|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:1452 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-01-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.28103 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | niet-ontvankelijkverklaring; veilig derde land; toegang tot Armenië; beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28103
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Pals),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.M. Luik).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat eiser (opnieuw) toegang zal krijgen tot Armenië, dat voor eiser als veilig derde land kan worden beschouwd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 juni 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Jordaanse nationaliteit. Hij verklaart christen te zijn en als missionaris te evangeliseren op Facebook. Naar aanleiding hiervan is hij bedreigd, waarna hij Jordanië heeft verlaten. Ook in Nederland is hij om die reden bedreigd. Bij terugkeer naar Jordanië vreest eiser vermoord te worden.
Het bestreden besluit
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen asielvergunning krijgt, omdat Armenië voor eiser als veilig derde land kan worden beschouwd. Volgens de minister heeft eiser een band met Armenië, omdat hij daar van 2020 tot 2022 heeft verbleven en gestudeerd. Ook behoort eiser tot de Armeense bevolkingsgroep. Volgens de minister is het aannemelijk dat eiser opnieuw toegang krijgt tot Armenië, omdat hij daar eerder een verblijfsvergunning voor studie heeft gehad. Omdat Armenië een veilig derde land is, stelt de minister dat eiser niet hoeft te vrezen voor refoulement bij terugkeer naar Jordanië, vervolging of ernstige mensenrechtenschendingen. Eiser kan volgens de minister in Armenië een verzoek om internationale bescherming indienen.
Heeft de minister terecht gesteld dat het aannemelijk is dat eiser toegang tot Armenië zal krijgen?
5. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag inhoudelijk moet beoordelen, omdat Armenië voor hem geen veilig derde land is. Hij zal niet worden toegelaten tot Armenië, dan wel zal worden teruggestuurd naar Jordanië. Dit komt volgens eiser neer op indirect refoulement. Eiser voert daarbij aan dat hij niet meer als student ingeschreven staat in Armenië en dat zijn studieverblijfsvergunning inmiddels is verlopen. Daarnaast voert eiser aan dat hij per e-mail contact heeft gehad met de Armeense ambassade in Nederland, waarin hij heeft verzocht om financiële ondersteuning voor zijn studie en levensonderhoud, nu zijn vader daartoe niet langer in staat is. In de reactie staat dat alleen Armeense staatsburgers financieel kunnen worden ondersteund. Eiser voert aan dat hij zonder financiële middelen niet in Armenië kan studeren en leven en dat hij zijn studie om die reden eerder heeft afgebroken. Eiser betoogt dat het aan de minister is om hem, met behulp van de DT&V, te presenteren bij de Armeense autoriteiten, waaruit volgens eiser zal blijken dat hij niet tot Armenië zal worden toegelaten.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat uit vaste rechtspraak volgt dat het aan de minister, als hij aan zijn besluit ten grondslag legt dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is, om aannemelijk te maken dat die vreemdeling wordt toegelaten tot Armenië. De minister moet hierbij, aan de hand van algemeen bekende informatie of op basis van verklaringen van de vreemdeling, redenen aandragen waarom toegang in beginsel mogelijk is. Vervolgens is het aan de vreemdeling om met tegenbewijs te komen door voldoende twijfel te zaaien dat de door de minister geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn geval niet aanwezig zijn. Daarbij moet de vreemdeling aantoonbare en serieuze pogingen doen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat het aannemelijk is dat eiser (opnieuw) toegang krijgt tot Armenië. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser eerder een studievergunning heeft gehad in Armenië. Deze was geldig tot 14 september 2025. Daarmee heeft eiser eerder toegang gehad tot Armenië en is het aannemelijk dat hij opnieuw zal worden toegelaten. Dat deze studievergunning inmiddels is verlopen maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Het hoeft namelijk niet vast te staan dat toelating zal worden verleend, maar slechts dat dat aannemelijk is. De minister stelt vervolgens terecht dat eiser niet het tegendeel heeft bewezen. De overgelegde mailwisseling met de Armeense ambassade toont niet aan dat eiser geen toegang tot Armenië zal krijgen, maar alleen dat eiser volgens de ambassade niet financieel zal worden ondersteund door Armenië. Dat het mogelijk lastig is om financieel in het levensonderhoud te voorzien, betekent niet dat toelating tot Armenië onmogelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzending van deze e-mail niet kan worden aangemerkt als een serieuze poging om voldoende twijfel te zaaien dat de door de minister geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot Armenië niet aanwezig zijn. Daar komt bij dat eiser zelf heeft verklaard dat hij kan terugkeren naar Armenië zolang hij geen strafblad heeft, dat er verder geen obstakels zijn om terug te keren naar Armenië en dat hij voornemens is om daarheen te reizen als zijn familie daar op vakantie gaat. Verder heeft de minister op de zitting terecht gesteld dat een presentatie bij de Armeense autoriteiten in deze zaak geen duidelijkheid zal geven over de vraag of eiser toegang tot Armenië zal krijgen. Een presentatie is namelijk gericht op de afgifte van reisdocumenten, en niet op de beoordeling van de vraag of eiser zal worden toegelaten tot Armenië. De minister mocht Armenië daarom voor eiser aanmerken als veilig derde land. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dienst Terugkeer & Vertrek.
ABRvS 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480, r.o. 6; Vergelijk de uitspraken van ABRvS van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3380, van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2255, van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:128 en van 2 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:421.
Zie ook het Informatiebericht 2021/8 Beoordeling veilig derde landen in de asielprocedure - bewijslast en landeninformatie, p. 4.
Eiser heeft dit ook zelf verklaard in het aanmeldgehoor, p. 6 en in het nader gehoor, p. 11
Nader gehoor, p. 12 en p. 13. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|