|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2025:12653 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 16-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 25/1585 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Participatiewet, intrekking en terugvordering bijstand, extreem laag waterverbruik, andere levensstijl eiser, deels zwervend bestaan, hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres, schending inlichtingenplicht, beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1585
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Jansen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray
(gemachtigde: mr. A. van Zantvoort).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eisers uitkering met ingang van 1 april 2020, omdat eiser niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe aan dat hij weliswaar weinig thuis is, maar dat hij toch zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank of het college terecht de bijstandsuitkering van eiser heeft ingetrokken en teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden de uitkering van eiser met ingang van 1 april 2020 heeft ingetrokken en de als gevolg van deze intrekking ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering heeft teruggevorderd. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij primair besluit van 29 januari 2025 heeft het college eisers bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 1 april 2020 en de verstrekte (algemene en bijzondere) bijstand van € 84.870,37 (bruto) teruggevorderd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
3. Bij besluit van 2 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening hangende een beslissing op bezwaar is op dat moment omgeklapt naar een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
5. Bij uitspraak van 21 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser afgewezen.
5.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M. Gadiot - een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser - en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser ontvangt sinds 1 november 2011 een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm van een alleenstaande en vanaf 20 maart 2012 bijzondere bijstand voor bewindvoering.
7. Het college heeft op 20 augustus 2024 een melding ontvangen dat er op het uitkeringsadres mogelijk sprake was van onderhuur. Het college heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eiser.
8. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het Overdrachtsdocument Handhaving van 31 december 2024 en Overdrachtsdocument beëindiging van 24 januari 2025. Het onderzoek bestond – onder meer – uit:
dossieronderzoek;
raadpleging van systemen zoals in de Basis Registratie Personen (BRP), RDW, Suwinet en Waterleiding Maatschappij Limburg;
waarnemingen in de vorm van het plaatsen van een voorziening op de voordeur en de tuindeur bij het uitkeringsadres;
huisbezoek op 23 december 2024;
verhoor van eiser op 21 november 2024 en op 23 december 2024.
9. Met het besluit van 29 januari 2025, na bezwaar gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft het college eisers bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 1 april 2020. De als gevolg van deze intrekking ten onrechte verstrekte (algemene) bijstandsuitkering over de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2024 van € 76.382,33 (bruto) heeft het college teruggevorderd. Ook de ten onrechte verstrekte bijzondere bijstand over de periode van 1 april 2020 tot en met 31 augustus 2024 van € 8.488,04 (bruto) heeft het college teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het waterverbruik op het uitkeringsadres vanaf 1 april 2020 extreem laag is. Dit betekent dat het college mocht uitgaan van de vooronderstelling dat eiser in de periode in geding niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad. Eiser is er volgens het college niet in geslaagd deze vooronderstelling te weerleggen.
Wettelijk kader
10. De rechtbank verwijst voor het wettelijk kader naar de bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt eiser
11. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij inderdaad niet vaak thuis is. Hij reist veel, maar zijn hoofdverblijf heeft hij op het uitkeringsadres. Hij slaapt, eet en doucht wanneer hij daar behoefte aan heeft op de plek waar hij op dat moment is. Sinds 2019 is eiser mantelzorger voor een vriendin. Hij woont alleen, maar hij spendeert dagelijks tijd met deze vriendin. Verder geeft eiser aan een andere levensstijl te hebben. Eiser betaalt zijn boodschappen contant en heeft weinig eetbaars in huis, omdat hij weinig thuis is, veganist is en specifieke dieetwensen heeft. Bij deze levensstijl past niet een grote voorraad van voorverpakte etenswaren. Het feit dat er geen tandenborstel is gevonden bij het huisbezoek begrijpt eiser niet. Hij heeft een kunstgebit en gebruikt weldegelijk tandpasta en tandenborstels om dit gebit te onderhouden. Eiser heeft verder de aangebrachte voorzieningen bij de voordeur en tuindeur gezien, maar deze teruggeplaatst, omdat hij niet wist wat ze betekenden en hij uit bescherming niet wilde dat er ineens iemand voor zijn deur zou staan als hij alleen thuis was. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij al jaren over een sleutel beschikt waarmee hij de vuilnisbak kan openen en zijn afval gratis kan weggooien.
Oordeel rechtbank
12. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college op goede gronden de bijstandsuitkering heeft ingetrokken met ingang van 1 april 2020 en de ten onrechte betaalde bijstand (periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2024, algemene bijstand totaal € 76.382,33) en bijzondere bijstand (periode van 1 april 2020 tot en met 31 augustus 2024, totaal € 8.488,04) van eiser heeft teruggevorderd.
13. De periode in geding is voor wat betreft de intrekking van de uitkering van 1 april 2020 tot en met 29 januari 2025 (datum primair besluit), omdat het gaat om een intrekking zonder einddatum.
14. Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandsverlenende instantie. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
15. Het college heeft de bijstand van eiser ingetrokken en teruggevorderd, omdat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres.
16. De rechtbank overweegt dat waar een betrokkene zijn woonadres heeft, daar is waar hij het hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
17. Het college heeft de conclusie dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres met name gebaseerd op het geregistreerde waterverbruik.
Voor de bepaling van het hoofdverblijf kan het waterverbruik van betekenis zijn. Een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – is extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat eiser zijn hoofdverblijf dus niet heeft op het uitkeringsadres.
18. Tussen partijen is niet in geschil dat in de te beoordelen periode het waterverbruik op het uitkeringsadres extreem laag was. Het is dan aan eiser om de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat hij zijn hoofdverblijf daar dus niet heeft, te weerleggen. Dat is vaste jurisprudentie.
19. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd die vooronderstelling te weerleggen. Eiser verklaart een andere levensstijl te hebben. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij een deels zwervend bestaan leidt. Hij is niet vaak thuis. Hij slaapt soms bij vrienden of buiten, in het bos, op het station of in het park. Ook is hij vaak in Duitsland. Met dit deel van zijn verklaring bevestigt eiser dat hij weinig op het uitkeringsadres is. Op de vraag welke concrete feiten en omstandigheden nu maken dat toch moet worden geconcludeerd dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft, heeft eiser het volgende verklaard ter zitting: eiser noemt dit zijn thuis, waar hij al zestien jaar woont en altijd naar terugkeert. Zijn spullen en zijn verzamelingen staan er. Dat hij een woning heeft brengt bovendien met zich mee dat hij een zorgverzekering heeft en toeslagen kan krijgen. Ook met deze uitleg heeft eiser de vooronderstelling dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres niet weerlegd. Uit de verklaring blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van eiser in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres lag.
20. Wat eiser heeft gesteld over de afvalgegevens, de waarnemingen en het huisbezoek maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Als wat eiser daarover aanvoert al zou slagen, dan zou dat hooguit tot de conclusie kunnen leiden dat eiser wel eens op het uitkeringsadres aanwezig is geweest, wellicht iets vaker dan het college heeft waargenomen of dan de afvalgegevens doen vermoeden. Maar dat doet er niet aan af dat uit zijn eigen verklaringen volgt dat dit niettemin maar heel weinig is. Gelet op het waterverbruik zo weinig dat het de vooronderstelling rechtvaardigt dat eiser daar niet zijn hoofdverblijf heeft.
21. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat op basis van de onderzoeksbevindingen voldoende aannemelijk is dat eiser in de periode in geding niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Eiser is er niet in geslaagd de vooronderstelling te weerleggen. Eiser heeft geen andere gegevens overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij in de te beoordelen periode wel zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad.
22. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij zich door de besluitvorming voelt aangetast in zijn persoonlijke levenssfeer en voelt beknot in zijn vrijheid. Volgens eiser staat er nergens hoe vaak hij thuis moet zijn. Het uitkeringsadres is wel degelijk zijn woning, maar hij gebruikt deze op een andere manier dan andere mensen.
23. Uit de onderzoeksbevindingen kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden door dit niet te melden bij het college. Dat had hij wel moeten doen, omdat de woonsituatie van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De bijstand die eiser ontvangt is namelijk onlosmakelijk verbonden met het hebben van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Doordat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dit niet heeft gemeld, kon het college niet vaststellen of en zo ja, in hoeverre, eiser in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd en recht zou hebben gehad op bijstand. Het college was dan ook verplicht het recht op bijstand over de periodes in geding in te trekken en van eiser terug te vorderen.
24. Dat aan eiser per 16 juli 2025 alsnog een bijstandsuitkering is toegekend, betekent – anders dan eiser meent – niet dat de intrekking en terugvordering op onjuiste gronden berusten. Deze latere toekenning berust immers op een volledig nieuw onderzoek, waarbij een gewijzigde (woon)situatie van eiser, waaronder en een verhoogd waterverbruik, is geconstateerd. Daarbij heeft eiser ter zitting aangegeven nu vaker thuis te zijn.
25. De rechtbank stelt vast dat eiser geen zelfstandige beroepsgronden heeft gericht tegen de (hoogte van de) terugvordering.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het college mocht namelijk zijn bijstandsuitkering intrekken met ingang van 1 april 2020 en de
€ 84.870,37 aan teveel ontvangen bijstand van hem terugvorderen.
27. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, voorzitter, mr. K.M.P. Jacobs en
mr. M.M.T. Coenegracht, leden, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 18 december 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Participatiewet
Artikel 11, eerste lid, van de PW luidt:
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 17, eerste lid, van de PW luidt:
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid, van de PW luidt:
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste en achtste lid, van de PW luiden:
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Zaaknummer: ROE 25/1245.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038 en van 1 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:969.
Artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid, van de Pw. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|