|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:117 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-01-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.358.386 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding. Burenrecht. Erfdienstbaarheid van weg. Bindend advies. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | perceel | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.358.386/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/364977 / KG ZA 25-268
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
beiden wonend in [plaats] , gemeente Hollands Kroon,
appellanten,
advocaat: mr. L.T. van Eijck van Heslinga te Alkmaar,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonend in [plaats] , gemeente Hollands Kroon,
geïntimeerden,
advocaat: mr. J.H. Prins te Den Helder.
Partijen worden hierna [appellanten] . en [geïntimeerden] genoemd.
1De zaak in het kort
Partijen zijn buren van elkaar. Het perceel van [geïntimeerden] is belast met een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van het perceel van [appellanten] . Partijen twisten in hoger beroep over de reikwijdte (uitleg) van de erfdienstbaarheid. Hierover heeft de Rijdende Rechter al in 2013 een bindend advies uitgebracht. Dat komt erop neer dat [geïntimeerden] niet mogen parkeren op hun eigen erf voor zover daardoor verkeer van en naar het perceel van [appellanten] . er niet voorbij kan. Het hof is van oordeel dat [appellanten] . voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [geïntimeerden] voertuigen (laten) parkeren op hun perceel voor hun woning. Hiermee belemmeren zij de doorgang voor [appellanten] . Het hof wijst daarom de vordering van [appellanten] . om [geïntimeerden] te bevelen zich te onthouden van gedragingen die de uitoefening van de erfdienstbaarheid belemmeren (zoals het parkeren van voertuigen voor hun woning) toe.
2Het geding in hoger beroep
[appellanten] . zijn bij dagvaarding van 7 augustus 2025 onder aanvoering van grieven in hoger beroep gekomen van een vonnis van 15 juli 2025 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [appellanten] . als gedaagden in conventie, eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis). Aan de appeldagvaarding zijn producties gehecht. De zaak is aangebracht op de rol van 26 augustus 2025.
[geïntimeerden] hebben vervolgens een memorie van antwoord, met producties, ingediend.
Op 2 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. Beide partijen hebben bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 en 2.2 de feiten opgesomd waarvan hij is uitgegaan. Partijen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, zijn die feiten de volgende.
3.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerden] zijn eigenaar van het perceel [straat] [nummer 2] te [plaats] . [appellanten] . zijn eigenaar van het perceel [straat] [nummer 1] te [plaats] .
3.2.
Partijen hebben vanaf hun percelen geen uitweg over eigen grond naar de openbare weg ‘de [straat] ’. Partijen hebben wel een achterom naar de openbare weg ‘ [naam] ’. Daar kan (openbaar) worden geparkeerd.
3.3.
Om de [straat] te kunnen bereiken, moeten partijen over het perceel van een derde gaan. [appellanten] . moeten bovendien over het perceel van [geïntimeerden] gaan. In dit verband zijn erfdienstbaarheden gevestigd, waaronder een erfdienstbaarheid van weg ten laste van het perceel [straat] [nummer 2] en ten behoeve van het perceel [straat] [nummer 1] (hierna: de erfdienstbaarheid van weg).
3.4.
Tussen partijen heeft eerder een geschil bestaan over de reikwijdte (uitleg) van de erfdienstbaarheid van weg. Op 23 oktober 2013 heeft de Rijdende Rechter hierover een bindend advies uitgebracht. Daarin staat het volgende:
“Inhoud van de erfdienstbaarheid
Gevestigd is de erfdienstbaarheid van weg ten gunste van perceel C. [hof: [straat] [nummer 1] ] en ten laste van perceel A. [hof: [straat] [nummer 2] ] (…). Dat betekent dat iedereen (eigenaar, gezinsleden, bezoekers, leveranciers) het recht heeft om vanaf perceel C. via perceel A. (…) van en naar de [straat] te gaan, welk recht ook mag worden uitgeoefend met motorvoertuigen.
(…)
Daar staat tegenover dat Drogt op zijn beurt de toegestane doorgang over perceel A. van en naar perceel C. niet mag beletten of belemmeren. Ook hij mag zijn eigen erf dus niet gebruiken voor opslag of parkeren, in zoverre dat betekent dat verkeer van en naar perceel C. er niet voorbij kan.”
3.5.
Nadien hebben partijen meerdere juridische procedures tegen elkaar gevoerd over verschillende onderwerpen.
4Procedure bij de rechtbank
4.1.
Kort gezegd hebben [geïntimeerden] in conventie gevorderd dat de voorzieningenrechter [appellanten] . zal veroordelen te dulden dat [geïntimeerden] gebruik maken van het wettelijke ladderrecht zoals omschreven in artikel 5:56 BW, waarbij [geïntimeerden] gerechtigd zijn tot het persoonlijk verrichten van de werkzaamheden aan het boeideel, de dakgoot en het dak van hun woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tevens hebben [geïntimeerden] gevorderd [appellanten] . te gebieden om op de minst bezwarende wijze gebruik te (laten) maken van de erfdienstbaarheid van weg door niet te parkeren op het erf van [geïntimeerden] en ook leveranciers hiertoe te verplichten en op de naleving hiervan toe te zien, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van [appellanten] . in de proceskosten, inclusief de nakosten.
4.2.
[appellanten] . hebben in reconventie gevorderd [geïntimeerden] te bevelen de erfdienstbaarheid van weg na te leven en zich te onthouden van gedragingen die de uitoefening van dat recht belemmeren, zoals het (laten) plaatsen van objecten of het (laten) parkeren van motor- of andere voertuigen die de toegang of doorgang op enigerlei wijze (kunnen) belemmeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, inclusief de nakosten en met rente.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft de vordering van [geïntimeerden] met betrekking tot het ladderrecht toegewezen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en heeft de vordering van [geïntimeerden] over de erfdienstbaarheid van weg afgewezen. De voorzieningenrechter heeft [appellanten] . veroordeeld in de proceskosten in conventie, met nakosten, omdat [appellanten] . op een belangrijk onderwerp in het ongelijk zijn gesteld.
4.4.
De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellanten] . in reconventie afgewezen, en [appellanten] . veroordeeld in de proceskosten (begroot op nihil). Hiertoe heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen. Voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerden] voertuigen parkeren op het (over)pad of dat hun bezoekers dat doen. [appellanten] . hebben hiervan echter geen last, behalve wanneer de leverancier van [appellanten] . langskomt (eenmaal per maand). Andere bezoekers van [appellanten] . kunnen parkeren aan de andere kant van de woning van [appellanten] . Het is een kleine moeite voor [appellanten] . om per mail of op andere wijze aan [geïntimeerden] mee te delen op welke dag/dagen de leverancier gebruik wil maken van het pad. Op die dagen moeten [geïntimeerden] zorgen dat het pad vrij is. Voor de andere dagen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een algeheel parkeerverbod op te leggen. Voor het geval [appellanten] . incidenteel ook op een andere manier het (over)pad willen gebruiken, kunnen zij dat bij [geïntimeerden] melden. Ook in die gevallen moeten [geïntimeerden] het pad vrij houden.
5Vordering in hoger beroep
5.1.
[appellanten] . vorderen, naar het hof begrijpt: gedeeltelijke, vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing alsnog van hun vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
[geïntimeerden] vorderen dat het hof de vorderingen van [appellanten] . afwijst en het bestreden vonnis bekrachtigt, met veroordeling van [appellanten] . in de kosten van het geding in hoger beroep.
6Beoordeling
6.1.
[appellanten] . hebben in hoger beroep vier grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. De grieven 1 tot en met 3 zijn gericht tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van de vordering van [appellanten] . met betrekking tot de erfdienstbaarheid van weg. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Met grief 4 komen [appellanten] . op tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.
Spoedeisend belang
6.2.
Het meest vergaande verweer van [geïntimeerden] is dat spoedeisend belang ontbreekt. Het hof zal dit verweer als eerste bespreken.
6.3.
De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.
6.4.
[appellanten] . hebben in dit verband aangevoerd dat de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk heeft geoordeeld dat (de bezoekers van) [geïntimeerden] voertuigen parkeren op het (over)pad. Hierdoor is het perceel van [appellanten] . via de erfdienstbaarheid van weg onbereikbaar. Toch heeft de voorzieningenrechter geen voorziening getroffen waardoor de belemmering wordt opgeheven. Het gebruik van de erfdienstbaarheid van weg door [appellanten] ., hun bezoekers, leveranciers en pakketbezorgers is hierdoor voor de duur van de procedure praktisch onmogelijk gemaakt. Indien hulpdiensten na een 112 melding proberen het perceel van [appellanten] . te bereiken, worden zij via de [straat] geleid en zullen zij via het pad rijden. De toegang wordt ook dan door [geïntimeerden] geblokkeerd, met alle gevolgen van dien, aldus nog steeds [appellanten] .
6.5.
[geïntimeerden] hebben hiertegen aangevoerd dat een belemmering niet aan de orde is. Het enige verkeer dat via het pad naar [appellanten] . gaat is de (post)bezorging en de leverancier van hooi. Zij kunnen een steekwagen of bagagekar gebruiken om het perceel van [appellanten] . te bereiken. Ook kunnen zij het perceel van [appellanten] . via de achterzijde bereiken. Dat geldt ook voor een eventuele ambulance. Mocht de ambulance (toch) via de [straat] en het pad komen en een auto van [geïntimeerden] in de weg staan, dan kan de ambulance achter hun auto parkeren en kunnen de hulpverleners er langs met een brancard, aldus [geïntimeerden]
6.6.
Het hof is van oordeel dat [appellanten] . voldoende spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening. [appellanten] . vragen het hof immers een voorziening te treffen die ertoe strekt een einde te maken aan de inbreuk die [geïntimeerden] maken op hun recht van erfdienstbaarheid van weg door steeds te parkeren op hun (Drogts) perceel zodanig dat het verkeer van en naar het perceel van [appellanten] . er niet voorbij kan. [appellanten] . en hun bezoekers/leveranciers etc. ondervinden hiervan, zoals [appellanten] . stellen, hinder. Ook de gestelde dreigende hinder (voor hulpverleners) rechtvaardigt het aannemen van spoedeisend belang. Het hof acht die dreigende hinder reëel, aangezien [appellanten] . – die op leeftijd zijn – onlangs met spoed een ambulance ter plaatse nodig hebben gehad, met een aanrijroute over de [straat] . De door [geïntimeerden] geopperde mogelijkheid dat het ambulance personeel zich te voet en met een brancard over het perceel van [geïntimeerden] naar het perceel van [appellanten] . kan begeven, acht het hof niet toereikend. [geïntimeerden] hebben geen belang aangevoerd dat zou moeten leiden tot een andersluidend oordeel.
Bindend advies van de Rijdende Rechter (uitleg erfdienstbaarheid)
6.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Rijdende Rechter in 2013 een bindend advies heeft uitgebracht over (onder meer) de uitleg van de erfdienstbaarheid van weg (zie onder 3.4). Op grond van dit bindend advies mogen [geïntimeerden] de toegestane doorgang over hun perceel van en naar het perceel van [appellanten] . niet beletten of belemmeren; [geïntimeerden] mogen hun eigen erf dus niet gebruiken voor opslag of parkeren, in zoverre dat betekent dat verkeer van en naar het perceel van [appellanten] . er niet voorbij kan. Anders dan [geïntimeerden] betogen, behelst dit niet ‘een te ver strekkende interpretatie van [appellanten] .’ van de erfdienstbaarheid van weg, maar staat dit in het bindend advies waaraan partijen zijn gebonden. Het hof is – met [appellanten] . – van oordeel dat dit betekent dat [geïntimeerden] niet mogen parkeren voor hun woning, omdat dan het verkeer van en naar het perceel van [appellanten] . er niet voorbij kan.
6.8.
[geïntimeerden] voeren – op zichzelf terecht – aan dat de uitoefening van een erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze moet plaatsvinden (artikel 5:74 BW). Dit betekent echter niet, anders dan [geïntimeerden] kennelijk menen, dat zij toch voor hun woning mogen parkeren en zij op verzoek van [appellanten] . ‘een eventueel geparkeerde auto (…) zo nodig’ zullen verplaatsen. Dit komt immers neer op een uitleg van de erfdienstbaarheid die in strijd is met het bindend advies. Ook een belangenafweging is in dit kader niet relevant.
6.9.
De slotsom is dat [geïntimeerden] niet mogen parkeren – ook niet ‘incidenteel’ of ‘tijdelijk’– op hun perceel voor hun woning, omdat dit de doorgang van verkeer van en naar het perceel van [appellanten] . belemmert. Zoals gezegd: dit volgt uit het bindend advies.
Belemmering?
6.10.
De vraag die het hof vervolgens moet beantwoorden is of voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerden] voertuigen parkeren op het pad of dat hun bezoekers dat doen. Het hof beantwoordt die vraag – net als de voorzieningenrechter – bevestigend. Nog daargelaten dat dit voorshands voldoende blijkt uit de door [appellanten] . in dit verband overgelegde foto’s, volgt dit óók uit de stellingen van [geïntimeerden] zelf. Zo stellen zij bij memorie van antwoord meermalen dat zij ‘incidenteel’ of ‘tijdelijk’ parkeren voor hun woning. Ook achten [geïntimeerden] zich niet verplicht ‘de hele week de weg vrij te houden’ na een verzoek (melding) van [appellanten] . daartoe.
6.11.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [geïntimeerden] (voor het eerst) gesteld dat zij hun auto niet parkeren voor hun woning, maar alleen kortstondig neerzetten ten behoeve van laden-en-lossen. Het hof acht dit, gelet op voornoemde stellingen van [geïntimeerden] in hun memorie van antwoord, niet aannemelijk. Dat geldt te meer, omdat [geïntimeerden] – in lijn met hun eerdere stellingen – ter zitting óók hebben verklaard dat hun dochter haar auto wel eens voor de woning van [geïntimeerden] parkeert (gedurende het avondeten) als er elders geen parkeerplek vrij is.
6.12.
Overigens merkt het hof voor de duidelijkheid op dat het [geïntimeerden] wel is toegestaan om te laden-en-lossen op hun perceel (ook voor de woning). Dat onderkennen [appellanten] . ook. Laden-en-lossen impliceert evenwel beweging van een of meer perso(o)n(en) bij een niet afgesloten voertuig of object (zoals een aanhangwagen of mestkar), om lading naar het voertuig/object te brengen of juist eruit te halen. Dit verschilt dus wezenlijk van ‘parkeren’, waarbij er geen activiteit bij het (afgesloten) voertuig/object plaatsvindt.
6.13.
Uit het bovenstaande volgt dus dat [geïntimeerden] inbreuk maken op de ten behoeve van het perceel van [appellanten] . gevestigde erfdienstbaarheid van weg. De eerste drie grieven van [appellanten] . slagen. Het hof zal de vordering van [appellanten] . om [geïntimeerden] te gebieden de erfdienstbaarheid van weg na te leven en zich te onthouden van gedragingen die de uitoefening van dat recht belemmeren dan ook alsnog toewijzen.
Dwangsom
6.14.
Het hof zal de gevorderde veroordeling tot betaling van een dwangsom afwijzen. Het was [geïntimeerden] klaarblijkelijk niet duidelijk dat zij niet mogen parkeren op hun eigen perceel voor zover zij daarmee de doorgang van verkeer van en naar het perceel van [appellanten] . belemmeren (dus: voor hun woning), óók niet incidenteel of kortstondig. Het hof gaat er van uit dat dit met deze uitspraak wel duidelijk is en dat [geïntimeerden] zich hieraan zullen houden. Daarbij zou het opleggen van een dwangsom ertoe kunnen leiden dat partijen elkaar (nog vaker) gaan filmen of fotograferen dan op dit moment al het geval is. Het hof acht dat zeer onwenselijk.
Proceskosten in eerste aanleg (grief 4)
6.15.
[appellanten] . voeren aan dat zij ten onrechte in de proceskosten in conventie en in reconventie zijn veroordeeld. Volgens [appellanten] . heeft de voorzieningenrechter bij de proceskostenveroordeling in conventie ten onrechte niet betrokken dat [geïntimeerden] op een onderwerp in het gelijk zijn gesteld (het ladderrecht) maar op een net zo belangrijk onderwerp (de erfdienstbaarheid van weg) niet. Een compensatie van de proceskosten in conventie zou daarom meer voor de hand hebben gelegen. De vordering in reconventie is ten onrechte afgewezen, zodat ook die proceskostenveroordeling van [appellanten] . niet in stand kan blijven en niet op nihil begroot had moeten worden, aldus nog steeds [appellanten] .
6.16.
De grief faalt, voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenveroordeling in conventie. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [geïntimeerden] met betrekking tot het ladderrecht toegewezen en, omdat het zwaartepunt van het debat in conventie op dit onderwerp lag, [appellanten] . kunnen aanmerken als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Voor zover de grief betrekking heeft op de proceskostenveroordeling in reconventie is de grief terecht voorgesteld, omdat de vordering van [appellanten] . in hoger beroep alsnog zal worden toegewezen. De grief slaagt dus gedeeltelijk.
Slotsom en kosten
6.17.
Het hoger beroep heeft grotendeels succes. Het bestreden vonnis wordt gedeeltelijk vernietigd. Het hof laat de proceskostenveroordeling in conventie in stand. [geïntimeerden] moeten in de proceskosten in eerste aanleg in reconventie worden veroordeeld. [geïntimeerden] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom ook worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
in eerste aanleg (reconventie):
- salaris advocaat € 715,00 (tarief € 715,00 x 1 punt)
Totaal € 715,00
in hoger beroep:
- explootkosten € 144,47
- griffierecht € 362,00
- salaris advocaat € 2.428,00 (tarief € 1.214,00 x 2 punten)
Totaal € 2.934,47
7Beslissing
Het hof:
7.1.
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarbij de vordering van [appellanten] . met betrekking tot de erfdienstbaarheid van weg is afgewezen en [appellanten] . in de proceskosten in reconventie zijn veroordeeld (onder 5.6 en 5.7);
en doet in zoverre opnieuw recht:
7.2.
beveelt [geïntimeerden] de erfdienstbaarheid na te leven en zich te onthouden van gedragingen die de uitoefening van dat recht belemmeren, zoals het (laten) plaatsen van objecten of het (laten) parkeren van motor- of andere voertuigen die de toegang of doorgang op enigerlei wijze belemmeren of kunnen belemmeren;
7.3.
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in eerste aanleg in reconventie en in hoger beroep. De kosten voor de eerste aanleg in reconventie worden tot nu vastgesteld op € 715,00. De kosten voor het hoger beroep worden tot nu vastgesteld op € 2.934,47;
7.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. Bellaart, J.C.W. Rang en D.W.J.M. Kemperink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|