Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2025:7419 
 
Datum uitspraak:18-12-2025
Datum gepubliceerd:29-01-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:UTR 24/1222 en UTR 24/770 UTR 24/1222 en UTR 24/770
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:WOZ. Het beroep in de zaak met zaaknummer UTR 24/1222 is ongegrond. Het beroep in de zaak met zaaknummer UTR 24/7706 is gegrond. De heffingsambtenaar en eiser hebben allebei de waarde niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank verminderd de waarde schattenderwijs.
Trefwoorden:box 3
koopovereenkomst
perceel
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/1222 en UTR 24/7706


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], verweerder
(gemachtigde: M.C.M. van Roon).

Procesverloop

1.1 In de beschikkingen van 31 januari 2023 en 31 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 970.000,- naar de waardepeildatum
1 januari 2022 (zaaknummer UTR 24/1222) en voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op
€ 1.120.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023 (zaaknummer UTR 24/7706). Bij deze beschikkingen heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook aanslagen onroerendezaakbelasting en rioolheffing opgelegd, waarbij deze waarden als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
1.2 Eiser is tegen de beschikkingen in bezwaar gegaan. In de uitspraken op bezwaar van 20 december 2023 en 24 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar beide bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarden van de woning gehandhaafd.
1.3 Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft verweerschriften met taxatiematrices ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4 Het beroep zou aanvankelijk behandeld worden op de zitting van 26 mei 2025. Die zitting is geschorst omdat eiser de rechter die de zaak toen zou behandelen heeft gewraakt. Eiser heeft het wrakingsverzoek vervolgens ingetrokken. De behandeling van het beroep is hervat op de zitting van 6 november 2025. Eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen


Beoordelingskader

2. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
3. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildata niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.

Feiten

4. De woning is een in 1965 gebouwde vrijstaande woning met een garage van
18 m². In beroep is geconstateerd dat de woning een gebruiksoppervlakte van 194 m² heeft (inclusief een serre van 10 m²), in plaats van een gebruiksoppervlakte van 224 m².
De woning ligt op een perceel van 1.263 m².

Overwegingen ten aanzien van belastingjaar 2023 (UTR 24/1222)

5. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2022. Eiser bepleit in beroep een lagere waarde van € 912.873,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 970.000,-.

6. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met zes verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 3 juni 2022 voor € 1.220.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 19 november 2021 voor € 1.575.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 22 september 2021 voor € 1.290.000,-;
- [adres 5] , verkocht op 16 april 2021 voor € 1.250.000,-;
- [adres 6] , verkocht op 5 maart 2021 voor € 1.365.000,-;
- [adres 7] , verkocht op 5 juni 2021 voor € 1.350.000,-.

7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook vrijstaande woningen zijn uit een vergelijkbare bouwperiode die in [plaats] liggen en niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning qua bouwkundige kwaliteit en voorzieningen door voor de woningwaarde een waarde onder de prijs per m² van de referentiewoningen te hanteren. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de taxateur tijdens de zitting heeft toegelicht dat de juiste gebruikersoppervlakte van de woning 194 m² (184 m² en een serre van 10 m²) is. Uit de hertaxatie op basis van een gebruiksoppervlakte van 194 m² blijkt dat de waarde van de woning € 1.081.000,- is. De vastgestelde waarde van de woning op waardepeildatum
1 januari 2022 is met € 970.000,- ruim lager. Dit betekent dat de waarde, ondanks een vermindering van de gebruiksoppervlakte, niet te hoog is vastgesteld. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.

8. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.


Beroepsgronden



De gebruiksoppervlakte


9. Eiser voert aan dat de gebruiksoppervlakte van 242 m², zoals vermeld in de taxatiematrix, onjuist is. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting verklaard dat de gebruiksoppervlakte inderdaad niet klopt. Eiser en de heffingsambtenaar zijn op zitting overeengekomen dat een gebruiksoppervlakte van 194 m² juist is. De gebruiksoppervlakte van de woning is daarom niet langer in geschil.


Het stijgingspercentage


10. Eiser voert aan dat de waardestijging van zijn woning aanzienlijk hoger is dan die van andere (referentie)woningen. De heffingsambtenaar heeft niet duidelijk gemaakt waarom dit zo is. Eiser heeft de woningen die in de afgelopen jaren als referentiewoning zijn gebruikt opgezocht op WOZwaardeloket.nl. Aan de hand van deze informatie heeft hij de procentuele waardeveranderingen in kaart gebracht. Volgens eiser zou van referentiewoningen in algemene zin verwacht worden dat de procentuele waardeveranderingen gedurende achtereenvolgende jaren in lijn met elkaar liggen. Dit komt niet tot uitdrukking in de berekening van eiser.


10.1
De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de waarden van de woning bepaald zijn volgens de voorgeschreven vergelijkingsmethode. De waardeontwikkeling speelt, gezien het systeem van de waardebepaling, geen rol bij het bepalen van de WOZ-waarde. Het doel en de strekking van de Wet WOZ brengt met zich mee dat de waarde van de woning voor elk belastingjaar opnieuw wordt bepaald aan de hand van verkoopcijfers van referentiewoningen op of rond de waardepeildatum, zonder dat de waarde die voor eerdere belastingjaren aan de woning is toegekend daarbij van belang is. De waarden van de woning zijn vastgesteld op basis van rond de waardepeildata gerealiseerde verkoopcijfers van de met de woning vergelijkbare referentiewoningen. Vergelijking met de stijging van de WOZ-waarde van andere woningen of met de door het CBS gepubliceerde landelijke en/of provinciale stijgingspercentages is naar mening van de heffingsambtenaar onvoldoende nauwkeurig waardoor deze percentages niet als maatstaf kunnen worden gebruikt. Daarnaast verwijst de heffingsambtenaar naar de taxatiematrices, waaruit volgens hem blijkt dat de door de heffingsambtenaar gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn. Met de verschillen is in de taxatiematrices rekening gehouden. Door voor de woning een aanzienlijk lagere m²-prijs te hanteren is volgens de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met alle waardebepalende factoren. De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen. Bij de waardebepaling is in voldoende mate rekening gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. De beroepsgrond slaagt niet.


De referentiewoning [adres 2]


11. Eiser voert aan dat de koper van [adres 2] door misleiding een te hoge prijs heeft betaald. Dat blijkt doordat de WOZ-waarde zeven maanden later (1 januari 2023) ruim lager ligt dan de verkoopprijs.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet voldoende onderbouwd dat [adres 2] niet bruikbaar is als referentiewoning. Hij heeft geen feiten aangevoerd waarom deze verkoop niet bruikbaar zou zijn, maar enkel verwezen naar het verschil tussen de verkoopprijs en de op de waardepeildatum vastgestelde WOZ-waarde. Zoals hiervoor overwogen speelt de WOZ-waarde van een andere woning geen rol in de vergelijkingsmethode. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in de taxatiematrix nog vijf andere referentiewoningen betrokken zijn die mede onderbouwen dat de waarde van eisers woning niet te hoog is vastgesteld.


De referentiewoningen [adres 8] en [adres 5]


13. Eiser voert aan dat de referentiewoningen [adres 8] en [adres 5] niet vermeld staan op het door eiser opgevraagde koopsommenoverzicht bij het Kadaster. Hieruit blijkt volgens eiser dat de door de gemeente vermelde marktdata niet openbaar en daardoor niet verifieerbaar zijn. Aan de juistheid van deze data moet daarom getwijfeld worden.



13.1
De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat uit de door eiser overlegde gegevens blijkt dat hij de gegevens ontleent aan www.kadasterdata.nl, maar dat dit geen onderdeel uit maakt van het Kadaster. Zoals op de site is vermeld, handelt kadasterdata.nl niet voor of namens het Kadaster, maar verwerkt kadasterdata.nl de gegevens in eigen producten. De heffingsambtenaar heeft passages gedeeld uit de akte van levering van de [adres 8] en [adres 5] waaruit blijkt dat is uitgegaan van juiste data van de koopovereenkomst en van de juiste koopsommen.



13.2
De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen. Uit de overgelegde passages uit de aktes van levering blijkt dat in de taxatiematrix van de juiste gegevens over deze referentiewoningen is uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.


De motivering van de uitspraken op bezwaar


14. Eiser voert aan dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd. De heffingsambtenaar verschuilt zich achter algemene termen en een model dat niet is overgelegd. Ook heeft eiser niet de informatie, zoals grondstaffels en taxatiematrix, gekregen waar hij in de bezwaarfase om heeft verzocht.



14.1
De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat eiser in de bezwaarfase de taxatieverslagen van de woning heeft kunnen zien en dat er ook taxatiematrices zijn verstrekt. De gronden van eiser zijn meegenomen in de beoordeling van de bezwaarschriften. Daarom is de heffingsambtenaar van mening dat de waarden van de woning op zorgvuldige wijze zijn vastgesteld en dat de uitspraken op bezwaar deugdelijk gemotiveerd zijn. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. Het is niet noodzakelijk dat alle gronden één-op-één in een uitspraak op bezwaar worden weergegeven. Van een motiveringsgebrek in de uitspraken op bezwaar is naar oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.


De hoorzitting


15. Eiser voert aan dat er feitelijk geen sprake was van een hoorzitting. Hij heeft de telefonische hoorzitting ervaren als intimiderend, de sfeer was ronduit vijandig. Eiser heeft het verder over een document van de politie dat was overgelegd zonder reden of uitleg. Zijn klacht daarover werd weggewuifd en op zijn bezwaren werd niet ingegaan.



15.1
De heffingsambtenaar licht in het verweerschrift toe dat eiser is uitgenodigd voor een hoorzitting. De heffingsambtenaar heeft verder toegelicht hoe de uitnodiging en de verstrekking van gegevens tot stand is gekomen. Tijdens de hoorzitting heeft eiser aangegeven dat de uitnodiging van de hoorzitting een document van de politie regio Utrecht betrof en dat eiser dat niet vertrouwde. Ondanks de bevestiging van de medewerker dat de documenten niet zijn gedeeld met de politie was er van de kant van eiser geen vertrouwen meer en is daarom besloten om de hoorzitting af te sluiten. Uit nader onderzoek is gebleken dat in 2023 enige tijd bij het per e-mail versturen van uitnodigingen, in de PDF als automatische koptekst “Politie Regio Utrecht” werd weergegeven. Het is begrijpelijk dat eiser hier vragen over had. Deze omschrijving is inmiddels verwijderd. De heffingsambtenaar geeft aan het vervelend te vinden dat eiser de hoorzitting als intimiderend heeft ervaren en benadrukt dat dit niet de bedoeling was. Door de medewerkers die aanwezig waren bij de hoorzitting is dit echter niet zo ervaren.



15.2
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar en is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Er is door de heffingsambtenaar een hoorzitting georganiseerd. Tijdens de hoorzitting is door de heffingsambtenaar geprobeerd het wantouwen bij eiser weg te nemen. Eiser heeft er zelf voor gekozen de hoorzitting voortijdig te verlaten. Dat het niet is gelukt om het wantrouwen weg te nemen is voor de rechtbank geen reden om te oordelen dat de hoorplicht is geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.


De wijze van belastingheffing


16. Eiser voert aan dat de wijze van belastingheffing bij de WOZ onrechtmatig is. De Hoge Raad heeft voor de box 3 belastingheffing geconcludeerd dat het fictieve rendement niet meer de basis kan zijn voor een rechtmatige belastingheffing. Het veronderstellen van rendementen wordt door de Hoge Raad als in strijd met het eigendomsrecht gekwalificeerd. Bij de WOZ-waardebepaling gebeurt volgens eiser feitelijk hetzelfde. De grondslag voor de belastingheffing wordt door een fictieve waardebepaling vastgesteld, waarbij die waarde ieder jaar weer een verrassing is, omdat deze niet in lijn ligt met de gemiddelde waardeveranderingen. Je weet dus niet van tevoren hoeveel belasting je gaat betalen. Feitelijk bepaalt de gemeente [plaats] hiermee voor iedere burger in [plaats] individueel hoeveel belasting de burger moet gaan betalen. Dit is in strijd met de grondbeginselen van een rechtmatige en gelijke belastingheffing.



16.1
De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad oordeelde in het zogenaamde Kerstarrest van 24 december 2021 dat het box 3-stelsel vanaf 2017 een inbreuk vormde op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en de bescherming van eigendomsrecht van artikel 1 EP als het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. In het arrest van 20 december 2024 stelt de Hoge Raad vast dat als het, zoals in het geval van eiser, gaat om het werkelijke rendement van een woning die het gehele jaar tot het vermogen van de belastingplichtige heeft behoord de waarde van die woning aan het begin en aan het eind van het jaar moet worden bepaald op basis van de Wet WOZ (naar analogie met het bepaalde in artikel 5.20 Wet IB 2001). Uit deze overweging volgt dat de WOZ-waarde van een woning nog steeds op basis van de Wet WOZ moet worden vastgesteld, dus op de manier zoals hiervoor beschreven onder overweging 2. Dit is geen fictieve waardebepaling waarop het Kerstarrest ziet. De beroepsgrond slaagt niet.


Conclusie en gevolgen belastingjaar 2023


17. De beroepsgronden met betrekking tot het belastingjaar 2023 slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde gehandhaafd blijft. Er is daarom geen aanleiding voor de vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.




Overwegingen ten aanzien van belastingjaar 2024 (UTR 24/7706)

18. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2023. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting voorgesteld de waarde te verlagen van € 1.120.000,- naar € 1.073.000,- vanwege de vermindering van de gebruiksoppervlakte. Eiser bepleit in beroep een lagere waarde van € 1.001.040,-. Ter onderbouwing van deze waarde heeft eiser een taxatierapport overgelegd. Omdat de heffingsambtenaar in beroep een lagere waarde voor de woning bepleit dan eerder door hem is vastgesteld, is het beroep gegrond. Omdat eiser het ook niet eens is met deze waarde, zal de rechtbank beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat deze nieuwe voorgestelde waarde niet te hoog is.
19. Om de voorgestelde waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 3 juni 2022 voor € 1.220.000,-;
- [adres 8] , verkocht op 3 februari 2022 voor € 1.111.114,-;
- [adres 9] , verkocht op 21 december 2022 voor € 1.215.000,-.

20. De rechtbank overweegt als volgt. Nu de gebruiksoppervlakte van de woning is aangepast naar 184 m² komt de m²-prijs bij de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde uit op € 3.184,-. De gemiddelde gecorrigeerde m²-prijs van de referentiewoningen is
€ 2.931,-. Dit betekent dat bij de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde van
€ 1.073.000,- de m²-prijs van de woning hoger is dan de gemiddelde gecorrigeerde m²-prijs van de referentiewoningen. Hiermee maakt de heffingsambtenaar niet aannemelijk dat een waarde van € 1.073.000,- voor de woning niet te hoog is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voorgestelde waarde van de woning niet te hoog is. Omdat het beroep al gegrond is, hoeven de gronden die eiser tegen de door de heffingsambtenaar voorgestane waarde aanvoert niet verder te worden besproken.

21. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiser de door hem voorgestelde waarde van € 1.001.040,- aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Eiser heeft een taxatierapport overgelegd om de door hem voorgestelde waarde te onderbouwen. In dit rapport is nagelaten om bij de in het rapport opgenomen referentiewoningen correcties toe te passen op basis van KOUDV-factoren. Alleen al daarom is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn voorgestane waarde ook niet aannemelijk heeft gemaakt.


Conclusie en gevolgen


22. De rechtbank is van oordeel dat zowel de heffingsambtenaar als eiser de waardes die zij voorstaan voor het belastingjaar 2024 niet aannemelijk hebben gemaakt. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en de vastgestelde waarde van de woning van eiser schattenderwijs verminderen tot een bedrag van € 1.055.000,-.


Griffierecht en proceskosten


23. Omdat het beroep over het belastingjaar 2024 (zaak UTR 24/7706) gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden.


23.1
Eiser heeft verzocht om vergoeding van zijn reiskosten en verletkosten in beroep. Op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank begroot de reiskosten op de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse. Dit leidt tot een vergoeding van € 11,20.



23.2
Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van zijn verletkosten van € 192,- vanwege het bijwonen van de zitting. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van deze kosten. Zo heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank, de gestelde verletkosten niet aannemelijk gemaakt. Uit vaste rechtspraak volgt dat de enkele stelling dat zulke kosten bestaan zonder onderbouwing of ondersteunende bewijsstukken onvoldoende is. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van eiser om vergoeding van zijn verletkosten af.


Conclusie en gevolgen


24. Het beroep in de zaak met zaaknummer UTR 24/1222 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

25. Het beroep in de zaak met zaaknummer UTR 24/7706 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De rechtbank bepaalt dat de waarde van de woning wordt vastgesteld op € 1.055.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023 en bepaalt ook dat de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting en rioolheffing dienovereenkomstig wordt verlaagd. Ook dient de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht, ter waarde van € 51,-, te vergoeden en veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser ter waarde van € 11,20.














































Beslissing


De rechtbank:


verklaart het beroep in de zaak met zaaknummer UTR 24/1222 ongegrond;


verklaart het beroep in de zaak met zaaknummer UTR 24/7706 gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar in de zaak met zaaknummer UTR 24/7706;


stelt de waarde van de woning aan de [adres 1] in [plaats] voor het belastingjaar 2024 vast op een bedrag van € 1.055.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023;


bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting en rioolheffing voor het belastingjaar 2024 dienovereenkomstig vermindert;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar in de zaak met zaaknummer UTR 24/7706;


veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 11,20,- aan proceskosten aan eiser;


draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
18 december 2025.



de rechter is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen











griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.


Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1788.


Zie de uitspraak van de Raad van State van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1459.
Link naar deze uitspraak