|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:558 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-02-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 24/349 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Wet Woz. Waardevaststelling woning. Proceskostenvergoeding. Bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46)? | | Trefwoorden | : | bpm | | | hoogheemraadschap | | | koopovereenkomst | | | omzetbelasting | | | taxatie | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/349
uitspraakdatum: 27 januari 2026
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2024, nummer AWB 22/5701, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 535.000.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord A. Oosters, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] (taxateur). Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat teneinde de gemachtigde van belanghebbende de gelegenheid te geven overtuigend aan te tonen dat hij (niet) voldoet aan het derde criterium genoemd in overweging 3.5.1 in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Het Hof heeft verder bepaald dat daarna de heffingsambtenaar in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren en aangekondigd dat de zaak naar een meervoudige kamer zal worden verwezen, zodat de beslissing over de wijze waarop het derde criterium moet worden uitgelegd in meervoudig verband kan worden genomen. Van de zitting is een proces-verbaal opgesteld, dat op 3 oktober 2025 in het digitale zaaksdossier is geplaatst.
1.6.
In het arrest van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad bepaald dat niet wordt voldaan aan de eerste van de drie criteria die de Hoge Raad in overweging 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025 formuleerde, indien overtuigend wordt aangetoond dat het bedrijfsmodel van een gemachtigde voor het instellen van het rechtsmiddel zodanig was ingericht dat niet langer werd gewerkt op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Tot dit arrest gingen partijen met betrekking tot dit eerste criterium ervan uit dat doorslaggevend was dat in de onderhavige zaak op basis van no cure no pay werd gewerkt, hetgeen niet in geschil was. Bij bericht van 3 oktober 2025 heeft het Hof de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid gesteld voor 1 november 2025 overtuigend aan te tonen dat (niet) wordt voldaan aan het eerste criterium zoals nader gepreciseerd in het arrest van 26 september 2025.
1.7.
De gemachtigde van belanghebbende heeft gereageerd bij bericht (incl. bijlagen) met dagtekening 11 september 2025 (met betrekking tot het derde criterium) en 14 oktober 2025 (met betrekking tot het eerste criterium).
1.8.
Bij bericht van 15 oktober 2025 heeft het Hof de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld voor 15 november 2025 te reageren. Bij bericht met dagtekening 14 november 2025 heeft de heffingsambtenaar dit gedaan.
1.9.
Bij bericht van 19 november 2025 heeft het Hof partijen laten weten dat het Hof, gelet op het arrest van 26 september 2025, niet langer voornemens is de onderhavige zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer en dat het Hof verder van oordeel is dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Het Hof heeft partijen verzocht uiterlijk 10 december 2025 aan het Hof te berichten of zij mondelinge behandeling op een nadere zitting wensen.
1.10.
Bij bericht van 11 december 2025 heeft het Hof partijen laten weten dat het Hof het onderzoek heeft gesloten en heeft bepaald dat binnen 6 weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
2Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het gaat om een bovenwoning met een gebruiksoppervlakte van 125 m² en een dakterras van 17 m². Het bouwjaar is 1920. De woning is in gebruik als studentenwoning.
3Geschil
In geschil is de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2021. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat deze te hoog is vastgesteld, hetgeen de heffingsambtenaar betwist. Belanghebbende bepleit een waarde van € 444.000. De heffingsambtenaar verdedigt de bij beschikking vastgestelde waarde van € 535.000.
Verder is, als belanghebbende in hoger beroep recht heeft op een vergoeding van proceskosten, in geschil of de gemachtigde van belanghebbende een ‘bijzonder geval’ is als bedoeld in overweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Voor het geval deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, heeft de heffingsambtenaar subsidiair gesteld dat de wanverhouding tussen de door het bedrijf van de gemachtigde bij belanghebbende in rekening gebrachte kosten en de forfaitaire vergoeding een bijzondere omstandigheid vormt om de proceskosten op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) fors te matigen tot een vergoeding van de werkelijk in rekening gebrachte kosten.
4Beoordeling van het geschil
De waarde van de woning
4.1.
De heffingsambtenaar heeft de voor de woning vastgestelde waarde onderbouwd met een in beroep ingebrachte taxatiematrix, opgesteld op 19 juli 2023 door [naam3] . In die matrix is de waarde per 1 januari 2021 (hierna: de waardepeildatum) bepaald op € 535.000. Alle vergelijkingspanden zijn bovenwoningen gelegen in [woonplaats] .
[adres2]
[adres3]
[adres4]
[adres5]
[adres6]
Bouwjaar
1920
1930
1924
1914
1913
Gebruiksopp.
125 m²
130 m²
133 m²
106 m²
134 m²
Staat onderhoud
matig/voldoende
matig
matig
voldoende
goed
Voorzieningen
eenvoudig
eenvoudig
eenvoudig
eenvoudig
modern
Dakterras/balkon
17 m²
36 m²
5 m²
3 m²
5 m²
Datum ovk
-
24/10/2020
3/12/2021
20/2/2020
3/1/2020
Koopsom
-
€ 575.000
€ 652.500
€ 457.600
€ 575.000
Gecorrigeerde koopsom
€ 585.000
€ 554.000
€ 495.000
€ 628.000
Waarde dakterras/balkon (€ 500/m²)
€ 8.500
€ 18.000
€ 2.500
€ 1.500
€ 2.500
Waarde woning
€ 526.500
€ 567.000
€ 551.500
€ 493.500
€ 608.500
Waarde woning per m²
€ 4.212
€ 4.362
€ 4.147
€ 4.656
€ 4.541
In de legenda bij de taxatiematrix is opgenomen dat onderhoud is weergegeven in vijf gradaties (oplopend in kwaliteit): slecht, matig, voldoende, goed, uitstekend. De voorzieningen zijn weergegeven in drie gradaties (oplopend in kwaliteit): eenvoudig/verouderd, normaal, modern/luxe. [adres4] betreft een voormalige studentenwoning. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat in de eerste fase van de waardebepaling met betrekking tot verschillen in onderhoud of voorzieningen wordt gewerkt met vaste correcties van € 150/m² per stap. In latere fasen wordt de waarde door een taxateur beoordeeld. De vaste correctiefactoren worden dan losgelaten. De taxateur komt in dat stadium tot een waarde door met behulp van zijn kennis en kunde alle waardebepalende elementen tegen elkaar af te wegen.
4.2.
Belanghebbende heeft de door hem bepleite waarde ondersteund met een taxatierapport opgesteld op 9 december 2021 door [naam4] (hierna: de taxateur van belanghebbende). In dit taxatierapport wordt geconcludeerd tot een waarde per waardepeildatum van € 444.000. In het taxatierapport wordt een vergelijking gemaakt met de eveneens door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingspanden [adres4] en [adres6] en met het object [adres7] . Dit betreft een nabij de woning (“om de hoek”) gelegen bovenwoning, die op 21 oktober 2021 in gedateerde staat is verkocht voor € 465.000 en is geleverd op 1 mei 2022.
4.3.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het vergelijkingspand aan de [adres3] niet zonder aanpassingen kan worden gebruikt, omdat het ongeveer 1,5 kilometer is verwijderd van de woning, meer in het centrum is gelegen en daardoor in een ander waardegebied ligt. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat belanghebbendes stelling dat nabijheid tot het centrum een hogere waarde impliceert, niet onderbouwd is. Of de ligging van dat object beter is dan die van de woning, is subjectief. Sommige mensen zullen liever in het centrum boven een winkelstraat wonen, andere liever in een wat rustigere straat, aldus de heffingsambtenaar.
4.4.
De heffingsambtenaar heeft van zijn kant gesteld dat het vergelijkingspand aan de [adres7] niet kan worden gebruikt, omdat andere verkopen dichterbij de waardepeildaum liggen, omdat de lange tijd tussen het sluiten van de koopovereenkomst en de levering vraagtekens oproept, omdat het object voor een relatief laag bedrag is verkocht in een stijgende markt en omdat het niet duidelijk is of het object wel aan de meest biedende gegadigde is verkocht. Bij iedere transactie wordt geprobeerd deze te relateren aan andere transacties die in de verschillende prijsklassen hebben plaatsgevonden. Indien dat niet mogelijk blijkt te zijn, wordt de transactie buiten beschouwing gelaten, aldus nog altijd de heffingsambtenaar.
4.5.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar de door hem bepleite waarde niet aannemelijk gemaakt. Nog daargelaten dat belanghebbende heeft bestreden dat de voorzieningen van de woning vergelijkbaar zijn met die van de vergelijkingspanden (behoudens [adres6] ) – een stelling die gelet op de inpandige foto’s van de objecten niet op voorhand onaannemelijk is – heeft de heffingsambtenaar niet inzichtelijk gemaakt hoe met de verschillen in onderhoud en voorzieningen rekening is gehouden. Het is op zichzelf mogelijk dat de waarde wordt onderbouwd doordat een taxateur, zonder dat nader inzicht wordt gegeven, tot een waarde komt door met behulp van zijn kennis en kunde alle waardebepalende elementen tegen elkaar af te wegen, maar deze waarde moet dan in lijn liggen met andere objectieve elementen. Dat is hier niet het geval. De taxateur heeft ter zitting bij het Hof desgevraagd verklaard dat in het onderhavige geval geen correctie voor de kleinere gebruiksoppervlakte van [adres5] heeft plaatsgevonden. Indien dit zo is, is het zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet duidelijk hoe de waarde per m² van de [adres5] hoger kan zijn dan die van de [adres6] , terwijl dat object beschikt over een betere staat van onderhoud en betere voorzieningen.
4.6.
Verder heeft belanghebbende gemotiveerd gesteld dat het vergelijkingspand [adres3] een hogere waarde heeft, omdat het meer in het centrum is gelegen. Hoewel het, zoals de heffingsambtenaar heeft gesteld, ongetwijfeld zo is dat sommige mensen liever in het centrum boven een winkelstraat wonen en andere liever in een wat rustigere straat, acht het Hof het een feit van algemene bekendheid dat desondanks het prijspeil van een woning in het centrum van [woonplaats] gemiddeld hoger ligt dan dat van een woning meer in de periferie. Gelet hierop was het aan de heffingsambtenaar om hetgeen belanghebbende heeft opgemerkt omtrent de ligging te bestrijden, om aannemelijk te maken dat het prijspeil in de [adres3] vergelijkbaar is met het prijspeil in de buurt van de woning, en/of om inzichtelijk te maken dat en zo ja hoe met een eventueel verschil in prijspeil rekening is gehouden.
4.7.
Dit klemt temeer nu belanghebbende een vergelijkingspand heeft aangedragen dat “om de hoek” ligt van de woning – namelijk het pand aan de [adres7] – en dat de heffingsambtenaar dit vergelijkingspand niet in de taxatiematrix heeft willen betrekken, terwijl de heffingsambtenaar verder heeft gesteld dat, als die verkoop wel wordt betrokken, deze inderdaad aangeeft dat de vastgestelde waarde wat te hoog zou zijn.
4.8.
Het Hof kan de redenen die de heffingsambtenaar voor deze uitsluiting heeft gegeven niet volgen. De transactiedata van de door de heffingsambtenaar wel gebruikte vergelijkingspanden aan de [adres4] [adres6] liggen beide meer dan 10 maanden van de waardepeildatum, terwijl de transactiedatum van de [adres7] minder dan 10 maanden van de waardepeildatum is gelegen. Een periode van zes maanden en tien dagen tussen datum overeenkomst en datum levering acht het Hof niet ongebruikelijk. Het is in ieder geval niet een reden om zonder nadere toelichting – die ontbreekt – een transactie als onbruikbaar te bestempelen. De stellingen dat “het object voor een relatief laag bedrag is verkocht in een stijgende markt” en dat “het niet duidelijk is of het object wel aan de meest biedende gegadigde is verkocht” zijn door de heffingsambtenaar niet nader onderbouwd.
4.9.
Nu de heffingsambtenaar niet erin is geslaagd de bij beschikking vastgestelde waarde aannemelijk te maken, verschuift de bewijslast naar belanghebbende. Met het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting, acht het Hof belanghebbende geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de waarde van de woning op de waardepeildatum € 444.000 bedroeg. Gelet op het bovenstaande heeft de taxateur van belanghebbende de verkoop van het pand aan de [adres7] als objectief verkoopgegeven kunnen gebruiken. Hetgeen de heffingsambtenaar verder heeft aangevoerd omtrent de taxatie van belanghebbende brengt het Hof niet tot een ander oordeel.
4.10.
Gelet op het bovenstaande zal het Hof het hoger beroep gegrond verklaren en de vastgestelde waarde per waardepeildatum bepalen op € 444.000.
Bijzonder geval
4.11.
In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de reikwijdte van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: WHPKV) beperkt is tot gevallen die zich kenmerken doordat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. In het arrest van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet aan het eerste criterium wordt voldaan indien buiten redelijke twijfel wordt bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het rechtsmiddel wordt ingesteld, zodanig was ingericht dat niet (langer) werd gewerkt op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Daarbij moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
4.12.
De gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat WOZ-consultants B.V. vanaf aanvang 2024 niet langer op basis van no cure no pay werkte. Dit heeft de gemachtigde van belanghebbende reeds gesteld op de zitting van 28 augustus 2024, toen partijen nog ervan uitgingen dat met betrekking tot het eerste criterium niet het bedrijfsmodel op het moment van het instellen van het rechtsmiddel doorslaggevend was, maar de afspraken in de individuele zaak die speelde. De gemachtigde heeft ter zitting volgens het proces-verbaal het volgende verklaard:
“De gemachtigde van belanghebbende licht toe dat hij in 2024 de omslag heeft gemaakt naar een kantoor dat niet handelt op basis van no cure no pay. De enige ncnp-zaken die hij nog heeft, zijn de zaken die voor 1 januari 2024 zijn gestart en nog niet zijn afgerond.”
Tijdens die zitting heeft de gemachtigde verder gesteld dat in 2024 “zijn onderneming ‘volledig op zijn gat lag’.”
4.13.
In het bericht van 14 oktober 2025 heeft de gemachtigde gesteld dat vanaf begin 2024 is gezocht naar een juiste tariefstructuur, maar dat grosso modo een eigen bijdrage werd gevraagd van € 80 euro voor het controleren van een waarde en van circa € 350 euro voor het indienen van een bezwaarschrift. Vanaf begin 2024 werd op de website van de gemachtigde niet langer vermeld dat op basis van no cure no pay werd gewerkt. Begin 2025 is op de website expliciet aangegeven dat niet op basis van no cure no pay wordt gewerkt. De gemachtigde van belanghebbende heeft verder onweersproken gesteld dat juist vanwege het feit dat vanaf 2024 niet langer op basis van no cure no pay werd gewerkt, begin 2024 afscheid is genomen van 75% van het personeel.
4.14.
Bij het bericht van 14 oktober 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende een groot aantal bijlagen bijgevoegd. Tot deze bijlagen behoren onder andere:
Een factuur à € 387,20 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift en een taxatierapport inzake een onroerende zaak in [plaats1] gedateerd 16 april 2024 gericht aan een particulier, alsmede de door deze particulier op 11 april 2024 ondertekende overeenkomst waaruit blijkt dat deze vergoeding verschuldigd is ongeacht het resultaat van de procedure (niet is verschuldigd op basis van no cure no pay);
Een factuur à € 80 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift inzake een onroerende zaak in [plaats2] gedateerd 5 april 2024 gericht aan een particulier, alsmede een e-mail van deze particulier van dezelfde datum waarin zij bevestigt dat aan het starten van de procedure voor haar kosten zijn verbonden;
Een e-mail van 15 februari 2024 van een medewerkster van WOZ-consultants B.V. gericht aan een particulier in verband met een onroerende zaak in [plaats3] , waarin staat:
“Door een wetswijziging kunnen wij vanaf dit jaar onze diensten niet meer aanbieden op basis van no cure no pay. Wel kunnen wij tegen betaling bezwaar indienen tegen de hoogte van de WOZ-waarde. Het controleren van de WOZ-waarde en u hierover informeren kost € 80.”
Verder is een e-mail van dezelfde datum van deze particulier overgelegd waarin deze akkoord gaat met deze tariefstructuur;
Een factuur à € 580,80 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een beroepschrift en een taxatierapport inzake een onroerende zaak in [plaats4] gedateerd 27 mei 2024 gericht aan een particulier, alsmede de door deze particulier op 23 mei 2024 ondertekende overeenkomst waaruit blijkt dat deze vergoeding verschuldigd is ongeacht het resultaat van de procedure (niet is verschuldigd op basis van no cure no pay);
Een factuur à € 80 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift inzake een onroerende zaak in [plaats5] gedateerd 29 april 2024 gericht aan een particulier;
Een factuur à € 484 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift inzake een onroerende zaak in [plaats6] gedateerd 28 mei 2024 gericht aan een particulier, een e-mail van de gemachtigde van 3 april 2024 waarin staat: “Zoals zojuist besproken kan ik voor u bezwaar maken voor 2024. (…) Het kan niet meer op basis van no cure no pay en de kosten zijn 400 ex btw, dat is 484 incl btw” en een e-mail van deze particulier van 3 april 2024, dat hij akkoord is met de kostenstructuur als “alles uit de kast wordt gehaald”.
Een factuur à € 484 inclusief omzetbelasting voor het opstellen van een bezwaarschrift inzake een onroerende zaak in [plaats7] gedateerd 4 juni 2024 gericht aan een particulier;
Een e-mail van 24 mei 2024 van de gemachtigde aan een particulier, waarin staat: “Vanwege de matiging van de proceskostenvergoeding met 75% voer ik geen procedures meer op basis van No Cure No Pay. Ik kan uw dossier in behandeling nemen echter dan kost u dat € 320 euro ex btw (387,20 incl btw) ongeacht de uitkomst van de procedure”, alsmede een e-mail van 26 mei 2024 waarin deze particulier aangeeft akkoord te gaan met deze kostenstructuur en een factuur van 19 november 2024 in verband met deze zaak waarin € 387,20 in rekening wordt gebracht.
4.15.
De heffingsambtenaar heeft in zijn bericht van 14 november 2024 het volgende gesteld:
Bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat vanaf 2024 op de website van WOZ-Consultants B.V. niet langer stond vermeld dat op basis van no cure no pay wordt gewerkt.
De gemachtigde heeft in een andere procedure het volgende gesteld: “Voor de korte klap ten aanzien van het eerste criterium verwijs ik u tevens naar mijn website: www.wozconsultants.nl. Hier kunt u zien dat we niet op no cure no pay werken en onder het kopje “downloads” kunt u vrijelijk mijn enige overeenkomst downloaden.”, terwijl uit de bijlagen echter een veelheid aan overeenkomsten en afspraken blijkt te bestaan in 2024 en 2025. Daarbij schrijft de heffingsambtenaar:
“Het is mij geheel onduidelijk hoeveel zaken gemachtigde heeft aangenomen in 2024 en welke instapvergoedingen per aangenomen zaak in rekening zijn gebracht, Het is mij duidelijk dat de stukken die wel zijn ingediend bij het stuk van 14 oktober onvolledig zijn omdat de 8 bezwaarschriften bij BghU niet zijn meegenomen. Bij gebrek aan wetenschap weerspreek ik dat gemachtigde vanaf april 2025 voor iedere nieuwe zaak een instapvergoeding in rekening heeft gebracht.”
- Uit de “overeenkomst van opdracht” die nu op de website staat blijkt wel dat de kosten die een belanghebbende aan gemachtigde moet betalen significant lager liggen dan de forfaitaire vergoeding op basis van het Bpb. In deze overeenkomst van opdracht is het volgende is opgenomen:
“Artikel 3.1: Kosten controle voor bezwaarfase
De kosten voor het beoordelen bedragen € 99,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Het bezwaarschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 250,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Als het bezwaar gegrond wordt verklaard kent de gemeente, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase zal voor 75% aan WOZ-Consultants toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever.”
- Gelet op het hoge slagingspercentage van zaken die de gemachtigde aanneemt in combinatie met de 25% die de belanghebbende mag houden, rekent de heffingsambtenaar voor dat de eigen bijdrage symbolisch is:
“Startfee in de overeenkomst van opdracht die op de website staat
Dit veronderstelt dat de klant € 99 + € 250 = € 349 betaalt voor de bezwaarfase inclusief taxatierapport. De forfaitaire proceskosten voor indienen bezwaar (€ 647) en horen (€ 647) bedragen al € 1294. Daar komen eventueel nog de proceskosten voor het taxatierapport bij.
25% van € 1.294 is € 323,50. Dit is het bedrag dat een belanghebbende toekomt bij een geslaagde bezwaarprocedure zonder taxatierapport. In het geval van een geslaagde bezwaarprocedure met een taxatierapport komt daar nog € 32,00 bij. Dan is het bedrag dat belanghebbende mag houden € 355,50.
Indien een aspirant belanghebbende een kansloos geval aanmeldt bij gemachtigde en gemachtigde oordeelt dat de waarde niet te hoog of te laag is, dan heeft aspirant belanghebbende een kostenpost van € 99,00.
Indien een bezwaar dat door gemachtigde wordt ingediend, ongegrond wordt verklaard, heeft belanghebbende een kostenpost van € 349,00. Dit zal weinig voorkomen.
Kans op een geslaagd bezwaarschrift
Gemachtigde stelt in de brief van 11 september 2025 dat hij een hoog slagingspercentage heeft omdat hij de zaken uitgebreid beoordeelt alvorens bezwaar, beroep en hoger beroep in te stellen. Dit betekent dat de kans dat een belanghebbende een kostenpost van € 349,00 heeft klein is.
Beroep en hoger beroep
Voor beroep en hoger beroep geldt dat de controle van de waarde €99,00 kost en de procedure zelf € 399,00. Als het bezwaarschrift door gemachtigde is ingediend, hoeft het bedrag van € 99,00 niet te worden betaald. Ook nu mag belanghebbende 25% van de toegekende proceskostenvergoeding houden. Een kansloos geval kost dan € 99,00.
Bij een geslaagd beroep krijgt belanghebbende (907 x2) x 25% = € 453,50 als er 1 zitting is en geen taxatierapport is ingediend. Dit betekent een uiteindelijke kostenpost van € 44,50 Indien er wel een taxatierapport is ingediend en/of er meerdere zittingen zijn, maakt belanghebbende zelfs winst op de proceskostenvergoeding.
Conclusie met betrekking tot overeenkomst van opdracht
Dat belanghebbende zelf 25% van de toegekende proceskosten mag houden, komt er dus op neer dat een geslaagde bezwaarprocedure dan voor belanghebbende zelf nagenoeg gratis is of zelfs winstgevend (het verschil tussen € 349,00 en € 355,00). De startfee met alle daaraan verbonden voorwaarden is niet hoog genoeg. Hetzelfde geldt voor beroep en hoger beroep. Dit kan op één lijn worden gesteld met optreden op basis van no cure no pay.”
- Verder heeft de heffingsambtenaar in zijn bericht van 14 november 2025 het volgende geschreven:
“Met deze overeenkomsten en facturen maakt gemachtigde weinig aannemelijk.
- Er zijn slechts 7 contracten overgelegd en twee e-mails waaruit een zekere wilsovereenstemming naar voren komt.
- Er worden slechts 14 casus overgelegd, dat is mijns inziens slechts een klein deel van de zaken die in 2024 zijn aangenomen. Een aantal bezwaren die door gemachtigde in 2024 zijn ingediend, zijn mij bekend, onder meer de 8 bezwaarschriften die in 2024 bij BghU zijn ingediend en deze bezwaren zijn niet bij de stapel gevoegd. De stapel is onvolledig. Ik concludeer op grond hiervan dat er in 2024 ook nog op No Cure No Pay basis werd gewerkt.
- 1 bezwaaropdracht van [naam] is in 2025 aangenomen en gefactureerd, dit heeft geen betrekking op het bepalende jaar 2024.
- Voor de controle van een WOZ-waarde is in drie gevallen € 80,00 inclusief omzetbelasting in rekening gebracht. Dit bedrag is zo laag dat de dienstverlening mijns inziens gelijk te stellen is met No Cure No Pay dienstverlening;
- Opvallend is dat de overeenkomst van opdracht op de website de regeling bevat dat de cliënt 25% van de proceskostenvergoeding mag houden, maar dat slechts 1 van de overgelegde contracten deze regeling bevat. Dit aspect en het kleine aantal overgelegde contracten doet mij vermoeden dat gemachtigde alleen de contracten over heeft gelegd die hem goed uitkomen;
- De bedragen die zijn gefactureerd lopen zeer uiteen. Zonder toelichting van gemachtigde is dit onbegrijpelijk. Ik kan mij voorstellen dat gemachtigde een lagere startfee heeft gevraagd voor zaken waarin hij bijna zeker was van een geslaagd bezwaar en/of beroep;
- De regeling omtrent de proceskostenvergoeding loopt zeer uiteen, de ene keer krijgt belanghebbende 0%, dan weer 25% of zelfs 100% van de uitbetaalde proceskostenvergoeding. Zo op het oog lijkt het een soort keuzemenu.”
4.16.
Het Hof is van oordeel dat de gemachtigde van belanghebbende met hetgeen hij heeft gesteld en bijgebracht buiten redelijke twijfel heeft bewezen dat vanaf begin 2024 niet langer op basis van no cure no pay wordt gewerkt. Het Hof overweegt hiertoe als volgt.
4.17.
De gemachtigde heeft, ook voordat het belang van deze stelling partijen bekend was, consequent gesteld dat dit het geval was. De gemachtigde heeft verder onweersproken gesteld dat reeds begin 2024 WOZ-Consultants B.V. bezig was 75% van het personeel te begeleiden naar een andere werkkring. Dit onweersproken feit ondersteunt niet alleen in vergaande mate de stelling dat vanaf begin 2024 de bedrijfsvoering geheel anders was ingericht – en wel op een wijze waarbij 75% van het personeel overbodig werd – het ondersteunt ook de stelling dat de eigen bijdrage die cliënten in de gewijzigde bedrijfsvoering dienden te betalen niet symbolisch was. Immers, deze gewijzigde bedrijfsvoering en de daarbij altijd in rekening gebrachte bijdrage hadden blijkbaar – gelet op de grote reductie in benodigde (arbeids)capaciteit – grote gevolgen voor de hoeveelheid werk na 2023.
4.18.
De gemachtigde heeft het bovenstaande verder ondersteund met contracten en correspondentie met cliënten, waaruit blijkt dat vanaf begin 2024 in ieder geval niet meer in alle zaken werd gewerkt op basis van no cure no pay. Het feit dat sommige van deze cliënten in eerdere jaren wel gebruik maakten van de diensten op basis van no cure no pay, ondersteunt verder de stelling dat sprake is geweest van een omslag van het totale bedrijfsmodel.
4.19.
Noch het feit dat de gemachtigde niet alle na 1 januari 2024 gesloten overeenkomsten heeft ingebracht, noch de omstandigheid dat de heffingsambtenaar op de hoogte is van zaken waarvan de overeenkomst niet is bijgesloten, brengen het Hof tot een ander oordeel. “Buiten redelijke twijfel bewijzen” betekent niet dat de gemachtigde verplicht was alle na 1 januari 2024 gesloten overeenkomsten bij te voegen.
4.20.
Ook de omstandigheid dat de eerste overeenkomsten waarbij niet langer op basis van no cure no pay wordt gewerkt dateren van na 31 januari 2024, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Gelet op de aard van de bedrijfsvoering van WOZ-Consultants B.V. (rechtsbijstand inzake WOZ-procedures), acht het Hof het in de lijn der verwachting liggen dat de meeste overeenkomsten worden gesloten in de periode nadat de WOZ-beschikkingen worden genomen, hetgeen doorgaans eind januari of februari van enig jaar is. Dat wil zeggen voor 2024, in de periode na 31 januari.
4.21.
De gemachtigde is open geweest over het feit dat vanaf begin 2024 enige tijd gezocht is naar een nieuw factureringsmodel, waarbij verschillende overeenkomsten aan de orde zijn geweest. Dat de gemachtigde in een andere procedure ter ondersteuning van zijn stelling dat niet langer wordt gewerkt op basis van no cure no pay “voor de korte klap” heeft verwezen naar de standaardovereenkomst op zijn website die niet overeenkomt met de facturen uit 2024, betekent, anders dan de heffingsambtenaar blijkbaar meent, niet dat aan hetgeen in deze procedure is ingebracht minder overtuigingskracht toekomt.
4.22.
Het Hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de eigen bijdrage die vanaf 1 januari 2024 in rekening werd gebracht minimaal € 80 inclusief omzetbelasting bedroeg, doorgaans voor het controleren van de WOZ-waarde en het informeren van de cliënt, maar, zoals uit de genoemde bijlagen blijkt, sporadisch ook voor het opstellen van een bezwaarschrift. Het Hof acht een bijdrage € 80 niet symbolisch, aangezien deze in absolute zin wellicht niet al te hoge bijdrage bezien dient te worden in het licht van de ‘upside’ van een WOZ-procedure, die doorgaans gering is. Het Hof verwijst naar onderdeel 11.2 van de conclusie van AG Wattel van 25 oktober 2025, waar deze schrijft “hoe weinig financieel belang zelfs een significante WOZ-waardeverlaging heeft.” Het Hof betrekt verder bij dit oordeel dat met het controleren van de WOZ-waarde nog geen procedure is gestart en dat het Hof van oordeel is dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat vanaf 1 januari 2024, behoudens incidentele gevallen, voor een bezwaar- of beroepsprocedure een aanzienlijk hogere eigen bijdrage werd verlangd.
4.23.
Los van het bovenstaande blijkt, zoals eerder overwogen, uit de onweersproken stelling van de gemachtigde dat vanaf begin 2024 75% van het personeel gesaneerd diende te worden, dat de gewijzigde bedrijfsvoering waarbij in alle gevallen een eigen bijdrage werd verlangd niet symbolisch was en een significante impact had op het aantal zaken en het personeel dat voor de behandeling van die zaken noodzakelijk was. Hieruit volgt ook dat de eigen bijdrage vanuit het oogpunt van een potentiële cliënt niet symbolisch was. Immers, veel potentiële cliënten zijn blijkbaar juist afgehaakt vanwege deze eigen bijdrage.
4.24.
Ook de in deze uitspraak integraal aangehaalde rekenexercitie van de heffingsambtenaar brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De heffingsambtenaar gaat bij zijn conclusie dat procederen nog steeds gunstig is voor een belanghebbende uit van een scenario waarin de WHPKV niet van toepassing is, terwijl hij bepleit dat deze juist wel van toepassing is. Een uitleg van het begrip “symbolisch” waarbij het antwoord op de vraag of een bijdrage symbolisch is juist weer afhangt van het antwoord dat op die vraag wordt gegeven, kan geen juiste benaderingswijze zijn. Verder gaat de heffingsambtenaar uit van gewonnen procedures. Echter, het hoge succespercentage van de gemachtigde van belanghebbende neemt niet weg dat de eigen bijdrage door cliënten is verschuldigd ook in gevallen waarin geen succes wordt geboekt en dat juist mede voor die gevallen dient te worden bepaald of de eigen bijdrage symbolisch is. Gelet op hetgeen de gemachtigde onweersproken heeft gesteld, inhoudende dat het aantal cliënten drastisch is teruggelopen en de onderneming ‘op z’n gat ligt’, is dat kennelijk niet het geval. Het feit dat gewonnen procedures voor een belanghebbende financieel nog steeds gunstig zijn, is naar het oordeel van het Hof verder niet van belang, nu symbolisch naar het oordeel van het Hof in ieder geval niet betekent dat eerst sprake is van een niet-symbolische bijdrage indien een procedure financieel ongunstig is voor een belanghebbende ongeacht de uitkomst.
4.25.
Het feit dat de kosten die een belanghebbende aan gemachtigde moet betalen significant lager liggen dan de forfaitaire vergoeding op basis van het Bpb, acht het Hof verder eveneens irrelevant.
4.26.
Anders dan de heffingsambtenaar meent, kunnen overeenkomsten uit 2025 de stelling ondersteunen dat vanaf 1 januari 2024 niet langer op basis van no cure no pay wordt gewerkt. Maar zelfs als dit anders zou zijn, stond het de gemachtigde vrij deze overeenkomsten in te brengen.
4.27.
Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het Hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de gemachtigde van belanghebbende vanaf 1 januari 2024 een bijzonder geval is als bedoeld in overweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent het derde criterium als bedoeld in overweging 3.5.1 van dat arrest, behoeft geen bespreking. Het Hof zal de proceskostenvergoeding die is verschuldigd vaststellen zonder de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHPKV toe te passen.
Artikel 2, derde lid Bpb (matiging wegens bijzondere omstandigheden)
4.28.
Het feit dat de onder alle omstandigheden door cliënten verschuldigde eigen bijdrage veel lager is dan de proceskostenvergoeding die de heffingsambtenaar verschuldigd is op grond van het Bpb, dan wel dat hiertussen een wanverhouding zou bestaan, vormt geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb. Voor zover de heffingsambtenaar heeft bedoeld te stellen dat de kosten die de gemachtigde in een procedure maakt niet hoger zijn dan deze eigen bijdrage, heeft de heffingsambtenaar deze stelling niet onderbouwd. Overige feiten die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin zijn gesteld noch aannemelijk geworden.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Bpb vast op € 1.332 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x wegingsfactor 1 x € 666), € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934). Tussen partijen is niet in geschil dat in verband met de taxatie een vergoeding van € 128,26 (inclusief omzetbelasting) verschuldigd is, zodat de totale proceskostenvergoeding € 5.196,26 bedraagt.
6Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,
– vermindert de vastgestelde waarde van de woning tot € 444.000,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 5.196,26,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter en lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:HR:2025:46
ECLI:NL:HR:2025:1382
ECLI:NL:HR:2025:46
ECLI:NL:HR:2025:1382, zie eveneens ECLI:HR:2025:1175.
ECLI:NL:PHR:2024:1118 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|