Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:1025 
 
Datum uitspraak:30-01-2026
Datum gepubliceerd:05-02-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 24/11130
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Gelet op de gang van zaken in de betwiste toeslagjaren is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Het beroep is ongegrond.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/11130

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Capelle aan den IJssel, eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),

en

Dienst Toeslagen
(gemachtigden: mr. I. Mulder en mr. W.E. Louwerse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie terecht heeft afgewezen. Gelet op de gang van zaken in de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014 is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met de besluiten van 30 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht afgewezen.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 30 september 2022.



2.2.
Met het besluit van 18 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 30 september 2022 ongegrond verklaard.



2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 5 november 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met de besluiten van 30 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat er geen fouten zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in de toeslagjaren 2010, 2011, 2013, 2014, 2015 en 2016. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.

4. Eiseres heeft geen beroepsgrond gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2013, 2015 en 2016. De rechtbank beoordeelt daarom alleen de afwijzing van aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014.


Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie terecht afgewezen?

5. Eiseres betoogt dat zij recht heeft op compensatie. De Dienst Toeslagen heeft de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014 onjuist beoordeeld. De rechtbank bespreekt het betoog van eiseres en de beoordeling daarvan hierna per toeslagjaar.



5.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is het volgende van belang. De Dienst Toeslagen kent compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat die uitvoering heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van het wettelijke systeem.


Toeslagjaar 2010



5.2.
Eiseres betoogt dat het aannemelijk is dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld, omdat het niet duidelijk is op grond waarvan het recht op kinderopvangtoeslag op 9 december 2010 lager is vastgesteld.



5.3.
Uit het dossier blijkt dat aan eiseres op 21 juli 2010 een voorschot op de kinderopvangtoeslag is toegekend van € 4.293,-. Op 9 december 2010 is dit voorschot met € 103,- verlaagd, omdat het toetsingsinkomen van eiseres en het aantal opvanguren waren gewijzigd. Deze verlaging is verrekend met het voorschot op de kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2011. Uiteindelijk is op 20 november 2012 het recht op kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld en heeft eiseres een nabetaling van € 250,- ontvangen. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De verlaging van het recht op kinderopvangtoeslag was het gevolg van een reguliere wijziging, zodat ook overigens geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen ten aanzien van het toeslagjaar 2010 vooringenomen heeft gehandeld.


Toeslagjaar 2011



5.4.
Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten aanzien van het toeslagjaar 2011 niet mocht vertrouwen op informatie uit de kinderopvanginstelling (KOI)-viewer. De overgang van [kinderdagverblijf 1] naar [kinderdagverblijf 2] lijkt niet goed verwerkt en de Dienst Toeslagen had daarover destijds navraag moeten doen bij eiseres. Door dat niet te doen, heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld.



5.5.
Uit het dossier blijkt dat ten aanzien van het toeslagjaar 2011 meerdere wijzigingen hebben plaatsgevonden in het aantal uren kinderopvang van het kind [naam] bij [kinderdagverblijf 1] en [kinderdagverblijf 2]. De beschikkingen van de Dienst Toeslagen over het toeslagjaar 2011 zijn te herleiden tot deze wijzigingen. Eiseres heeft onvoldoende toegelicht wat er niet goed zou zijn verwerkt. Anders dan eiseres betoogt, heeft de Dienst Toeslagen zich niet gebaseerd op het ontbreken van informatie in de KOI-viewer, maar juist op de daarin wel aanwezige informatie. Op basis van die informatie heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat [naam] vanaf 29 juli 2011 geen opvang meer had bij [kinderdagverblijf 2]. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen in dit geval niet op de informatie uit de KOI-viewer mocht vertrouwen. De gang van zaken in het toeslagjaar 2011 geeft dus geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld.


Toeslagjaar 2014



5.6.
Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen haar in 2016 ten onrechte geen uitstel heeft verleend om nadere stukken aan te leveren over het recht op kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2014. Zij heeft een rappelbrief van 5 juli 2016 nooit ontvangen en de Dienst Toeslagen heeft daarvan geen verzendadministratie overgelegd.



5.7.
Uit het dossier blijkt dat de Dienst Toeslagen in 2016 om informatie heeft verzocht over het toeslagjaar 2014. Eiseres heeft deze informatie uiteindelijk pas op 23 januari 2017 aangeleverd in het kader van een bezwaarprocedure. Naar aanleiding van die informatie heeft de Dienst Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag herzien en hoger vastgesteld. Eiseres heeft op 6 juni 2016 gevraagd om uitstel voor het aanleveren van informatie. Met de rappelbrief van 5 juli 2016 is dat uitstel verleend tot 21 juli 2016. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens op 9 september 2016 het recht op kinderopvangtoeslag vastgesteld. Ervan uitgaande dat eiseres de rappelbrief van 5 juli 2016 niet heeft ontvangen, komt haar betoog erop neer dat de Dienst Toeslagen vooringenomen zou hebben gehandeld door niet uitdrukkelijk te reageren op het verzoek om uitstel en haar geen uitstel te geven tot 23 januari 2017. De rechtbank ziet in deze omstandigheden echter geen grond voor dat oordeel, zeker nu de Dienst Toeslagen op 28 april 2017 het recht op kinderopvangtoeslag voor het toeslagjaar 2014 naar aanleiding van de aangeleverde informatie alsnog heeft herzien en eiseres dus heeft gekregen waar zij recht op had.



5.8.
Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van de rechtbank de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie terecht heeft afgewezen ten aanzien van de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014. De beroepsgrond slaagt niet.


Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

6. Eiseres stelt dat zij niet beschikt over de benodigde gegevens om het bestreden besluit te kunnen controleren. Volgens eiseres ontbreken stukken uit de KOI-viewer over het toeslagjaar 2010 en gegevens over de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Doordat de FSV-registratie ontbreekt kan niet uitgesloten worden dat eiseres op basis van deze gegevens vooringenomen is behandeld.



6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Deze stukken geven inzicht in de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de kinderopvangtoeslag en onderbouwen het bestreden besluit. Eiseres heeft niet toegelicht waarom de informatie uit de KOI-viewer over het toeslagjaar 2010 relevant zou zijn. Dat eiseres in de FSV staat vermeld, is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld. De rechtbank heeft hiervoor onder 5.3, 5.5 en 5.7 reeds overwogen dat de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de kinderopvangtoeslag in het geval van eiseres geen aanleiding geeft voor het oordeel dat sprake was van vooringenomen handelen. De beroepsgrond slaagt niet.Heeft eiseres recht op een schadevergoeding?
7. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.



7.1.
Zaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.



7.2.
Het bezwaarschrift is op 14 november 2022 ontvangen. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn met afgerond een jaar en drie maanden overschreden. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 18 december 2024, afgerond twee jaar en twee maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus volledig toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres moet betalen.


Is het beroep tegen het niet tijdig beslissen ontvankelijk?

8. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 30 september 2022, is niet ontvankelijk, omdat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit alsnog op die bezwaren heeft beslist en eiseres in zoverre geen procesbelang meer heeft bij dat beroep. De Dienst Toeslagen moet wel de proceskosten van eiseres in verband met het beroep tegen het niet tijdig beslissen en het griffierecht vergoeden.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 30 september 2022, is niet-ontvankelijk. Voor het overige is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen geen compensatie aan eiseres hoeft toe te kennen. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.


9.1.
De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De zaak, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is van licht gewicht, omdat het een eenvoudige zaak is. De Dienst Toeslagen moet ook het betaalde griffierecht vergoeden.



9.2.
Eiseres heeft ook recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep voor het overige ongegrond;


veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 1.500,-;


veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-;


bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoedt.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.


Vgl. artikel 8:42 van de Awb.


HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.


ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.
Link naar deze uitspraak