ook voor zover de rechtbank het standpunt van [partij A] zo moet begrijpen dat hij met zijn berichten van 15 en 18 oktober 2022 de mondelinge (licentie)overeenkomst ten aanzien van de Rassen heeft ontbonden op grond van artikel 6:265 BW, faalt dit. De tekortkomingen waarop [partij A] zich baseert in voornoemde berichten gaan uit van de toepasselijkheid van de Licentieovereenkomst, zoals ten aanzien van de termijn voor het doen van opgave (artikel 5.1), de termijn voor het verrichten van royaltybetalingen (artikel 6.4) en de verschuldigdheid van boetes (artikel 14.1). Dat dergelijke althans vergelijkbare afspraken zijn gemaakt in het kader van de mondelinge overeenkomst tussen [partij A] en [partij B] is door [partij A] niet gesteld en is de rechtbank ook overigens niet gebleken. Hierdoor is [partij B] ook niet tekortgeschoten in de nakoming van dergelijke verplichtingen. Dat [partij B] ten onrechte facturen onbetaald heeft gelaten, zoals [partij A] heeft gesteld, heeft [partij B] gemotiveerd weersproken en dit standpunt is vervolgens niet door [partij A] nader onderbouwd. Gezien het voorgaande is niet gebleken dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de mondelinge overeenkomst. Deze overeenkomst is dan ook niet met de berichten van 15 en 18 oktober 2022 rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 6:265 BW.



4.16.

[partij A] verwijst in zijn vordering 11 nog naar 1 januari 2023 althans 1 januari 2024 als ontbindingsdata. Deze data zouden volgen uit de brief van de advocaat van [partij A] van 29 november 2022. De rechtbank leest in deze brief niet een ontbinding van de overeenkomst en de data van 1 januari 2023 en 1 januari 2024 komen in deze brief niet voor. De mondelinge overeenkomst is dus ook niet op die data rechtsgeldig ontbonden.

Conclusie




4.17.
De conclusie uit het voorgaande is dat de ontbinding geen effect heeft gesorteerd en de mondelinge (licentie)overeenkomst nog steeds van kracht is tussen partijen. Van inbreuk op de kwekersrechten van [partij A] is daarmee geen sprake. De hierop gebaseerde vorderingen 2 t/m 4 en 11 t/m 14, alsmede de nevenvorderingen 5 t/m 10, zullen daarom worden afgewezen. Nu niet is gebleken dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van enig handelen van [partij B] zullen ook de vorderingen 15 en 16 worden afgewezen. Ten slotte zal de vordering 1 worden afgewezen vanwege gebrek aan belang, nu niet gebleken is dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen.


in reconventie




4.18.
In reconventie vordert [partij B] betaling van een bedrag van € 86.4991,51. Dat bedrag baseert [partij B] op de door hem overgelegde productie GP17, volgens [partij B] een overzicht van alle bestaande vorderingen tussen partijen over en weer over de periode 2017-2024 na verrekening, met bijlagen.



4.19.

[partij A] heeft in de reconventie een korte conclusie van antwoord genomen, waarin hij voornamelijk heeft gereageerd op de standpunten van [partij B] in conventie en niet althans nauwelijks inhoudelijk is ingegaan op de vorderingen van [partij B] in reconventie. Ook ter zitting heeft [partij A] niet inhoudelijk gereageerd op de reconventionele vorderingen. Het gevolg hiervan is dat deze vorderingen als onbetwist voor toewijzing gereed liggen, met uitzondering van één post, waarvan de betwisting door [partij A] volgt uit zijn stellingen in conventie.



4.20.

[partij B] vordert een bedrag van € 33.869,33 in verband met een royaltycorrectie van vermeend onder protest en onverschuldigd betaalde royalty’s. Deze vordering is erop gebaseerd dat [partij A] ten onrechte na 8 februari 2021 royalty’s heeft berekend op basis van een bedrag van € 0,188 per verkochte plant van de Rassen. Weliswaar heeft [partij B] deze vergoedingen betaald, maar dit was steeds onder protest en zonder hiertoe verschuldigd te zijn. Partijen hadden immers altijd de afspraak dat [partij B] een royalty van € 0,125 per verkochte plant zou betalen, aldus [partij B]. Uit de stellingen van [partij A] in conventie blijkt dat hij zich juist op het standpunt stelt dat [partij B] op 8 februari 2021, te weten met de e-mail van zijn accountant [naam] (zie 2.11 hiervoor), heeft ingestemd met een royaltyvergoeding van € 0,188 per plant.



4.21.
In de reconventie draagt [partij B] de stelplicht en bewijslast van de stelling dat tussen partijen na 8 februari 2021 de afspraak gold van een royaltyvergoeding van € 0,125 per verkochte plant. Hij beroept zich immers op de rechtsgevolgen van die stelling, namelijk dat door hem betaalde royaltybedragen na 8 februari 2021 voor zover die meer betreffen dan € 0,125 per verkochte plant onverschuldigd zijn geweest ex artikel 6:203 BW.



4.22.
De rechtbank leidt uit de e-mail van [naam] af dat [naam] namens [partij B] akkoord is gegaan met een royaltyvergoeding van 18,8 cent, en dus € 0,188. Dit akkoord heeft blijkens dezelfde e-mail echter enkel betrekking op ‘de achterliggende periode’, en daarmee de periode vóór 8 februari 2021. Voor de periode ná 8 februari 2021 heeft [naam] aangegeven dat partijen bij eerste gelegenheid om de tafel (dienen te) gaan om afspraken te maken voor de toekomst. Ter zitting hebben beide partijen naar voren gebracht dat er na 8 februari 2021 geen nieuwe afspraken over de royaltyvergoeding zijn gemaakt. Dat er geen nieuwe afspraken zijn gemaakt betekent echter niet – zoals [partij B] lijkt te betogen – dat de afspraak zoals die gold vóór de e-mail van 8 februari 2021, te weten een royaltyvergoeding van € 0,125 per verkochte plant, opnieuw is gaan gelden. Dat een dergelijke afspraak tussen partijen is gemaakt is door [partij B] niet gesteld en is de rechtbank ook overigens niet gebleken.



4.23.
Ter zake van deze stelling heeft [partij B] dus niet aan zijn stelplicht voldaan. Hierdoor is niet komen vast te staan dat tussen partijen na 8 februari 2021 de afspraak gold van een royaltyvergoeding van € 0,125 per verkochte plant, en daarmee ook niet dat [partij B] royaltybedragen onverschuldigd aan [partij A] heeft betaald. De hierop gebaseerde vordering van € 33.869,33 zal dus worden afgewezen.



4.24.
De overige schadeposten zijn, zoals hiervoor overwogen, niet betwist en zullen worden toegewezen. Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen van [partij B] in reconventie voor een bedrag van € 52.630,18 zal toewijzen. Nu [partij A] ook de vordering tot betaling van wettelijke rente onbetwist heeft gelaten, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag toewijzen vanaf de datum van de conclusie van antwoord van [partij B], te weten 23 april 2025.


in conventie en in reconventie



Proceskosten




4.25.

[partij A] is in conventie en in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en zal worden veroordeeld in de proceskosten. [partij B] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de redelijke en evenredige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv en zijn kosten gespecificeerd tot een bedrag van een bedrag van € 33.710,-.



4.26.
De zaak betreft een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Deze zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie normale bodemzaak met een maximumtarief van € 17.500,-. Omdat de procedure in conventie en de procedure in reconventie volledig met elkaar samenhangen geldt dit tarief voor de conventie en reconventie tezamen. Het door [partij B] gevorderde bedrag van € 33.710,- overschrijdt dit maximumtarief. Dit brengt mee dat het maximumtarief van € 17.500,00 aan advocaatkosten wordt toegewezen; het meer gevorderde zal worden afgewezen. Voormeld bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 331,- en de nakosten van € 278,- (plus de verhoging van de nakosten in geval van betekening, zoals vermeld in de beslissing), zodat het totaalbedrag uitkomt op € 18.109,-.



4.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing

De rechtbank


in conventie



5.1.
wijst de vorderingen af;


in reconventie




5.2.
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] te betalen een bedrag van € 52.630,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 23 april 2025 tot de dag van volledige betaling;


in conventie en in reconventie




5.3.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten, aan de zijde van [partij B] tot op heden begroot op € 18.109,-, te vermeerderen met € 92,- aan nakosten in geval van betekening, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die bedragen te rekenen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;



5.4.
verklaart de onder 5.2 en 5.3 uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.



Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering


Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht


Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005


HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)


Burgerlijk Wetboek
Link naar deze uitspraak