|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2025:10427 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-07-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 29-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/772170 / KG ZA 25-54 C/13/772170 / KG ZA 25-54 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding. Mondeling vonnis. Opheffing beslag (deels) | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | koopovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
Zaaknummer: C/13/772170 / KG ZA 25-549 MdV/EvK
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding van 28 juli 2025
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 AALSMEER B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
hierna te noemen: HCI Aalsmeer,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 ALMERE B.V.,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: HCI Almere,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: HCI Eindhoven,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 LEIDERDORP B.V.,
gevestigd te Leiderdorp,
hierna te noemen: HCI Leiderdorp,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HCI 360 UTRECHT B.V.,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen: HCI Utrecht,
6. de vennootschap naar buitenlands recht
HOKANSON CAPITAL INC.,
gevestigd te Edmonton (Canada),
hierna te noemen: HCI,
eisers,
verweerders in incident,
advocaat: mr. M. Deckers te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
360 EUROPE ASSET MANAGEMENT LTD,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
360 EUROPE CENTRE MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagden,
eisers in incident,
advocaat mr. L.P. Lustermans te Amstelveen.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten als griffier.
Aanwezig zijn:
- namens eisers: mr. Deckers en mr. I.M. van Noort,
- namens gedaagden: [naam] met mr. Lustermans en mr. J.T. Kool.
1De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 28 juli 2025 hebben eisers de dagvaarding toegelicht. Gedaagden hebben verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding ingebracht. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 28 juli 2025 aan partijen is afgegeven.
2De feiten
2.1.
HCI is een Canadese vennootschap. Eisers onder 1 tot en met 5 maken deel uit van een groep van vennootschappen van HCI, zij worden gezamenlijk de Propco’s (property company) genoemd. De verschillende Propco’s zijn eigenaar van onroerend goed in Nederland en houden zich bezig met het verhuren van bedrijfsruimte.
Naast de Propco’s bestaat de groep van vennootschappen ook uit HCI Dordrecht 360 B.V., HCI 360 Houten B.V. en HCI 360 Innsbruckweg B.V., deze drie vennootschappen worden samen met de Propco’s de HCI B.V.’s genoemd.
2.2.
De (in)direct aandeelhouder en bestuurder van gedaagden is [naam] .
2.3.
Gedaagden hebben werkzaamheden verricht in opdracht en ten behoeve van de HCI B.V.’s. Gedaagden hebben in een procedure voor de Engelse rechter gesteld dat de HCI B.V.’s hebben nagelaten hiervoor de afgesproken vergoedingen te voldoen. De Engelse rechter heeft bij vonnis van 12 mei 2025 de HCI B.V.’s veroordeeld om in totaal een bedrag van € 960.887,12 aan gedaagden te voldoen.
2.4.
Bij verzoekschrift van 25 juni 2025 hebben gedaagden de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om ten laste van de HCI B.V.’s conservatoire (derden)beslagen te mogen leggen, waarbij zij hun vordering hebben begroot op € 1.755.114. De voorzieningenrechter heeft op 26 juni 2025 verlof verleend voor het leggen van beslagen ter hoogte van € 1.755.000 (inclusief rente en kosten) ten laste van de HCI B.V.’s.
2.5.
Bij beslagexploten van 30 juni 2025 hebben gedaagden conservatoire beslagen gelegd, onder meer op de onroerende zaken van de Propco’s (de conservatoire beslagen OG).
2.6.
Op de beslagen onroerende zaken van de Propco’s rusten zekerheidsrechten in de vorm van hypotheken.
Op grond van twee kredietovereenkomsten met Oimio, als onderdeel van NIBC Bank N.V. (hierna: NIBC), zijn door NIBC diverse leningen verstrekt aan de HCI B.V.’s en hebben de HCI B.V.’s zekerheidsrechten verstrekt; Oimio heeft een (eerste) recht van hypotheek op alle onroerende zaken van alle Propco’s.
HCI Luxembourg S.à.r.l. (hierna: HCI Luxembourg, een houdstervennootschap opgericht door HCI Europe Ltd en Oppenheim) heeft ook leningen verstrekt aan de HCI B.V.’s. De vorderingen die HCI Luxembourg heeft op de HCI B.V.’s zijn eveneens gezekerd met een (tweede) recht van hypotheek. Deze gezekerde vorderingen zijn op 18 december 2024 door HCI Luxembourg gecedeerd aan eiseres HCI.
2.7.
Bij koopovereenkomst van 16 april 2025 zijn de onroerende zaken van HCI Aalsmeer verkocht. De levering vindt uiterlijk 31 juli 2025 plaats.
3Het geschil
3.1.
Eisers vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de conservatoire beslagen OG geheel, althans gedeeltelijk, op te heffen;
II. gedaagden te gebieden tot volledige medewerking aan doorhaling van de conservatoire beslagen OG, op straffe van een dwangsom;
III. gedaagden te verbieden om opnieuw uit hoofde van de beschikking van 26 juni 2025 conservatoir beslag op de onroerende zaken van de Propco’s te doen leggen;
IV. de vorderingen waarvoor de conservatoire beslagen zijn gelegd, te begroten overeenkomstig de onder randnummer 25 van de dagvaarding opgenomen tabel;
V. gedaagden te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
In dit kort geding vorderen de Propco’s opheffing van de conservatoire beslagen op hun onroerende zaken (OG), op grond van artikel 705 Rv en artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek omdat sprake is van misbruik van recht. De conservatoire beslagen OG zijn volstrekt zinloos omdat er geen reëel executieperspectief is voor de vorderingen van gedaagden. Bij volledige verkoop van alle onroerende zaken zal de opbrengst te laag zijn om zowel de eerste en tweede hypotheekhouder te voldoen, waardoor er niets resteert voor gedaagden. Er is (een spoedeisend) belang bij opheffing, omdat HCI Aalsmeer haar onroerende zaak aan de koper moet leveren en omdat NIBC conform de voorwaarden de lening zal opeisen als de onroerende zaken langer dan 30 dagen beslagen zijn.
3.3.
Gedaagden voeren verweer. Gedaagden hebben ook een incident tot zekerheidstelling voor proceskosten door HCI ingesteld.
3.4.
Eisers hebben verweer gevoerd tegen de incidentele vordering.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling
Incident zekerheidstelling proceskosten
4.1.
Alleen al omdat onweersproken is gesteld dat de buitenlandse vennootschap HCI in Nederland verhaalsmogelijkheden biedt wordt deze incidentele vordering van gedaagden afgewezen (artikel 224 lid 2 onder c Rv).
Opheffing beslagen
4.2.
Ten aanzien van de gevorderde opheffing van de beslagen geldt het volgende. Partijen twisten over de vraag of het onroerend goed, waar beslag op ligt, voldoende zal opbrengen om de vorderingen van gedaagden (deels) te voldoen. Ook als nu zou worden aangenomen dat de opbrengst van het onroerend goed onvoldoende zal zijn om de vorderingen van gedaagde te voldoen, leidt dat nog niet direct tot opheffing van de beslagen. Daarvoor is immers een belangenafweging nodig.
4.3.
Gedaagden hebben een zwaarwegend belang om hun door de Engelse rechter vastgestelde vorderingen betaald te krijgen. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van eisers bij opheffing van de beslagen (met uitzondering van het beslag op het onroerend goed in Aalsmeer). Het is niet aannemelijk dat de lening door NIBC/Oimio op korte termijn wordt opgeëist, mede gelet op de resterende looptijd daarvan. Ten aanzien van het onroerend goed in Aalsmeer staat vast dat dit binnenkort geleverd moet worden om de lening bij Oimio (deels) af te lossen. Dit levert een belang van eisers op bij opheffing van dat beslag, dat zwaarder weegt dan het belang van gedaagden bij behoud van het beslag.
4.4.
Dit betekent dat het beslag ten aanzien van het onroerend goed in Aalsmeer wordt opgeheven (vordering I). Gedaagden wordt geboden hier volledig aan mee te werken, maar de noodzaak om hier een dwangsom aan te verbinden is niet gebleken (vordering II). Gedaagden wordt verboden om op het onroerend goed van HCI Aalsmeer opnieuw beslag te leggen (vordering III). De vorderingen zullen niet worden herbegroot (vordering IV) nu in het bestek van dit kort geding niet valt vast te stellen wie van partijen op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft.
4.5.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing in incident en in hoofdzaak
5.1.
heft op het op 30 juni 2025 door gedaagden gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak van HCI Aalsmeer,
5.2.
gebiedt gedaagden tot volledige medewerking aan doorhaling van het opgeheven beslag,
5.3.
verbiedt gedaagden om opnieuw uit hoofde van de Beschikking conservatoir beslag op de onroerende zaak van HCI Aalsmeer te leggen,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.
type: EvK
coll: KH | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|