Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:711 
 
Datum uitspraak:15-01-2026
Datum gepubliceerd:29-01-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:NL:TZ:2503929:R-RK
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Moratorium toegewezen. Verzoek om een voorlopige voorziening worden aangemerkt als een verzoek ex artikel 287, vierde lid, Fw. De lopende huurtermijnen worden – in ieder geval – vanaf november 2025 voldaan. Daarnaast worden de lopende huurtermijnen ook door budgetbeheer voldaan, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de betalingen tijdig worden verricht.
Trefwoorden:uitkering
zorgtoeslag
Wetreferenties:Faillissementswet 287
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer]


Uitspraak van 15 januari 2026


In de zaak van



[verzoeker]
,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats]
verzoeker.




1De procedure

Verzoeker heeft op 12 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 12 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 8 januari 2026.

Van Houwelingen & Partners heeft namens verweerder op 7 januari 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 8 januari 2025 zijn verschenen en gehoord:


verzoeker;


de heer [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);


de heer [persoon B] , verweerder.



De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.




2Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Er is eerder op grond van artikel 287b, eerste lid Fw, een voorlopige voorziening toegekend vanaf 12 augustus 2025 voor de duur van drie maanden. Na het vorige moratorium was schuldhulpverlening van mening dat een betalingsregeling met de verhuurder de beste passende oplossing was voor verzoeker om tot een oplossing van zijn schuldensituatie te komen. Deze betalingsregeling is niet tot stand gekomen, althans niet met medeweten van schuldhulpverlening. Schuldhulpverlening heeft vervolgens op 8 januari 2026 een saneringsvoorstel gedaan in de vorm van een nulaanbod. In de tussenliggende periode heeft verweerder de ontruiming opnieuw aangezegd.

Verzoeker ontvangt inkomen uit een PW-uitkering. Daarnaast ontvangt hij huur- en zorgtoeslag. De kale huur bedraagt € 610,- per maand. De lopende huurtermijnen worden – vanaf november 2025 – door budgetbeheer voldaan. Daarnaast wordt € 150,- per maand afgelost op de ontstane huurschuld. Door budgetbeheer is ook voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.




3Het verweer

In zijn verweerschrift verzoekt verweerder het verzoek af te wijzen. In haar vonnis van 5 september 2025 heeft de rechtbank als voorwaarde gesteld dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw. Schuldhulpverlening heeft niet aan deze opdracht voldaan. Daarnaast heeft verzoeker op 4 september 2025 een betalingsvoorstel gedaan, waarin verzoeker aanbiedt in de maand september een betaling van € 3.000,- te verrichten en daarnaast maandelijks een extra aflossing te doen van € 150,-, vanaf oktober 2025. Verzoeker heeft geen enkele betaling conform dit voorstel verricht. Verzoeker betaalt weliswaar de lopende huurtermijnen, maar de totale schuld aan de verhuurder neemt niet af. Verzoeker heeft het eerste moratorium niet gebruikt om zijn schulden te saneren, maar enkel om ontruiming te rekken. Ook is verweerder een kleine partij die door het betalingsgedrag van verzoeker financieel zwaar wordt getroffen.




4De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat verzoeker reeds eerder een verzoek ex artikel 287b Fw en ex artikel 284 Fw heeft ingediend, waarop bij uitspraak van 5 september 2025 door de rechtbank Rotterdam een beslissing is genomen. Daarbij is een moratorium voor de duur van drie maanden toegewezen. De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat een moratorium voor de periode van drie maanden voldoende zou moeten zijn, omdat er maar één schuldeiser was. Omdat reeds eerder een verzoek ex artikel 287b Fw is toegewezen, en ook niet aannemelijk is geworden dat genoemde termijn van drie maanden niet voldoende zou zijn om het gehele minnelijke traject te doorlopen en een volledig Wsnp-verzoek in te dienen, is de rechtbank van oordeel dat een (tweede) verzoek ex artikel 287b Fw, op grond van het vijfde lid van dat artikel, in dit geval niet openstaat.

Gelet op het tevens ingediende verzoek ex artikel 284 Fw (het Wsnp-verzoek), en mede gelet op de inhoud van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, zal het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening wel worden aangemerkt als een verzoek ex artikel 287, vierde lid, Fw. Schuldhulpverlening heeft ter zitting immers verklaard dat het niet de bedoeling is een nieuw minnelijk traject op te starten, maar dat zij zo snel mogelijk het Wsnp-verzoek wil doorzetten. Dit verzoekschrift is door de rechtbank – zo goed als – compleet ontvangen en zal binnen afzienbare tijd op zitting kunnen worden behandeld.

Voor toewijsbaarheid van het verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.

De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2025 tot ontruiming van haar woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoeker een kopie van het exploot van 10 december 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 16 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning.

Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerder anderzijds.

Het belang van verweerder bestaat eruit dat hij het vonnis van 28 maart 2025 ten uitvoer kan leggen.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen totdat er een beslissing is genomen op het Wsnp-verzoek.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De lopende huurtermijnen worden – in ieder geval – vanaf november 2025 voldaan. Daarnaast worden de lopende huurtermijnen ook door budgetbeheer voldaan, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de betalingen tijdig worden verricht.

Verzoeker heeft het minnelijk schuldhulpverleningstraject bijna volledig doorlopen.

Verzoeker zal op grond van artikel 287 lid 2 Fw een korte termijn worden gegund om het Wsnp-verzoek, voor zover nog niet gebeurd, compleet te maken. Verzoeker dient het verzoekschrift ex artikel 284 Fw te completeren en de opgevraagde stukken uiterlijk 5 februari 2026 aan te leveren.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet op voorhand worden vastgesteld dat het onaannemelijk is dat verzoeker tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten, althans dat het verzoek niet-ontvankelijk zal (moeten) worden verklaard.

Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal bovendien op

12 februari 2026 te 11:30 uur – en derhalve op korte termijn – worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw.

Naar het oordeel van de rechtbank dient tegen deze achtergrond het belang van verzoeker op dit moment zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.

De verzochte voorziening zal bovendien worden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan. De voorziening zal gelden totdat op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling onherroepelijk zal zijn beslist of totdat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken.











5De beslissing

De rechtbank:

- verbiedt verweerder, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, gelegen aan de:

[adres] ,

[postcode] te [woonplaats] ;

- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig en volledig worden voldaan;

- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel de beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;

- bepaalt dat het op 18 juli 2025 door verzoeker ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw wordt behandeld op 12 februari 2026 te 11:30 uur.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
Link naar deze uitspraak